Viatorinus

Grafsteen van VIatorinus (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

Een kleine zeven jaar geleden blogde ik over de romaanse kerken van Keulen. Tot de noordelijke godshuizen behoren de Sint-Ursula en de even verderop gelegen Sint-Gereon, beide gewijd aan laatantieke martelaren en beide gebouwd over een laatantiek grafveld. Ursula, die met een paar duizend maagden tegelijk de marteldood stierf, behoeft geen nadere discussie; het verhaal zal zijn ingegeven door de vondst van vele, vele skeletten. Gereon is een ander paar mouwen: de aan hem gewijde kerk lijkt in de vierde eeuw te zijn gebouwd op de plek waar een Romeinse soldaat is begraven. Dat hier inderdaad een soldatenkerkhof was, lijkt  te zijn bevestigd door bovenstaande inscriptie,noot EDCS-01200112. die op het kerkterrein is gevonden.

VIATORINVS PROT
ECTOR MITAVIT AN
NOS TRIGINTA O
CCISVS IN BAR
BARICO IVXTA D
IVITIA A FRANCO
VICARIVS DIVITESIM

Lees verder “Viatorinus”

Romeinse ogen

Keizer Lucius Verus met ingekraste pupillen en weelderig haar (Torloniacollectie, Rome)

Zomaar een vraag, waarvan ik niet weet waarom die afgelopen zomer bij me opkwam, en die vermoedelijk vooral veel zegt over mijn al bijna veertig jaar verouderde kennis. Aan het begin van mijn studie leerde ik bij de colleges archeologie (die overigens vooral leken op colleges kunstgeschiedenis) dat in gebeeldhouwde Romeinse portretten ongeveer vanaf de regering van keizer Hadrianus (r.117-138) de  pupillen werden uitgehouwen. Dit was een handig foefje om portretten te dateren. Misschien waren de vroegste exemplaren iets eerder, misschien werd de praktijk pas ten tijde van Hadrianus’ opvolger Antoninus Pius standaard, maar ergens tussen 110 en 160 veranderde de sculptuur.

Althans, dat dacht ik te weten. Een snelle controle op de foto’s van Romeinse portretbustes die ik op een harde schijf heb staan, sprak dit niet tegen, wat natuurlijk niet wilde zeggen dat het werkelijk klopte. En de vraag die zomaar bij me opkwam: waarom gingen de toenmalige beeldhouwers dat doen?

Lees verder “Romeinse ogen”

Egypte ontdekken

Het was niet Napoleon die, toen hij een team geleerden meenam naar het front, Egypte ontdekte. Al eerder waren er Griekse reizigers geweest, zoals Herodotos van Halikarnassos, die een priester interviewde over de bronnen van de Nijl. Er was de Romeinse officier Ammianus Marcellinus, die een correcte vertaling wist te geven van de hiëroglyfen. Er was kalief Al-Ma’mun, die de Grote Piramide opende en daar een mummie vandaan haalde. En er zijn altijd Egyptenaren geweest die naar de aloude monumenten keken, zich afvroegen wat dat waren en zo grondslagen legden voor wat nu egyptologie heet.

Egypte als ontdekking

Het is dan ook terecht dat de huidige expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, gewijd aan het ontdekken van Egypte, begint met Arabische visies op het antieke Egypte. Al-Masudi komt langs, die u op deze blog eerder bent tegengekomen. Pas na de Arabische ontdekkers stelt het museum de West-Europeanen aan de bezoekers voor: eerst kunstenaars als Cornelis de Bruijn, later ook wetenschappers.

Lees verder “Egypte ontdekken”

Vragen rond de jaarwisseling (4)

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

Zo’n drie weken geleden nodigde ik u uit om de traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik zal nu mijn best doen de meer beschouwende vragen te beantwoorden.

Wat vond je zelf de belangrijkste ontdekking?

Eerlijk gezegd heb ik in 2025 weinig bijzonders zien langskomen. Alles ging z’n gangetje. Je kunt natuurlijk niet elk jaar een nieuwswaardige doorbraak hebben.

