De Arabische verovering van Andalusië (3)

De Pyreneeën

[Laatste van drie blogjes over de Arabische verovering van het Iberische Schiereiland. Het eerste was hier.]

In de twee voorafgaande blogjes beschreef ik de manier waarop de Arabieren het Iberische Schiereiland onderwierpen en hun veroveringen consolideerden. In de volgende jaren staken de Arabische legers de Pyreneeën over voor strooptochten in het Frankische Rijk, waar de Merovingische koningen weinig gezag lijken te hebben gehad. (Ik schrijf “lijken” omdat er kanttekeningen zijn geplaatst bij het beeld van rois fainéants, al herinner ik me niet welke.) In 719 veroverden de Arabieren Narbonne, in 724 namen ze Carcassone en Nîmes, in het volgende jaar plunderden ze Autun, in het hart van Bourgondië. De Languedoc en de Provence waren op dat moment feitelijk Arabisch gebied en Aquitanië vormde een buffer tegen de Franken.

De slag bij Poitiers

Er is veel gemaakt van het gevecht bij Poitiers, waar Karel Martel, de hofmeier van alle Frankische gebieden, de Arabieren in 732noot Het jaartal is feitelijk niet met zekerheid bekend. Dat het precies honderd jaar na het (evenmin met zekerheid bekende) jaar van de dood van de profeet Mohammed is, verklaart de voorkeur voor 732. zou hebben verslagen. Als de Arabieren zouden hebben gewonnen, is de redenering, zouden ze het verdeelde Frankenrijk onder de voet hebben gelopen. Deze redenering, die dateert uit de negentiende eeuw, is vooral nog populair bij mensen die vandaag de dag een clash of civilizations ontwaren.

Lees verder “De Arabische verovering van Andalusië (3)”

Een Gallische inscriptie uit Alesia

Gallische inscriptie uit Alesia (Bezoekerscentrum)

Gallische inscripties, die lees je niet dagelijks, en dat is ook logisch, want er zijn er niet veel. Het Gallische boek dat wij onderhand zo goed kennen,noot Xavier Delamarre, Dictionaire de la langue gauloise (2018); zie de stukjes over plaatsnamen, meer plaatsnamen, militaire termen, boerderijwoorden, kleding, andere Gallische woorden en nog meer Gallische woorden. biedt in een appendix een selectie van een stuk of zeventig korte en acht lange teksten. Een compleet overzicht verschijnt op de Recueil informatisé des inscriptions gauloises: een mooi gemaakte site waar je met plezier wat rondkijkt.

Alesia

De bovenstaande Gallische inscriptie is in 1839 gevonden in Alise-Sainte-Reine, en hielp om vast te stellen dat dat heuveldorp het antieke Alesia moest zijn geweest, waar Julius Caesar een belangrijke overwinning boekte op de Galliërs. De vorm is echter heel Romeins: een stuk kalksteen met daarin uitgehouwen een vierkant vlak, netjes omlijst met links en rechts twee driehoekige vleugeltjes. Zou het een Latijnse inscriptie zijn, dan zouden we het een tabula ansata noemen. De tekst is trouwens geschreven in Romeinse letters en een ligatuur, met leuke fleurons tussendoor, wat ook al bijdraagt aan het Romeinse aanzicht.

Lees verder “Een Gallische inscriptie uit Alesia”

Onthoofde vijanden uit Le Cailar

Weergave van onthoofde vijanden uit Le Cailar (Musée de la romanité, Nîmes)

Het is al bijna een week juni, en u vraagt zich af of er deze maand wel ergens een oudheidkundig instituut wordt bedreigd. En jawel. Er zal nog wel een machteloze petitie komen. Ik ga binnenkort maar eens een pagina maar maken waar al die sluitingen bij elkaar staan.

***

Ter zake nu. Zoals iedereen weet verzamelde de Gallische krijger Obelix, tevens de bekendste menhirhouwer van zijn eeuw, na afloop van een gevecht de helmen van zijn verslagen Romeinse tegenstanders. En zoals iedereen eveneens weet, zijn de avonturen van Asterix de Galliër bedoeld om mensen aan het lachen te krijgen – en dus geen accurate weergave van het Keltische leven in de eerste eeuw v.Chr. Was het stripverhaal dat wel, dan zouden Uderzo en Goscinny hebben getoond dat zegevierende Galliërs niet de helmen van de verslagenen verzamelden, maar de hoofden.

