Dacia Felix: de Kelten

Keltisch beeldje van een everzwijn uit Luna

Ik blog deze dagen over de expositie “Dacia Felix” in het Gallo-Romeins museum in Tongeren en haar oudere zusje “Racines, les civilisations du Bas-Danube” in le Grand Curtius in Luik. Over die laatste tentoonstelling leest u hier mee, over haar zusje in Vlaanderen vertel ik nog even dat er diverse culturen of zo u wil volken aan de orde komen: de Thracische Geten, die door kunnen gaan voor de oorspronkelijke bevolking, de Griekse kolonisten aan de kust, de immer fascinerende Skythen en de Kelten, waarover ik het vandaag wil hebben. Uit dit samenraapsel ontstond het koninkrijk Dacië, dat door de Romeinen werd onderworpen aan het begin van de tweede eeuw n.Chr.

De Kelten zijn dé grote IJzertijdcultuur uit West-Europa, ontstaan uit de Hallstatt-cultuur in het gebied dat van Champagne en Lotharingen via de Elzas, het Zwarte Woud en Beieren liep tot en met Bohemen. Hier woonde een elite die rijk was geworden met de handel in onder meer zout en ijzer en die vervolgens de tussenhandel was gaan monopoliseren in grondstoffen die de Mediterrane wereld nodig had uit het noorden, zoals tin en barnsteen. Ik heb het hier al eens verteld. Vaak lieten de leden van deze elite zich begraven met een wagen, zoals in het wagengraf in de Elzas waar ik ooit over blogde. Hun cultuur breidde zich uit; daar is het graf van de Vorst van Oss een voorbeeld van.

Lees verder “Dacia Felix: de Kelten”

Dacia Felix: de Skythen

Skythische krijger, eind zesde eeuw v.Chr.

Ik blogde gisteravond over de expositie “Dacia Felix” in het Gallo-Romeins museum in Tongeren. Ze behandelt de geschiedenis van wat nu Roemenië heet tussen pakweg 650 v.Chr. en 200 n.Chr. en dat wil zeggen dat verschillende volken aan de orde komen, die elk op een bepaald moment invloed hadden. De Thracische stam der Geten valt te beschouwen als autochtoon. Er spoelden wat Grieken aan de Zwarte Zee-kust aan. De Skythen arriveerden in de zesde eeuw uit het oosten en de Kelten bereikten de regio in de vierde eeuw v.Chr. Deze vier groepen hebben allemaal in meerdere of mindere mate bijgedragen aan het ontstaan van het koninkrijk Dacië, dat in de jaren 101-106 n.Chr. werd ingelijfd door de Romeinse keizer Trajanus.

De Skythen behoren tot de steppenomaden van Centraal-Azië. Ze spraken een Indo-Iraanse taal en begonnen in pakweg de achtste eeuw v.Chr. aan hun tocht naar het westen, waar ze de gebieden overnamen van de Kimmeriërs. Achter de Skythen kwamen de Sauromaten aan, eveneens naar het westen migrerend. De verklaring van deze westwaartse beweging, die nog eindeloos vaak zou plaatsvinden (Hunnen, Avaren, Turken, Magyaren, Mongolen…) is dat de Euraziatische steppe van oost naar west vochtiger wordt, zodat nomaden liever westwaarts trekken dan vice versa. De Skythen zijn maar één zo’n volk geweest, maar we hebben in het vierde boek van HerodotosHistoriën een puike beschrijving van hun leefwijze, die niet eens zo beroerd is.

Lees verder “Dacia Felix: de Skythen”

Dacia Felix: de Geten

Een godin op een panter (Rogozen-schat, vierde eeuw v.Chr.)

De expositie die ik vanmorgen beschreef, “Racines, les civilisations du Bas-Danube” in het Grand Curtius-museum in Luik, is het oudere zusje van de tentoonstelling “Dacia Felix” in het Gallo-Romeins museum in Tongeren. Waar het verhaal in Luik eindigt in de Vroege IJzertijd, daar neemt Tongeren de draad op door de geschiedenis van het Beneden-Donau-gebied te vertellen van de Late IJzertijd tot en met de Romeinse onderwerping van wat destijds Dacië heette.

Het is het verhaal van allerlei volken die naar de regio trokken en een gedeelde kunststijl hadden, met allerlei diermotieven. De Thracische stam der Geten stamde af van de eerste golf van Indo-Europese bewoners, die in het vierde en derde millennium v.Chr. westwaarts waren gekomen vanuit het huidige Oekraine; de Grieken arriveerden in de zevende eeuw op Zwarte Zee-kust; de Skythen behoorden tot een meer oostelijke groep Indo-Europees-sprekenden en trokken in de zesde eeuw vanuit Centraal-Azië richting Karpaten; de Kelten zakten ergens in de vierde eeuw v.Chr. vanuit het westen de Donau af. Uit dit alles ontstond het volk van de Daciërs, dat in de vroege tweede eeuw n.Chr. door de Romeinse keizer Trajanus werd onderworpen. De huidige taal van de regio, het Roemeens, stamt af van het Latijn.

