Portret van een heerser uit het Parthische Rijk uit Aššur (Pergamonmuseum, Berlijn)
Van alle Iraanse dynastieën regeerden de Arsakiden het langst: bijna een half millennium heersten ze over het Parthische Rijk. In mijn vorige stukje beschreef ik hoe ze in de loop van de ruime eeuw tussen 245 en 139 v.Chr. vanuit Hyrkanië hun macht uitbreidden naar Baktrië in het oosten en naar Hyrkanië en Medië in het westen, en tot slot Babylonië en Elam. Deze laatste twee gebieden waren veel verstedelijkter dan de gebieden op de Iraanse hoogvlakte. De veroveraars zouden hun bezittingen moeten gaan organiseren.
In alle gebieden was het bestuur Griekstalig geweest en de nieuwe heersers moesten zich, als ze wilden dat hun heerschappij duurzaam was, daaraan aanpassen. De steden behielden daarom hun oude rechten en het bestuur bleef min of meer hetzelfde. Een interessant detail is de muntslag: de opschriften waren in het Griekse alfabet, ook toen de kennis van deze taal achteruit was gegaan en niemand nog goed wist hoe hij Griekse karakters moest schrijven.
Elite-soldaten uit Achaimenidisch Perzië in uitgaanstenue (Louvre, Parijs)
[Vierde van zes blogs over Achaimenidisch Perzië, dat tussen het midden van de zesde eeuw v.Chr. en 330 heel het Nabije Oosten verenigde. Het eerste deel is hier.]
Tijdens de regering van Artaxerxes I bereikte de agressie van de Atheners een hoogtepunt. Zij behandelden hun bondgenoten inmiddels als onderdanen, maar konden de andere Grieken alleen geloofwaardig beheersen als ze af en toe oorlog voerden tegen de Perzen. Nu en dan vielen ze daarom havens in het imperium aan. Artaxerxes I ging een stap verder dan Xerxes. De Perzen moesten de Yauna verdeeld houden – welnu, verdeeldheid viel te zaaien. Uit de kluizen van Persepolis betaalde de grote koning goud en zilver aan Sparta, een Griekse stadstaat die op voet van oorlog verkeerde met Athene. Toen ook de Griekse stad Thebe zich aansloot bij de coalitie, begrepen de Atheners dat ze hun hand overspeelden en in 449 zegden ze Artaxerxes toe niet te zullen interveniëren in zijn invloedssfeer.
Verdeel en heers
Hoewel de Griekse bronnen anders suggereren, was Perzië heer en meester van de wereld. Toen Athene zich niet aan de gemaakte afspraak hield en in 414 steun verleende aan een opstandeling in het Perzische rijk, Amorges, begon koning Darius II opnieuw subsidies te betalen aan de Spartanen, die daarop de Atheners versloegen, hun stad in 404 innamen en een einde maakten aan de anti-Perzische politiek.
De Perzen ontdekten echter al snel dat de westelijke barbaren onverbeterlijk waren: Athene mocht dan zijn verslagen, nu begon Sparta het imperium te bestoken. Eerst leverde het staatje huurlingen – Xenofon was een van hen – aan de Perzische rebel Cyrus, daarna deden de Spartanen openlijk een inval in Achaimenidisch Perzië. De grote koning zegde daarop steun toe aan de Atheners, en toen die groep Yauna weer te machtig werd, hevelde hij de subsidie weer over naar Sparta.
Het graf van Darius de Grote in Naqš-e Rustam diende als voorbeeld voor de graven van alle andere koningen van Achaimenidisch Perzië.
[Derde van zes blogs over Achaimenidisch Perzië, dat tussen het midden van de zesde eeuw v.Chr. en 330 heel het Nabije Oosten verenigde. Het eerste deel is hier.]
Ondanks de voorkeur die Achaimenidisch Perzië had voor zo geweldloos mogelijke oorlogen, is de geschiedenis van het wereldrijk gewelddadig genoeg. Onze voornaamste bron voor het ontstaan van het imperium is Herodotos, en hoewel deze niet altijd een even duidelijk onderscheid maakt tussen historische waarheid en stichtingssage, weten we uit oud-oosterse teksten voldoende om te kunnen zeggen dat de hoofdlijn van zijn relaas klopt.
Rassembleurs des terres
De stichter van het Perzische Rijk was koning Cyrus, die tussen 559 en 530 het Iraanse cultuurgebied verenigde, Lydië in West-Turkije veroverde en zich meester maakte van het Babylonische Rijk, dat ruwweg bestond uit het huidige Irak, Syrië, Libanon en Israël/Palestina. Cyrus werd opgevolgd door zijn zoon Kambyses, die in 525 Egypte veroverde en drie jaar later stierf.
