Stellingenoorlog bij Dyrrhachion

Een betere foto van Petra heb ik niet

Als ik u zeg dat het 15 april was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar en Publius Servilius Isauricus het consulaat  bekleedden, en als ik dat omreken naar 8 maart 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

Hij kan het u zelf het beste uitleggen, maar eerst recapituleer ik de situatie nog even. Caesar had twee keer (één, twee) geprobeerd zich meester te maken van Dyrrhachion, het huidige Durrës, waar zijn rivaal Pompeius materiaal en voedsel had opgeslagen. Beide keren had Pompeius hem de loef afgestoken. Caesar had zijn kamp ingericht halverwege Dyrrhachion en het kamp van Pompeius, wiens kamp aan zee lag en werd gedomineerd door de heuvel Petra, die u hierboven ziet.

Lees verder “Stellingenoorlog bij Dyrrhachion”

Pompeius Junior, Scipio en Kleopatra

Oorlogsschip met een toren uit de vloot van Kleopatra (Vaticaanse Musea, Rome)

Als ik u zeg dat het 8 april was en daaraan toevoeg dat het het jaar was waarin Gaius Julius Caesar en Publius Servilius Isauricus het consulaat  bekleedden, en als ik dat omreken naar 28 februari 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Alleen wil ik het vandaag niet over Caesar en Pompeius hebben, die we vorige keer hebben achtergelaten in de omgeving van Dyrrhachion. Dat was namelijk niet het enige strijdtoneel.

Orikon

In de eerste plaats: Orikon. Dit was de eerste haven die Caesar in het huidige Albanië had veroverd. Het grootste deel van het legioen dat de stad bewaakte, had hij inmiddels laten komen naar Dyrrhachion. Drie cohorten waren achtergebleven. Als die op sterkte waren, bewaakten ongeveer 1000 legionairs Orikon en Caesars schepen. Kolonel Manius Acilius Caninus realiseerde zich dat hij kwetsbaar was voor een aanval van overzee en had de schepen daarom in de binnenhaven gelegd. Hij had ook een schip afgezonken bij de toegang tot de buitenhaven. (Er ligt momenteel een vergeten oorlogsschip uit de Hoxha-jaren.) Op een tweede schip had Acilius een toren laten bouwen opdat zijn geschut altijd hoog stond.

Lees verder “Pompeius Junior, Scipio en Kleopatra”

Wedloop naar Dyrrhachion

De baai van Durrës

Als ik u zeg dat het 3 april was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar en Publius Servilius Isauricus dienden als consul in Rome, en als ik dat voor u omreken naar 23 februari 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

Zoals aangegeven was Caesar met zijn ervaren troepen in de winter overgestoken naar wat nu Albanië heet, waar Pompeius een leger aan het opbouwen was. Hij beschikte ook over meer schepen. Toen Marcus Antonius, zoals ik vorige week vertelde, de oversteek desondanks maakte, moest hij dan ook uitwijken naar het verre noorden. Daar ging hij in Lissos aan wal, een havenstad die partij had gekozen voor Caesar, tegen de Senaat en Pompeius.

Lees verder “Wedloop naar Dyrrhachion”

Domitianus (14): De triomfboog van Titus

Een soldaat van XII Fulminata op de triomfboog van Titus (Capitolijnse Musea, Rome)

Wat heb je aan een tentoonstelling als daar niet iets te zien is dat je niet had verwacht? Het bovenstaande stukje reliëf kende ik. Het behoort tot de collectie van de Capitolijnse Musea in Rome en is afkomstig van de triomfboog van Titus. Ik bedoel de echte, in het Circus Maximus, dus niet de ereboog met de beroemde reliëfs naast het Forum Romanum. Ook een leuk monument, maar een ereboog is geen triomfboog.

Brand in Rome, brand in Jeruzalem

De triomfboog in het Circus Maximus memoreerde natuurlijk de overwinning op de Joden. Er is weinig van het monument over, maar we weten het desondanks zeker. De middeleeuwse auteur die bekendstaat als de Anonymus van Einsiedeln citeert  namelijk het opschrift. De plek is opvallend. Het monument voor de brand van Jeruzalem staat namelijk precies op de plek waar, zo dacht menigeen, de groep messiasbekennende joden (d.w.z. de groep die we tegenwoordig christenen noemen) enkele jaren eerder de stad Rome in brand hadden gestoken.