Waar zou je dit jaar de Kasteel van Amstelprijs voor geven?

Ach ja, de Kasteel van Amstelprijs! In de eerste jaargangen van de Livius Nieuwsbrief reikte ik die uit aan de meest opzichtige manier om te vissen naar publiciteit. Ik noem nog maar eens Josephine Quinn, die de geschiedenis van Het Westen plaatst in de wijdere context. Voor de journalisten die haar kritiekloos aan het woord lieten: wereldgeschiedenis is een genre uit de jaren zeventig. De journalistiek relevante vraag is waarom wetenschappers publiciteit zoeken met iets dat dat al een halve eeuw in de belangstelling staat.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (4)”

De Dame van Elche

De Dame van Elche (Nationaal Archeologisch Museum, Madrid)

Ik heb nog nooit iemand ontmoet niet onder de indruk was bij het zien van een afbeelding van de Dame van Elche. Niet dat ik dit heb getoetst door middel van een representatief bevolkingsonderzoek, maar alleen al uit het afgelopen halve jaar herinner ik me een stuk of vijf mensen die zich er ongevraagd positief over uitlieten.

Ontdekking

Het beeld is in 1897 gevonden bij Elche (of Elx, zoals men ter plekke zegt), waar een antieke stad lag die de Grieken Helike noemden en de Romeinen Ilici. Lange tijd is beweerd dat de ontdekker een veertienjarige jongen was die Manuel Campello heette. Zo’n verhaal past goed bij het slappe format “niet-archeoloog doet ontdekking en zorgt dat het bij de autoriteiten komt en het blijkt belangrijk en nou is de wetenschap heel erg blij”. Archeologen gebruiken dit format graag om mensen ervan te overtuigen vondsten te melden. Dat die vondsten zelden werkelijk belangrijk zijn, wordt er nooit bij gezegd, en ik voel me altijd ongemakkelijk als ik weer lees dat een kind, een wandelaar of een soldaat die een schuttersputje aan het graven was, een vondst deed en meldde. Wetenschappelijke persberichten zijn er om te informeren, niet om te nudgen.

Lees verder “De Dame van Elche”

Vragen rond de jaarwisseling (1)

Odysseus en Polyfemos (Eleusis)

Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.

Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?

Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (1)”

De metro van Rome (3) Hoe verder?

Werkzaamheden aan de metro van Rome op het Piazza Venezia

Nu metrolijn C vanuit het oosten van de stad gevorderd is tot het Colosseum en de keizerlijke fora, kunnen we ook kijken naar hoe het verder gaat met dit enorme karwei. Lijn C zal een groot deel van het voor toeristen zo belangrijke Marsveld (Pantheon, Piazza Navona) en Vaticaanstad gemakkelijker toegankelijk maken. Dat laatste is nu nog maar matig het geval, omdat lijn A stopt in Ottaviano: een station dat toch nog altijd ruim een kilometer lopen vanaf het Sint-Pietersplein ligt. Station Ottaviano is vooral handig voor degenen, die de Vaticaanse Musea willen bezoeken: de toegang daartoe ligt er op acht wandelminuten vandaan. Lijn C voorziet in een metrostation naast de Engelenburcht, zodat je – als je er bovengronds komt – via de Via della Conciliazione gelijk zicht krijgt op de gevel van de Sint-Pietersbasiliek.

Enkele maanden geleden werden de Romeinen opgeschrikt door de instorting van de Torre dei Conti, een middeleeuws fort op vijftig meter terzijde van het Forum van Nerva en ook slechts tachtig meter verwijderd van de Via dei Fori Imperiali. Opmerkelijk feit is dat de Cloaca Maxima (het grote afwateringsriool in dit gebied) hier precies onder het Forum van Nerva door loopt. Er zijn dus nogal wat ‘ondergrondse holle ruimtes’, en het zou me niet verbazen dat de instorting van de Torre dei Conti, waar in de onmiddellijke omgeving werkzaamheden bezig zijn om lijn C te verlengen richting Piazza Venezia, hierdoor mede veroorzaakt zou zijn, ook al weten we dat de Torre zelf al in zeer bouwvallige staat verkeerde.

