Bij het woord “boeken” heb ik twee associaties. De eerste is die van gerijpte wijsheid. Ik heb weleens iets gepubliceerd en het proces waarmee een boek wordt gemaakt, is inspirerend. Je meelezers wijzen je op feitelijke onjuistheden en ondoordachte formuleringen. Je redacteur doet dat nog eens over. Er zijn persklaarmakers, correctoren en vormgevers. Iedereen denkt met je mee om de informatie zo goed mogelijk over te dragen.
Mijn tweede associatie, moet ik bekennen, is weerzin. Die heeft alles te maken met de wijze waarop de vaderlandse boekenbranche het boek als cultuurgoed kapot maakt.
Een astrolabium (Wetenschapshistorisch museum, Samarkand)
In de reeks Faits Divers deze keer: eerst wat voor de hand liggend gemopper en daarna gelukkig ook leuk nieuws.
Alwéér een petitie
Vorige week hadden we de vierde petitie tegen de aangekondigde sluiting van een oudheidkundig instituut in 2024, deze week de vijfde. Dit keer is Latijn aan de Goethe-universiteit in Frankfurt de bedreigde partij. De petitie is hier. (Het jaar is nog geen drie maanden oud.)
Korte inhoud van het voorafgaande: vorige week was het dus oude talen in Cardiff en u kunt daar nog tekenen. In februari waren de geesteswetenschappen in Kent aan de beurt, in januari betrof het archeologie in Helsinki en klassieke talen in Kingston, in december ging het om de sluiting van de archeologische opleiding in Leipzig en het museum van Ename, in november wist een petitie problemen rond het schoolvak Grieks in Vlaanderen te voorkomen, in september was er politieke druk op het Egyptisch Museum in Turijn en in juni dreigde sluiting voor het museum Ermelo (maar dat blijft vooralsnog open).
In mijn donderdagse reeks over het handboek van Luuk de Blois en Bert van der Spek, zijn we inmiddels aangekomen bij de doorbraak van het christendom. Daar gaan we het zo meteen ook over hebben, maar eerst toch even
iets urgenters
Namelijk de petitie tegen de sluiting van een oudheidkundig instituut. Het is alweer de vierde dit jaar, dat pas twee-en-een-halve maand oud is. Dit keer gaat het om oude talen in Cardiff en de petitie is hier.
Een van de grootste drama’s in de aan drama niet arme Eerste Wereldoorlog was de campagne bij Gallipoli. In 1915 besloten de Britten en Fransen dat ze de Dardanellen (de antieke Hellespont) moesten veroveren en doorstoten naar de Bosporus en Constantinopel. Zo zou er een aanvoerroute worden geopend naar Rusland. De operatie liep uit op een bloedige mislukking. Hoewel de meeste soldaten tijdens deze campagne kwamen uit het Britse wereldrijk, waren er ook Fransen bij betrokken: het Corps Expéditionnaire d’Orient. De manschappen kwamen uit Algerije, Tunesië en Senegal.
Terwijl het Britse corps, ANZAC, landde op het eigenlijke schiereiland, landden de Franse troepen aan de Aziatische zijde van de Dardanellen, waar ze verhinderden dat Ottomaanse soldaten naar de Europese zijde zouden oversteken. Toen de Britten een bruggenhoofd hadden geschapen, kwamen ook de Fransen naar de Europese zijde. Op het schiereiland kwamen ze op de uiterst rechtse positie te staan, waar ze voortdurend werden beschoten. Er werden enorme kraters geslagen – en daarin bleken antieke resten te zitten. Zo begon een van de meest bizarre archeologische opgravingen aller tijden.
Drie ranke zuilen: iedereen die Rome heeft bezocht, kent de schaarse resten van de tempel van Castor en Pollux op het Forum Romanum. Het is een van de oudste monumenten van de Romeinse Republiek, gewijd na een belangrijke veldslag aan het begin van de vijfde eeuw v.Chr. Voor de liefhebbers: de slag bij het Regillijnse Meer, waarin de Romeinse generaal Postumius de Latijnen versloeg. De overwinning werd elk jaar herdacht op 15 quintilis. Postumius had heiligdom in het heetst van de strijd beloofd en het werd enkele jaren later door zijn zoon ingewijd.
Laat in de middag kwam een eind aan de strijd. Het verhaal gaat dat hierna op het Forum Romanum twee jongemannen in krijgstenue zijn verschenen, bomen van kerels, buitengewoon knap om te zien en even oud. Hun gezichten leken de sporen te dragen van het pas gevoerde gevecht. Terwijl ze allebei hun bezwete paarden te drinken gaven en wasten met het water uit de bron naast de tempel van Vesta, die daar een diep meertje vormt, kwamen drommen mensen om hen heen staan om te informeren of er iets te melden was over het leger. Daarop beschreven ze het verloop van de strijd en hun overwinning. Na hun vertrek van het Forum blijken ze nergens meer gezien te zijn, ondanks het diepgaande onderzoek dat de stadspraetor naar hen instelde.
Postumus, stichter van het Gallisch Keizerrijk (Bodemuseum, Berlijn)
Ik heb het, in het kader van mijn reeks over Een kennismaking met de oude wereldvan De Blois en Van der Spek, al vaker gehad over de fase van de Romeinse geschiedenis die bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. De crisis als geheel, de Sassaniden en de afname van de economische mogelijkheden kwamen al aan de orde. De gevolgen waren immens. Rond 270 was het Romeinse Rijk in drieën uiteengevallen. Het centrale rijk (bestuurd door achtereenvolgens Gallienus, Claudius II Gothicus en Aurelianus) bestond uit Italië, de Afrikaanse provincies en een onrustige Balkan. In het oosten was het Rijk van Palmyra, in het westen het Gallisch Keizerrijk.