Lees verder “Domitianus (14): De triomfboog van Titus”

Domitianus’ protegé: Velius Rufus

Inscriptie ter ere van Gaius Velius Rufus

Ik ontmoette Gaius Velius Rufus op 8 april 2012. Mijn zakenpartner en zijn echtgenote, met wie ik in Baalbek was, zagen hem als eerste en riepen me dat ik snel moest komen kijken. Hierboven ziet u de overdonderende inscriptie, die ergens rond het jaar 100 na Chr. is opgericht door een zekere Marcus Alfius Olympiacus, de standaarddrager van het Vijftiende Legioen Apollinaris. De tekst is lang – u vindt hem hier – en boordevol informatie.

Joodse Opstand

Eerst maar even zijn naam: zijn vader heette Salvius, een naam die in de eerste eeuw vooral voorkwam in de Abruzzen (hoewel de bekendste drager van deze naam, keizer Marcus Salvius Otho, afkomstig was uit een stadje in het wat noordelijkere Etrurië). Misschien kwam Gaius Velius Rufus dus uit het midden van Italië voordat hij centurio werd in het Twaalfde Legioen Fulminata, dat was gestationeerd in Syrië.

Lees verder “Domitianus’ protegé: Velius Rufus”

Caesar verovert Corfinium

Caesar (Vaticaanse Musea, Rome)

In de nacht van 16 op 17 december 50 v.Chr. (11/12 januari volgens de Romeinse kalender), was Julius Caesar Italië binnengevallen door de Rubico over te trekken. Dat was het begin van de Tweede Burgeroorlog. Hij was namelijk gouverneur van wat ik gemakshalve even zal aanduiden als Gallië en de Povlakte, en door met een leger zijn provincie te verlaten, was hij formeel in opstand tegen de Senaat.

Ik wijdde er al een stukje aan en beschreef in een tweede stukje hoe Caesar langs de Adriatische kust oprukte naar het zuidoosten, terwijl zijn kolonel Marcus Antonius de Apennijnen overtrok richting Umbrië. Met de inname van Arezzo stelde hij Caesars aanvoerlijnen vanuit Gallië veilig. Ondertussen evacueerden de consuls en hun generaal Pompeius, die hun macht zagen afbrokkelen, de hoofdstad. Alleen in het zuiden konden ze nog soldaten rekruteren. Ik was in deze reeks gekomen tot Caesars inname van Ascoli op 8 januari (5 februari op de Romeinse kalender). Wat gebeurde er in de daarop volgende weken?

Lees verder “Caesar verovert Corfinium”

Caesar in Picenum

Een inscriptie (EDCS-25601271) van het Twaalfde Legioen uit Dougga met een vroege vermelding van de bijnaam van het legioen: Fulminata, “bliksemsnel”.

In de nacht van 11 op 12 januari van het jaar waarin Marcellus en Lentulus het consulaat bekleedden of, zoals wij zouden zeggen, in de nacht van 16 op 17 december 50 v.Chr., was Julius Caesar met het Dertiende Legioen de Rubico overgetrokken. Dit was een oorlogshandeling: hij was gouverneur van Gallia, waartoe de Povlakte behoorde, en viel nu met leger en al Italië binnen. Caesar was nu officieel in opstand tegen de Senaat. De reden (en het probleem van een datum vóór de invoering van de juliaanse kalender) heb ik in een eerder stukje behandeld; vandaag het eerste vervolg.

In een ongekend hoog tempo rukte Caesar op langs de Adriatische kust. Rimini was het eerste doelwit en viel zonder noemenswaardige gevechten. Daarna volgden Pesaro, Fano, Ancona en de iets verderop gelegen regio die Picenum heette. De realiteit van de burgeroorlog was voor iedereen zichtbaar; senatoren herinnerden elkaar aan Caesars meedogenloze optreden in Gallië. De brieven van Cicero zijn inktzwart. Er was dan ook reden tot pessimisme. In de vorige burgeroorlog had Sulla, toen hij Rome had bezet, een waar bloedbad aangericht onder zijn tegenstanders. Dat hing nu weer in de lucht.