De nieuwe koning was (na een complexe burgeroorlog) Darius I de Grote, eveneens een lid van het huis van Cyrus, de dynastie der Achaimeniden. Hij breidde het rijk uit door campagnes tot in Libië, Oekraïne en Pakistan. Toen hij in 486 stierf, had het imperium zijn grootste omvang bereikt. Dat is gesymboliseerd op het grafreliëf van deze vorst in Naqš-e Rustam bij Persepolis: Darius zit op een troon die wordt gedragen door achtentwintig representanten van onderworpen volken. In het grafschrift staat te lezen:
De koning van Achaimenidisch Perzië ontvangt een defilé van bezoekers (Nationaal Museum Teheran)
[Tweede van zes blogs over Achaimenidisch Perzië, dat tussen het midden van de zesde eeuw v.Chr. en 330 heel het Nabije Oosten verenigde. Het eerste deel is hier.]
Er is iets wonderlijks met Aristoteles’ in het vorige stukje geciteerde beschrijving van het hof van Achaimenidisch Perzië. De filosoof noemt wel Sousa en Ekbatana, maar niet Persepolis. Pas ten tijde van Alexander begrepen de Grieken dat dit de eigenlijke rijkshoofdstad was van de Perzen. De omissie is begrijpelijk, want de grote koning reisde in de loop van het jaar langs een aantal residenties en verbleef vaak in Sousa, Ekbatana en Babylon. De reden van deze tournee was dat de hofhouding, net als eeuwen later die van Karel de Grote, te omvangrijk was om steeds op dezelfde plek te worden gevoed. Een andere reden was dat de koning zich graag op verschillende plaatsen vertoonde, cadeaus uitdeelde, giften aannam, en zo liet zien wie de baas was. En tot slot: de Perzen waren ooit nomaden geweest en je laat een oude levenswijze nooit helemaal achter je.
Persepolis
De meest aanzienlijke residentie was echter Persepolis, waar de grote koning afgezanten van de satrapieën ontving in het paleis om tribuut af te dragen en geschenken te ontvangen. Door het ruilen van goederen werd op symbolische wijze de eenheid van het imperium getoond en gecontinueerd. Het bovenstaande reliëf toont het begin van de ceremonie.
Een rhyton (diervormige drinkbeker) uit Achaimenidisch Perzië (Reza Abbasi-museum, Teheran)
Aristoteles van Stageira (384-322), die enkele jaren had gewoond in het Perzische Rijk, keek vol ontzag naar de kracht van het imperium en de efficiëntie waarmee de Perzen het bestuurden. In een aan Alexander de Grote opgedragen traktaat beschrijft hij het bestuur van het wereldrijk:
[Dit is het tweede van vier stukjes over Alexander de Grote. Het eerste vindt u hier en een poging de veroveringstocht te contextualiseren vindt u daar.]
In de zomer van 331 v.Chr. staken de Macedoniërs de Eufraat over. Ze zouden, net als Xenofon, hebben willen oprukken langs die rivier richting Babylon, maar de Perzische bevelhebber Mazaios wachtte hun op. Dat dwong hen tot een noordelijker route, die hen bracht naar de vlakte ten oosten van de Tigris. Bij Gaugamela wachtte Darius III Codomannus Alexander op. Helaas voor de Perzische koning was er een maansverduistering, en de voortekenen waren uiterst ongunstig: precies dit voorteken voorspelde een nederlaag voor de heerser van Babylonië en Perzië, plus een succesvolle, achtjarige heerschappij voor een indringer uit het westen. Dit bleek een self-fulfilling prophecy: de enige contemporaine bron waarover we beschikken, de Babylonische Astronomische Dagboeken, vermeldt hoe Darius’ mannen hun koning in de steek lieten.
De Acropolis van Sousa, waar de meeste teksten in het Lineair Elamitisch zijn opgegraven.