Lees verder “Onthoofde vijanden uit Le Cailar”

De krater van Vix

De krater van Vix (Musée du Pays Châtillonnais)

Vorige week zondag bezocht ik het Musée du Pays Châtillonnais in Châtillon-sur-Seine. Het is een museum zoals er in Frankrijk vele zijn, met een collectie die varieert van opgezette vogels via laatmiddeleeuwse sculptuur en zeventiende-eeuwse prenten tot herinneringen aan een buiten Châtillon allang vergeten generaal. Maar er is één pronkstuk: het enorme bronzen mengvat (“krater” in jargon) dat bij het dorpje Vix is gevonden in het graf van een dame die ietwat voorbarig “Prinses van Vix” is genoemd. Mogelijk gaat het niet om een vrouw, zoals aanvankelijk aangenomen, maar om een man.

De Prinses van Vix – zo zal ik haar toch maar noemen – moet tegen het einde van de zesde eeuw v.Chr. hebben gewoond in het met een Murus Gallicus omgeven heuvelfort dat bekendstaat als Mont Lassois. Een jaar of twintig geleden is daar een opvallend grote woning opgegraven die, met wat fantasie, mag worden aangeduid als haar paleis. Dat weten we natuurlijk niet zeker, maar het is wel zeker dat Mont Lassois lag in de regio van Lotharingen tot en met Beieren waar schitterende elite-graven zijn gevonden uit de Late Hallstatt-periode. De mensen die hier werden bijgezet, beheersten de handel tussen de noordelijke regio’s, waar allerlei grondstoffen vandaan kwamen (textiel, barnsteen…), en de steden in het Mediterrane zuiden.

Lees verder “De krater van Vix”

De Siciliaanse Vespers (2): Karel van Anjou

Karel van Anjou (Capitolijnse Musea, Rome)

[Dit is het tweede van drie blogjes over de Siciliaanse Vespers. Het eerste was hier.]

In het conflict dat Frederik II had met de Noord-Italiaanse stadstaten en de paus, vocht de keizer-koning met succes, zodat de paus geen andere optie meer had dan een concilie af te kondigen om de man af te zetten. In 1245 kwamen de kerkelijke leiders bijeen in Lyon, waar ze de keizer, die toch de meest succesvolle kruisvaarder was in zijn tijd, verklaarden tot ketter. Het was een schandaal: nooit eerder was een kerkelijk concilie gebruikt voor zulke evident niet-kerkelijke doelen.

Karel van Anjou

Desondanks beschouwden de aartsbisschoppen van Mainz en Keulen keizer Frederik als afgezet. Ze kozen graaf Willem II van Holland als nieuwe rooms koning. Hoewel die er in slaagde zich in Aken tot koning te laten kronen (1248), en hoewel Frederik in Italië enkele tegenslagen te verduren had, kon de keizer rekenen op voldoende steun in zowel Duitsland als Italië. Toen hij overleed in december 1250, liet Frederik de beide gebieden na aan zijn zoon Koenraad IV, die de strijd voortzette, maar in 1254 bezweek aan malaria.

Lees verder “De Siciliaanse Vespers (2): Karel van Anjou”

Romeins Nîmes

Maison Carrée, Nîmes

Omdat ik een reis aan het voorbereiden ben naar de Provence, fris ik vandaag mijn kennis eens op van een stad die ik hoop aan te doen: Nîmes, het antieke Nemausus. De stad lag in het zuiden van de vallei van de Rhône, aan de rand van de Cevennen, en was de hoofdstad van de Gallische stam van de Volcae. De stad was vernoemd naar een oude godheid die dus ook Nemausus heette en werd vereerd bij een heilige bron in de stad. De tempel functioneerde ook nog in de Romeinse tijd.

De Romeinen verwierven dit deel van Gallië tijdens de Tweede Punische Oorlog, maar ontwikkelden het gebied pas een kleine eeuw later, rond 118 v.Chr. Toen verhardden en verbeterden ze de aloude weg naar Spanje: wat ooit de Weg van Herakles had geheten, was voortaan de Via Domitia. Volgens de Grieks-Romeinse geograaf Strabon was de weg “makkelijk te bereizen in de zomer, maar in de winter en lente erg modderig door rivierwater”. Dit kan betrekking hebben op allerlei delen van de weg, en ook op de weg bij Nîmes, waar de wateroverlast van de Rhône een geducht probleem vormde.