Lees verder “Dacia Felix: de Geten”

Alexander in Albanië

De vallei van de Devoll (Eordaikos)

In 2004 publiceerde ik een boek over Alexander de Grote met de verrassende titel Alexander de Grote. In de voorafgaande tijd waren mijn zakenpartner en ik de Macedonische koning tot in Pakistan achterna gereisd. Een paar delen van zijn route hebben we destijds om voor de hand liggende redenen niet kunnen zien, zoals Irak en Afghanistan. Wat we wél zouden hebben kunnen zien maar nét niet bereikten, was het slagveld bij Pellion. (We zijn destijds gestrand in Kastoria, waar alle hotels waren volgeboekt voor een pelsdierhandelarencongres, zodat we moesten terugkeren.)

In het najaar van 336 v.Chr. was Alexanders vader Filippos II vermoord en was zijn zoon koning geworden. Hij gebruikte het volgende jaar om overal te laten zien dat alleen de naam van de koning en niet het Macedonische beleid was veranderd. In drie bliksemcampagnes trok hij door het land van de Thraciërs en van de Illyriërs en verwoestte hij de Griekse stad Thebe. Het jaar erop zou hij Azië binnenvallen.

Voor de aanval op de Illyriërs had Alexander een voorwendsel nodig, maar hij had in zoverre geluk dat een van de Illyrische stammen, de Dardaniërs (ergens in het noorden van Albanië), Macedonië wilde binnenvallen en alvast het grensfort Pellion bezette. Daar wachtte de Dardanische vorst Kleitos op versterkingen van een andere stam, de Taulantiërs. Volgens Nicholas Hammond, die veel studie heeft gedaan naar de topografie van Macedonië en Illyrië, moet dat worden gezocht in de omgeving van Korçë, in oostelijk Albanië.

Lees verder “Alexander in Albanië”

Afrodite

Afrodite (Archeologisch Museum van Zagreb)

Ik had u al gezegd dat het Archeologisch Museum in Zagreb zo mooi is, dus dat hoef ik hier niet te herhalen, en anders leest u het maar hier. Ook het bovenstaande bronzen beeldje, waarvan ik helaas alleen een onscherpe foto kon maken, is er te zien. Het is gevonden in Konjic en dat alleen al vertelt een verhaal, want dat ligt hartje Bosnië, halverwege Sarajevo en Mostar. De aanwezigheid van dit voorwerp in de hoofdstad van Kroatië herinnert aan de tijd waarin Joegoslavië nog bestond.

Niet minder interessant is wat het voorstelt. Dit is namelijk een inheemse kopie van een van de allerberoemdste beelden uit de Oudheid, de Afrodite van Knidos. Dat beeld is in de vierde eeuw v.Chr. gemaakt door Praxiteles en vormde destijds een schandaal: de Grieken waren gewend aan mannelijk naakt en nu presenteerde de kunstenaar een vrouw zonder kleren. Minstens zo erg was dat de preutsheid alleen maar schijn was. De handen accentueren immers precies die delen van het lichaam die ze lijken te bedekken. Dat is niet alleen een hedendaagse interpretatie, we hebben antieke bronnen die ook de aandacht vestigen op het erotische karakter van dit beeld (zoals). Hieronder heeft u een Romeinse adaptatie van Praxiteles’ beeld.

Lees verder “Afrodite”

Basiliscus

Inscriptie ter ere van generaal Basiliscus (Museum van Plovdiv)

In het museum van het Bulgaarse Plovdiv mag je, om redenen die vermoedelijk alleen de directie begrijpt, niet fotograferen. Gelukkig geldt dat verbod niet in het parkje dat dient als museumtuin. Ik bekeek bovenstaande steen destijds vluchtig, lang genoeg om te zien dat er twee talen en twee handschriften op staan en te concluderen dat ’ie op de foto moest. Dat was dat. Onlangs las ik de tekst ook en toen bleek dat dit toch wel iets bijzonders was.

Als je goed kijkt naar de onderste helft, zie je dat die ooit eveneens beschreven is geweest. De maker heeft een standbeeldsokkel met een oude inscriptie genomen, de letters weggebeiteld en er iets nieuws op gezet. Helemaal bovenaan deze stenen palimpsest is nog iets in het Grieks blijven staan, Ἀγαθῇ τύχῃ, een aanroep van het geluk die je op talloze antieke teksten vindt. En dan komt het!