Lineair Elamitisch is een schrift dat tussen pakweg 2300 en 1900 v.Chr. in gebruik is geweest in zuidelijk Iran. Laten we zeggen van Sousa in het westen via Anšan in Fars tot Kerman in het zuidoosten. Met dit schrift noteerde men een vroege vorm van het Elamitisch. Dat is een interessante taal, want ze behoort bij geen enkele bekende familie. Er is een theorie dat er een verre verwantschap is met de Dravidische talen in India, maar voor zover ik weet is daarvoor geen sluitend bewijs. De mogelijkheid tot een oostelijke achterneef van het Elamitisch maakt overigens wel dat taalkundigen geïnteresseerd kijken naar de opgravingen in Jiroft, onder Kerman, waar archeologen een heel oude stad onderzoeken. Als er een plek is waar een gedeelde voorloper gedocumenteerd zou kunnen, is het daar. Maar dan zouden de bewoners al wel in een heel vroeg stadium moeten zijn gaan schrijven.
Lineair Elamitisch
Terug naar het Lineair Elamitisch. De Franse archeologen in Sousa waren de eersten die teksten vonden in dit schrift. Dat was in 1903. Daarnaast vonden ze een pictogrammenschrift. Aanvankelijk meenden ze dat het ging om twee manieren om de oudst-bekende fase van het Elamitisch te documenteren, maar in de jaren zestig groeide het inzicht dat ze niet gelijktijdig waren geweest. Eerst was er een pictogrammenschrift, dat men gebruikte om Proto-Elamitisch te schrijven; later ontstond Lineair Elamitisch.
Ik weet niet wie de camera bediende die dag, tien jaar geleden, in het Louvre, mijn zakenpartner Marco of ikzelf. Het feit dat op dit antieke gewicht rechtsonder de reflectie is te zien van een rooster of zoiets, suggereert dat ik het ben geweest, de mindere fotograaf. Toen ik een afbeelding van dit voorwerp wilde hebben in mijn boek Xerxes in Griekenland, hebben we deze foto niet gebruikt en heeft mijn uitgever in het Louvre een alternatief opgevraagd.
Een gewicht dus, gevonden in de door Franse archeologen opgegraven Iraanse stad Sousa, ooit een van de residenties van de Perzische koningen. Uit de inscriptie blijkt echter dat het voorwerp afkomstig is uit Didyma, het orakel van Apollo even ten zuiden van de Griekse stad Milete (in het westen van het huidige Turkije). Het zal zijn weggenomen toen de Perzen in 494 v.Chr. Milete, de hoofdstad van een opstand, heroverden, of toen Xerxes, geschrokken na de succesvolle Griekse vlootoperatie naar Samos en Mykale, wraak nam (najaar 479).
De Koninkklijke Weg liep van Sparda (Sardes) naar Parsa (Persepolis)
Een van de aardigste inkijkjes in het Perzische Rijk in het aan inkijkjes in het Perzische Rijk bepaald niet arme geschiedwerk van Herodotos is zijn beschrijving van wat hij aanduidt als de Koninklijke Weg: de route van Sardes in het westen van het huidige Turkije naar het kerngebied van het Perzische Rijk.
De Koninklijke Weg
Hier is het begin, in de vertaling van Hein van Dolen:
Langs de hele route zijn koninklijke pleisterplaatsen met voortreffelijke herbergen te vinden. Er is geen gevaar te duchten, want de hele weg gaat door bewoond gebied. Op het stuk dwars door Lydië en Frygië liggen twintig van zulke pleisterplaatsen over een afstand van 520 kilometer. Aan de andere grens van Frygië stroomt de rivier de Halys. Daar staan poorten die je in ieder geval moet passeren om de rivier te kunnen oversteken en daar bevindt zich een belangrijke wachtpost. Na de overtocht naar Cappadocië gaat de reis verder tot de grenzen van Cilicië, een afstand van 572 kilometer, met 28 pleisterplaatsen. Aan deze grenzen staan twee poorten, beide zijn bewaakt. Die moet je voorbij om de weg door Cilicië te vervolgen, een afstand van drie dagreizen of 85 kilometer. (Historiën 5.52)
Het tracé is hier en daar opgegraven. In de Frygische stad Gordion was de straat bijvoorbeeld zes meter breed, maar dat zal niet overal het geval zijn geweest.
[Ik ken weinig mensen die zó enthousiast zijn over alles wat oud en mooi is als Lauren van Zoonen. Ze heeft een leuke blog die ik graag onder uw aandacht breng. Hieronder haar bespreking van de Iran-expositie in het Drents Museum in Assen.]
Sinds zondag 17 juni 2018 is de nieuwe expositie van het Drents Museum “Iran – Bakermat van de Beschaving” te bezichtigen. Een tentoonstelling waar ik al maanden reikhalzend naar uitkeek en die ik afgelopen vrijdag 22 juni bezocht. Ze overtrof al mijn verwachtingen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.