De snelle arabisering van de Maghreb

Maghrebijnse munt, vroege achtste eeuw (Raqqada, Kairouan)

[Laatste van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Er is een wonderlijk verschil tussen landen als Syrië en Egypte enerzijds en de Maghreb anderzijds: in de oostelijke landen bleef, toen de Arabieren kwamen, de laat-Romeinse bevolking nog lange tijd herkenbaar, terwijl ze in de Maghreb snel verdween. Anders geformuleerd: in de Levant (en ook op het Iberische Schiereiland, trouwens) waren nog eeuwenlang niet-Arabisch sprekende, joodse of christelijke groepen aanwezig, maar in de Maghreb was dat fors minder. Waarom?

Steden en nomaden

Het kan samenhangen met de inbedding van de steden in het grotere economische systeem. In het oosten waren de steden oeroud en was de hele sociaal-economische wereld gebaseerd op steden. In Tunesië, Algerije en Marokko waren de Fenicische en Numidische steden weliswaar ontstaan vóór de Romeinen, maar pas groot gemaakt toen de Romeinen begonnen met de systematische kolonisatie van de Hautes Plaines. Ze waren veel minder dominant en met de demografische neergang van de Late Oudheid verschoof het economisch zwaartepunt naar de nomadische Berbers.

Lees verder “De snelle arabisering van de Maghreb”

De Maghreb in de Late Oudheid (1)

Latijnse ostrakon uit Timgad, waarin iemand met een Berbernaam een transactie dateert aan de hand van een Vandaalse koning

Toen Augustinus in 430 in Hippo Regius overleed, belegerden de Vandalen zijn stad, die ze kort daarna bezetten. Karthago volgde in 439. Onder leiding van Geiserik stichtten de Vandalen een eigen koninkrijk binnen de grenzen van het aloude Romeinse imperium. De tijden waren aan het veranderen.

Eén van de redenen waardoor het zo ver had kunnen komen, is dat het keizerlijk hof in Ravenna en Constantinopel lang weinig belangstelling had gehad voor de Maghreb. De Duitse oudhistoricus Mischa Meier typeert het als een proces van terugtrekking.

Lees verder “De Maghreb in de Late Oudheid (1)”

Het Rijk van Toledo (3)

Mal om tegels te maken (Archeologisch museum, Córdoba)

[Derde van vier blogjes over het Rijk van Toledo. Het eerste was hier en over de voorgeschiedenis leest u daar meer.]

Zoals in de vorige blogjes aangegeven, werden de nieuwe heersers op het Iberische Schiereiland, van wie men zei dat ze afstamden van Germaanse migranten, opgenomen in een laat-Romeinse samenleving. Ze waren al heel lang geromaniseerd, terwijl de Hispano-Romeinse bevolking zeker niet germaniseerde. Ik herhaal dit punt, omdat het misverstand blijft terugkeren dat het Romeinse Rijk na de “grote volksverhuizingen” werd afgelost door de koninkrijken van Germaanse immigranten, zodat zesde-eeuws Iberië een on-Romeins, Visigotisch karakter zou hebben gehad.

Veranderingen

Niet dat de Iberische samenleving rond 600 identiek was aan die rond 400. Processen die in de Laat-Romeinse wereld waren ingezet, zoals denivellering en de trek van de steden naar het platteland, gingen gewoon verder. Ook was een deel van het land opnieuw verdeeld: na 507 had de Hispano-Romeinse elite landerijen moeten afstaan aan de noordelijke nieuwkomers. De oude elite bleef echter belangrijk. Zoals ik al vertelde, betekende hospitalitas (als dit een werkelijk bestaand systeem is geweest) dat 2/3 van de beste landgoederen naar de nieuwkomers gingen, wat betekent dat de traditionele grootgrondbezitters nog altijd 1/3 bezaten plus alle mindere landgoederen.