Je kunt die afsplitsingen zien als dieptepunt van een crisis, maar dat is te eenzijdig. Dat de Galliërs in alle opzichten het “echte” Romeinse Rijk imiteerden, bewijst vooral hoe grondig de romanisering was geweest, hoe groot het zelfvertrouwen van de provincies was en hoe vitaal de Romeinse wereld bleef.
Mithras doodt de stier op een reliëf uit Aquileia (Louvre, Parijs)
Om redenen die ik nooit heb kunnen doorgronden, trekt de Romeinse god Mithras allerlei misverstanden aan. Nee, het is geen Perzische cultus. Ze gebruikt slechts wat Perzische vormen. Nee, de cultus verspreidde zich niet van het oosten naar het westen. Ze verschijnt vrij abrupt rond het jaar 100 na Chr. in alle delen van het Romeinse Rijk tegelijk. Nee, Mithras was niet vooral populair in de legerkampen, zoals De Blois en Van der Spek schrijven in Een kennismaking met de oude wereld. Van de ruim 1100 vereerders die we kennen, zijn er ongeveer 130 soldaat. Dat wil zeggen: ten opzichte van de normale verhouding van burgers en soldaten in onze inscripties zijn de laatsten juist ondervertegenwoordigd. (Alleen in Britannia komt het aantal militaire vereerders uit boven de 20%.) Nee, de tempel in Elst is weliswaar ondergronds, maar was niet gewijd aan Mithras. Heus, nee, de cultus van Mithras is nooit een echt alternatief voor het christendom geweest. Nee, de christenen namen 25 december als feestdatum niet over van de Mithras-vereerders. En ook niet het idee van een opstanding uit de dood.
Oké, die laatste bewering is een tikje te snel. Het probleem is: we kennen de mythe van Mithras niet. Wellicht is ze opgeschreven geweest, maar zo’n tekst is niet overgeleverd. Dus misschien was er wél een scène waarin de god uit de dood opstaat. Als je iets niet kunt onderzoeken, kun je niks uitsluiten. Alles is mogelijk als niets kan worden onderzocht.
Ik vertelde al eerder dat in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren een expositie is over kleur op antieke standbeelden. Dat die bont waren, is geen nieuw inzicht. Veel musea hebben wel ergens een fleurig gereconstrueerd gipsafgietsel staan, dat minimaal de kleuren toont – zij het zonder de glans die een beschilderd beeld van marmer heeft. Gips absorbeert verf, marmer doet dat anders.
Onze witte beelden
Evengoed is het een leuk onderwerp voor een expositie, want in onze contreien zijn we de afgelopen eeuwen wel enigszins geconditioneerd door de witte beelden die Europese kunstenaars hebben gemaakt. Ik heb er zelf mee geworsteld. Er is wel geopperd dat die meer recente beelden het idee hebben versterkt dat de mensen die aan het begin van onze jaartelling leefden rond de Middellandse Zee, eveneens niet al te gekleurd zijn geweest. Dat lijkt me plausibel, al weet ik niet goed hoe je het kunt bewijzen. Misschien zijn er brieven bekend van achttiende-eeuwse historiserende schilders die een gekleurd model afwijzen omdat de Grieken en Romeinen een lichte huid zouden hebben gehad. Ik weet het niet.
Wanneer een oudheidkundige een tekst van Vergilius wil raadplegen, kan hij of zij naar zijn of haar boekenkast of naar een bibliotheek gaan en een editie tevoorschijn halen. Het is echter niet zo eenvoudig als het op het eerste gezicht lijkt: er bestaat namelijk helemaal geen eenduidige uitgave van Vergilius’ werk. Afgezien van het feit dat Vergilius vermoedelijk nog niet klaar was met de Aeneis toen hij stierf: er is er geen originele tekst uit zijn tijd bewaard gebleven. En dit geldt voor de gehele Oudheid en nog lang daarna: er zijn geen originele teksten uit de tijd van de auteur, en zeker geen auteursexemplaren.
Overschrijffouten
Alle teksten uit de oudheid zijn alleen bewaard gebleven omdat zij steeds opnieuw werden overgeschreven, vooral in kloosterbibliotheken. En daar beginnen de problemen: als je overschrijft, ontstaan er fouten. Stel dat een kopiist één fout per bladzijde maakt, maar 10% van de fouten van zijn voorgangers corrigeert. In een tekst van 100 bladzijden heeft het eerste exemplaar 100 fouten, het tweede 190, en het derde al 271.
De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus was in de eerste plaats politicus. Net als tijdgenoten als Ploutarchos of Dion Chrysostomos wilde hij leiding geven aan zijn volk: als generaal, als bondgenoot van de Romeinen, als partijganger van Agrippa II, als krijgshistoricus, als verzamelaar van oude verhalen, als apologeet, als autobiograaf. Eén van zijn standpunten is dat de Joden een volk van filosofen waren, dat er drie stromingen waren en dat de Joodse Opstand het werk was van een vierde, gewelddadige en aan het Jodendom vreemde filosofie. De drie zijns inziens echte stromingen waren de farizeeën, de sadduceeën en essenen, die in zijn presentatie corresponderen met de stoïcijnen, epicureeërs en pythagoreeërs.
Dode-Zee-rollen
Onzin natuurlijk. Het joodse leven was veel complexer dan dat. Dat weten we wel uit de Dode-Zee-rollen. En Josephus’ agenda is ook te duidelijk. Hij legt het jodendom in een Grieks-filosofisch procrustesbed om de schuld te kunnen geven aan een vierde stroming. Evengoed zijn die drie “erkende” halachische stromingen niet helemáál uit de lucht gegrepen. Het Nieuwe Testament noemt de farizeeën en sadduceeën eveneens. De essenen blijven onvermeld.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.