Lees verder “Caesar in Picenum”

De zeeslag bij Aktion (1)

Victoria met een trofee op een monument na de zeeslag bij Aktion (Pojani, Albanië )

Julius Caesar was vermoord, zijn erfgenamen Octavianus en Marcus Antonius hadden in Macedonië de moordenaars verslagen en verdeelden nu de wereld. Eerstgenoemde keerde naar Italië terug met onder meer het Vierde Legioen, dat in de voorafgaande oorlog de bijnaam Macedonica had gekregen, en het Zevende en Achtste. Antonius behield het Derde Gallica, V Alaudae, VI Ferrata, het Tiende en het Twaalfde, dat zich was gaan tooien met de bijnaam Fulminata, “bliksem”. De legioenen, ooit tijdelijke eenheden, begonnen nu een permanent karakter te krijgen. Het Romeinse Rijk was een beroepsleger aan het ontwikkelen.

Legioenenopbouw

Antonius trok met zijn legioenen naar het oosten, waar hij de provincies reorganiseerde en capabele heersers aanstelde in bevriende koninkrijken. De bekendste daarvan is de Joodse vorst Herodes, die zijn beschermheer eerde door in Jeruzalem een kasteel Antonia te noemen. Ook ontketende Marcus Antonius een oorlog tegen het Parthische Rijk, Romes oosterbuur. Ondanks aanvankelijke tegenslagen eindigden deze campagnes met de annexatie van Armenië. Gaandeweg bouwde Antonius een leger op dat uiteindelijk drieëntwintig legioenen telde.

Lees verder “De zeeslag bij Aktion (1)”

Namen en nummers

Dakpan van het Twaalfde Legioen Victrix. De naamstempel was goed zodat de naam van de eenheid in spiegelbeeld staat (Palais Rohan, Straatsburg)

Een legioen was een Romeinse infanterie-eenheid. In de loop der eeuwen varieerde de omvang, maar in de Keizertijd moeten we denken aan zo’n 5300 zwaarbewapenden. Dit waren beroepssoldaten die zo’n twintig jaar dienden en na afloop een boerderij konden krijgen als oudedagsvoorziening. Met wat spaargeld om slaven te kopen hoefden ze zich geen zorgen te maken. Wie kon lezen en schrijven, kon bovendien een administratieve carrière maken en promotie maken: centurio, misschien nog verder. De loopbaan van Velius Rufus geeft een idee van wat er mogelijk was voor iemand die beschikte over talent, moed en contacten.

Net als in onze tijd, waarin eenheden “Eerste Divisie ‘7 December’” kunnen heten, had elk legioen een nummer en een naam. In Nijmegen waren vanaf 70 achtereenvolgens het Tweede Legioen Adiutrix, het Tiende Legioen Gemina en het Negende Legioen Hispana gestationeerd. Het Derde Legioen Augusta was het garnizoen van de Maghreb. Het Tweede Legioen Parthica was de strategische reserve van het Romeinse Rijk. Het Vierde Legioen Italica is een mysterie. Het Zesde Legioen Victrix hees Constantijn de Grote op het schild. De vraag is: waarom zou je eenheden een nummer én een naam geven? En een andere vraag: waarom zijn er diverse eerste legioenen maar ontbreken er ook sommige nummers? Was het niet logischer alle nummers één keer te gebruiken?

Lees verder “Namen en nummers”

De ondergang van Jeruzalem

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem tijdens de Joodse Opstand, in 70. Let op de stenen kruiken, dat erop wijst dat de bewoners de regels volgden om water ritueel rein water te houden.

[Laatste deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 na Chr. Het eerste deel was hier.]

Met de brand in de tempel van Jeruzalem (plattegrond) was de catastrofe nog niet voorbij. Nadat de legionairs bij de smeulende tempelruïne een offer hadden gebracht aan hun adelaars, vernietigden ze de wijken ten westen en ten zuiden van de tempel, daalden af naar de Benedenstad (de huidige Joodse Wijk), waar Simon bar Giora nog altijd de macht had. Na die te hebben verwoest, trokken de legionairs naar de Bovenstad (de Armeense Wijk) en bouwden een dam naar het paleis waar ooit de Romeinse procurator had gewoond. Dit keer was er minder tegenstand van de uitgeputte verdedigers. Op 8 september was de hele stad, of wat daarvan restte, in Romeinse handen.

De Joodse leiders trachtten te ontkomen door rioleringen en andere onderaardse gangen, maar omdat de uitgangen waren geblokkeerd, moesten ze ook gangen graven, wat niet altijd lukte. De eerste die zich door de honger gedwongen overgaf was Johannes van Gischala. Daarna was het de beurt aan Simon bar Giora en Josephus houdt weer relevante informatie achter:

Lees verder “De ondergang van Jeruzalem”