Lees verder “De metro van Rome (3) Hoe verder?”

De metro van Rome (2): een ingewikkeld stuk

Kaartje van de metro van Rome

De Romeinse metrolijnen B en A (in die volgorde) laten we nu even links liggen, en we gaan kijken naar de lijn waar nu zoveel over is te doen: lijn C. Deze metrolijn gaat het ‘verre’ en wat armoedige oosten van de stad verbinden met het noordwesten, voorbij de (meestal) luxe wijk Prati.

Plannen en vertragingen

De plannen voor lijn C stammen al uit 1941, toen het fascistische regime nog dacht in termen van een groots ‘Imperium’, met Rome als hoofdstad. Niet voor niets werd de bebouwing langs en op weg tussen het hoofdkwartier van Mussolini (Palazzo Venezia) en het Colosseum zo’n beetje platgegooid en omgedoopt tot Via dell’Impero, daarbij niet al te veel consideratie tonend met de daaronder deels verborgen keizerlijke fora.

Lees verder “De metro van Rome (2): een ingewikkeld stuk”

Vragen rond de jaarwisseling 2025

Eind 2022 nodigde ik u uit u voor het eerst “Vragen rond de jaarwisseling” te stellen. Vragen over de Oudheid dus, die ik dan rond de jaarwisseling zou beantwoorden. Die uitnodiging bleek niet aan dovemansoren gericht want ik had al snel kopij voor zes blogjes (één, twee, drie, vier, vijf, zes). Ik voegde destijds aan mijn uitnodiging toe dat ik hoopte dat uw vragen het begin zouden zijn van een leuke oudejaarstraditie. Eind 2023 en eind 2024 stelde ik de vraag dus opnieuw en toen was er opnieuw een hoop te doen (zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien, veertien).

Zo ook nu, eind 2025. Het dubbele voorbehoud is ook dit keer dat ik niet onbeperkt in mijn tijd zit en dat een vraag wel binnen mijn expertise moet vallen. Het moet dus gaan over de Oudheid, ofwel de tijd tussen pakweg 3000 v.Chr. en 650 na Chr., en de regio tussen de rivier de Indus en de Atlantische Oceaan, tussen de Sahara en de Centraal-Euraziatische steppe. Maar dat had u al begrepen.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling 2025”

De ruiter van Hornhausen

De Ruiter van Hornhausen (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

Een van de redenen waarom ik al jaren naar het Landesmuseum für Vorgeschichte in Halle wilde, was het bovenstaande reliëf. Het stond ook op het boekje met Germaanse heldensagen dat ik een kleine halve eeuw geleden heb gelezen, en sindsdien fascineert het me. Het valt me moeilijk bij het zien ervan niet te denken aan Siegfried, Hildebrand of Beowulf. Eenmaal in Halle realiseerde ik me dat die betoverende verhalen me ervan hadden weerhouden uit te vogelen wat voor reliëf dit eigenlijk was.  In mijn gedachten was het “dat reliëf” van “die Germaanse ruiter”. De auteur van het boekje over de Germaanse heldenliederen schreef dat het Wodan was.

Het reliëf, in 1874 ontdekt bij Hornhausen (vlakbij Maagdenburg), stelt inderdaad een ruiter voor, voorzien van helm, speer, zwaard, schild en broek. De helm zou van hetzelfde type kunnen zijn als die uit Sutton Hoo, dus met een volledige bedekking van het gezicht, maar dat is niet goed uit te maken. Er is geen stijgbeugel. Het paard is nogal groot. Recht onder het dier lijken drie horizontale lijnen te staan, maar als je goed kijkt, zie je dat het een enorme slang is, wiens levenloze kop rechtsonder naar beneden afhangt, in het onderregister, dat is versierd met een vlechtwerk van slangen. Dit wordt vanouds uitgelegd als het “binden” van het kwaad, wat natuurlijk wel past bij de gedode slang onder de paardenvoeten. Er is ook een bovenregister geweest, waarvan alleen nog wat voeten zijn te zien.

Lees verder “De ruiter van Hornhausen”