Lees verder “Het Rijk van Toledo (3)”

Het Rijk van Toledo (1)

Decoratie uit Mérida

Als we zouden afgaan op de bronnen, was de opvolgerstaat van het Rijk van Toulouse, het Rijk van Toledo, verdeeld over de vraag welk christendom het ware was: het ariaanse of dat van de keizer, zoals vastgelegd tijdens het Concilie van Chalkedon. Ik heb al verteld dat dit meer zegt over de aard van onze bronnen dan over wat er werkelijk speelde.

Voor zover de kwestie betekenis heeft, is het omdat vroegere onderzoekers meenden dat de Hispano-Romeinse bevolking het keizerlijke christendom volgde, terwijl de Visigoten ariaans zouden zijn geweest. Als dit waar was, zou het inderdaad een belangrijk thema zijn, maar er zijn voldoende uitzonderingen bekend om te concluderen dat de religieuze en etnische grenzen niet parallel liepen. Waarbij ik in dan nog maar in het midden laat wat met “etnisch” bedoeld kan zijn, want lang niet alle mensen die op last van de Visigotische koningen naar Iberië trokken, hadden Germaanse voorouders. Waarbij we óók in het midden moeten laten wat Germanen dan eigenlijk zijn.

Lees verder “Het Rijk van Toledo (1)”

Het Rijk van Toulouse (2)

Gesp uit de tijd van het Rijk van Toulouse (Musée de la romanité, Nîmes)

Het Rijk van Toulouse, waaraan ik mijn vorige blogje wijdde, was expansief. Aan de gebieden in Aquitanië die Theodorik I toegewezen had gekregen, voegden hij en zijn opvolgers het nodige toe. Ze hadden vooral belangstelling voor de Languedoc ofwel Septimania, waar ze toegang zouden krijgen tot de Middellandse Zee. Het was van begin af aan het beleid van de keizer (of wie er in Italië ook maar beleid maakte) om de verovering van Septimania te verhinderen, maar in 461 verwierf Theodorik II de voornaamste stad Narbonne desondanks toch. De Visigotische vorsten wisten bovendien de hand te leggen op andere delen van Zuidwest-Frankrijk.

Tegelijk speelden ze een belangrijke rol in de verdediging van het Romeinse Rijk tegen minder geromaniseerde volken, waarvan de Hunnen het opvallendst zijn: in 451 vochten Visigotische troepen op de Catalaunische Velden voor de Romeins generaal Aetius tegen Attila. Niet veel later steunde Theodorik II keizer Avitus (r.455-457) door op het Iberische Schiereiland te strijden tegen de Sueben, die zich moesten terugtrekken naar Galicië in het noordwesten. De les die de Visigoten leerden was dat Iberië klaar lag om te worden veroverd.

Lees verder “Het Rijk van Toulouse (2)”

Het Rijk van Toulouse (1)

In Toulouse geslagen munt van Valentinianus III (Residenzschloss, Dresden)

Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’ Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).

Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.

Lees verder “Het Rijk van Toulouse (1)”

Sjamanisme

Detail van een kruikje uit de schat van Sânnicolau Mare; mogelijk een sjamaan in extase (Nationaal Museum, Boedapest)

Je begroef graankorrels in de aarde en in het voorjaar ontstonden daaruit grote halmen. De overstromende rivier bracht de dood over de uiterwaarden, maar in het voorjaar was de vallei vruchtbaar. Je gooide dode bladeren, maaisel, schillen en ander afval op de composthoop, en na verloop van tijd werden daaruit maden en wormen geboren. Moderne biologen denken er anders over, maar het was niet onlogisch dat men in de Oudheid dacht dat nieuw leven alleen kon ontstaan uit de dood en dat de twee onlosmakelijk met elkaar samenhingen.

Er waren feitelijk twee werelden: die van de levenden en die van de doden. Soms maakten ze contact: het is vooral mooi gedocumenteerd in de Keltische verhalen, maar alle volken hadden gedenkdagen waarin de doden even wat dichterbij waren. De Romeinen kenden bijvoorbeeld de Lemuria, waarbij ze rituelen uitvoerden om niet tot rust gekomen doden te verdrijven uit de woonhuizen. Daarnaast waren er religieus specialisten die de oversteek van de ene naar de andere wereld konden maken; onderzoekers noemen hen sjamanen.