Lees verder “Basiliscus”

De Indo-Europese migraties

Stele uit Nevsha (Archeologisch Museum van Varna)

Zoals ik gisteren vertelde, is de vraag waarom de Indo-Europese talen op elkaar lijken, in een kwaad licht komen staan doordat de nationaalsocialisten zich meester maakten van de hypothese dat de veronderstelde Urheimat, waar de Indo-Europeanen hadden gewoond voor ze naar alle windstreken waren gemigreerd, had gelegen op de Noordduitse Laagvlakte. In de nationaalsocialistische interpretatie waren de oerbewoners van dat gebied (de “Ariërs”) autochtoon, onvermengd met migranten die bij hen waren komen wonen, raszuiver en daardoor in allerlei opzichten briljant.

Er was een tweede reden waarom het onderzoek stokte. Weliswaar betwijfelde niemand dat de Indo-Europese talen op elkaar leken doordat ze afstamden van één oertaal, maar men had domweg onvoldoende gegevens om daarover werkelijk uitspraken te doen. Zoals we zagen, probeerde men eerst aan de hand van de gedeelde woordenschat enkele aspecten van het thuisland te reconstrueren – er waren bepaalde dieren en gewassen geweest, men had de ploeg gekend en men had er met karren gereden – en was zo’n reconstructie in principe archeologisch toetsbaar.

Lees verder “De Indo-Europese migraties”

De Trojaanse Oorlog (5)

De oostelijke poort van Troje VI/VIIa
De oostelijke poort van Troje VI/VIIa

[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hethitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier, maar ik begin hieronder met een samenvatting.]

Ik heb u gisteren verteld hoe de negentiende-eeuwse Britse oudhistoricus George Grote had beargumenteerd dat de Trojaanse Oorlog niet kon hebben plaatsgevonden: de Griekse stadstaten waren maar nauwelijks in staat geweest hun eenheid te bewaren ten tijde van Xerxes’ invasie, dus het was onwaarschijnlijk dat in een veel primitievere tijd een paar armzalige Griekse dorpen zich wél zouden hebben kunnen verenigen in een grootscheepse overzeese expeditie. De Duitse miljonair Heinrich Schliemann had echter de Griekse Bronstijd ontdekt: er waren machtige burchten geweest waarin krijgers hadden gewoond. Niks primitieve tijd, niks armzalige dorpen. De ontcijfering van het Lineair-B bevestigde dat het Mykeense Griekenland veel geavanceerder was geweest dan vóór Schliemann aangenomen was geweest.

Schliemann had aan het einde van zijn leven geopperd dat Troje VI de stad moest zijn geweest waaraan Homeros had gedacht toen hij de Ilias schreef. Een kleine halve eeuw later had de Amerikaanse archeoloog Carl Blegen echter vastgesteld dat Troje VI rond 1300 v.Chr. door een aardbeving was verwoest, ruwweg toen de Mykeense paleisburchten op het Griekse vasteland bloeiden, maar dat Troje VIIa rond 1260 door mensenhanden was verwoest in de nadagen van de Mykeense beschaving. De Trojaanse Oorlog zélf was echter nog altijd zoek, maar het Hititische materiaal leek enkele verrassingen te bieden.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (5)”

Karanovo

Het paardengraf met wagen
Het paardengraf met wagen

Ik reis nog steeds door Bulgarije: na de noordelijke vlakte, de Beneden-Donau-limes en de kuststrook, zijn we inmiddels ten zuiden van de Balkan gereisd naar Plovdiv. Onderweg passeerden we Karanovo, een van de interessantste opgravingen in het land.

Het verhaal begint in 2008, toen grafrovers werden betrapt bij een van de duizenden grafheuvels in Bulgarije. Een team archeologen uit het nabijgelegen Nova Zagora nam de schade op en ontdekten een wagen met twee paarden. Even verderop lag een hond.

Lees verder “Karanovo”

Naar Roemenië

adamclisi_monument_01_ab
Adamclisi

In 97/98 bezocht de pas keizer geworden Trajanus de Lage Landen. We weten dat hij bevel gaf de limes-weg te vernieuwen: dit is dendrochronologisch vastgesteld. Wellicht heeft hij de Rijn tot aan de monding afgereisd: geen enkele antieke heerser kon de verleiding weerstaan de Oceanus te bekijken, de zee die Europa, Afrika en Azië aan de buitenzijde omringde en die zo anders was dan de Middellandse Zee.

Drieënhalf jaar later stond dezelfde keizer helemaal aan het andere uiteinde van de Rijn-Donau-limes. In 101 was hij Dacië binnengevallen, het huidige Roemenië, waar allerlei metaalmijnen een aantrekkelijke buit leken te vormen. Na een reeks plundertochten, die de plaatselijke koning Decebalus niet konden verleiden tot een open veldslag, trok Trajanus zijn leger terug naar de Donau. Dat bood Decebalus een gelegenheid bondgenoten te zoeken. Met de ruiters van de Roxolani en Bastarnae staken de Daciërs onverwacht de Donau over.

Lees verder “Naar Roemenië”