Lees verder “Sjamanisme”

De Zevenslapers van Efese

De Zevenslapers van Efese

In de winter van 249/250 gelastte de Romeinse keizer Decius al zijn onderdanen om te offeren aan hun voorouderlijke goden. Daar was alle reden toe, want er woedde een akelige, op ebola lijkende epidemie, en verder waren er de problemen die worden samengevat als de Crisis van de Derde Eeuw. Voor sommige groepen pakte Decius’ loyaliteitseis vervelend uit, want neopythagoreeërs, hermetici en neoplatonisten maakten bezwaar tegen het offeren. Op naam van de pythagorese filosoof Apollonios van Tyana is een briefje overgeleverd waarin hij expliciet zegt dat de grootste eer die men aan de goden kan bewijzen, eruit bestaat niet aan ze te offeren. Duidelijke taal.

Voor de vereerders van Christus was het makkelijker. De meesten hadden de nieuwe god toegevoegd aan hun pantheon. Van keizer Severus Alexander (r.222-235) is bekend dat hij dagelijks offerde aan Abraham, Christus, Orfeus en de zojuist genoemde Apollonios van Tyana. Voor sommige vereerders van Christus stonden echter principieel afwijzend tegenover Decius’ eis, en betaalden met hun bloed. Dionysius van Parijs (Saint-Denis) is een voorbeeld. Andere christenen maakten zich uit de voeten, zoals de bisschop van Karthago, Cyprianus.

Lees verder “De Zevenslapers van Efese”

De wereld van Clovis

Eerst een “disclaimer”: ik ben geen historicus, gewoon een lezer. Wat ik hier dus schrijf ten goede en kwade over De wereld van Clovis hoeft Jeroen Wijnendaele zich niet aan te trekken, wat hij zo al niet zal doen. Een recensie schrijf je vooral voor jezelf, als een samenvatting, en om je eigen gedachten nog eens te ordenen. De wereld van Clovis is zo’n recensie alvast meer dan waard.

Kriskras door Gallië

Tijdens de lectuur moest ik vaak terugdenken aan De ontdekking van Frankrijk van Graham Robb. Die was per fiets kriskras door Frankrijk gereden en had daarover een soort reisverslag geschreven, verrijkt met historische wetenswaardigheden over de streken die hij doortrapte. Die aanpak deed zeer chaotisch aan en ik vorderde traag in het werk. Het beeld over Frankrijk was eerder troebeler geworden dan helderder. Er was niet zoiets als een homogene hexagon die zich chronologisch of geografisch proper gestructureerd liet ontdekken, laat staan snel veroveren, in militaire of cognitieve zin. Dat was precies de boodschap die Robb wilde brengen en dus vroeg ik me af of hij die hermetische vorm gekozen had om de inhoudelijke kern kracht bij te zetten. Zo ja, dan was het een meesterwerk in de non-fictie.

Lees verder “De wereld van Clovis”

De antieke watermolen

Reconstructie van een door een watermolen aangedreven zaagmachine (Schloss Schallaburg)

Het is wel eens beschouwd als een van de grootste historische canards: het idee dat de watermolen pas in de Middeleeuwen zou zijn uitgevonden. Het bewijs dat ze al in de Oudheid watermolens kenden, is echter overstelpend. Waar en hoe ze precies zijn uitgevonden is niet helemaal duidelijk, maar we weten wel het een en ander.

Je hebt namelijk twee dingen nodig: waterraden om een as te laten draaien en tandwielen om die rotatie om te zetten in de beweging van bijvoorbeeld een zaag. De herkomst van het tandwiel ken ik niet, maar om een waterrad te bedenken, heb je een flinke rivier nodig met een gestage stroom. Daarmee kom je eigenlijk automatisch uit bij de Eufraat, Tigris en Nijl.

Lees verder “De antieke watermolen”