Lees verder “Romeins Nîmes”

De Notre-Dame: andere verhalen

Een spuwer van de Notre-Dame van Parijs

[Dit is het laatste van vier door Hans Overduin geschreven blogjes over de Notre-Dame van Parijs. Het eerste was hier.]

Zelfmoord

Een gebouw met twee bijna zeventig meter hoge torens is een voor de hand liggende plaats om zelfmoord te plegen. Zo gaat het verhaal dat in 1882 een jonge vrouw zich bij een beheerder van de kathedraal vervoegde met het verzoek een van de torens te mogen beklimmen. De man weigerde in eerste instantie omdat de vrouw geen begeleider had. Ze vond echter een oudere vrouw die bereid was met haar mee te gaan, en eenmaal boven wipte de jonge vrouw over het randje om een onontkoombare dood tegemoet te vallen. Haar geest wordt nog regelmatig gezien op het dak of op de torens.

Een historische zelfmoord is die van Antonieta Rivas Mercado, een Mexicaanse schrijfster, feministe en kunstkenner die zichzelf in 1931 door het hoofd schoot op het hoogaltaar. Ze was verliefd geworden op de politicus José Vasconcelos en was hem gevolgd naar Parijs. De affaire was nogal uitzichtloos aangezien hij getrouwd was en weinig bereidwilligheid toonde te scheiden van zijn echtgenote. Toen Antonieta die feiten onder ogen zag, beroofde ze zichzelf van het leven met het pistool van Vasconcelos. Opnieuw was de Notre Dame een geest rijker.

Lees verder “De Notre-Dame: andere verhalen”

De Notre-Dame: spookverhalen

De duivel in de Notre-Dame van Parijs

[Dit is het derde van vier door Hans Overduin geschreven blogjes over de Notre-Dame van Parijs. Het eerste was hier.]

Een blog over de Notre-Dame zou incompleet zijn zonder een paar opmerkingen over de spookverhalen in en rond de Parijse kathedraal. Ter zake dus, en dan beginnen we met het boek dat (mede) aanleiding was tot alle gespook.

Quasimodo

Rond 1830 verkeerde de kerk in een dermate deplorabele staat – vooral het interieur – dat de Parijzenaars overwogen de kerk maar af te breken. Met de publicatie van de roman Notre-Dame de Paris (1831) van Victor Hugo, in de Nederlandse vertaling bekend onder de titel De klokkenluider van de Notre Dame, kwam de kerk echter dermate in het middelpunt van de belangstelling te staan dat koning Louis Philippe besloot de kathedraal te laten restaureren.

Het overbekende boek biedt een accuraat portret van het middeleeuwse Parijs, zoals men zich dat voor de geest haalde in de vroege negentiende eeuw. Met verwijzingen naar de eigen tijd. Het is namelijk aannemelijk dat het fictieve personage van Quasimodo is geïnspireerd op een gebochelde steenhouwer die rond 1820 werkzaamheden aan de kathedraal zou hebben verricht en die Hugo persoonlijk gekend zou hebben. De man zou als kluizenaar hebben geleefd en bekend hebben gestaan als Monsieur Le Bossu, “de gebochelde”.

Lees verder “De Notre-Dame: spookverhalen”

De Notre-Dame: muziek

Sculptuur van de Notre-Dame van Parijs

[Dit is het tweede van vier door Hans Overduin geschreven blogjes over de Notre-Dame van Parijs. Het eerste was hier.]

Vijf jaar geleden, onmiddellijk na de brand van de Notre-Dame, vatte de Grieks-Nederlandse componiste Calliope Tsoupaki de betekenis van de Parijse kathedraal voor de kerkmuziek samen:

De brand was een grote ramp. Terecht is veel geschreven over de waarde van de kerk voor het christendom, de architectuur en de kunst. Maar ook voor de muziek is de kathedraal een symbool. In de Notre-Dame is de eerste meerstemmige muziek gecomponeerd. De overweldigende ruimte en de grootse akoestiek inspireerden de koormeesters rond 1200 om het eenstemmige gregoriaans te verrijken met extra stemmen en muzikale ornamenten. Dat was een ongekende revolutie. De Notre-Dame is de wieg van onze westerse muziek. Gelijk na de brand ben ik begonnen met het componeren van Pour Notre-Dame: voor Onze-Lieve-Vrouw, voor de kerk en voor de muziek die ons allemaal verbindt.

Lees verder “De Notre-Dame: muziek”

De Notre-Dame: onderwijs

De Notre-Dame van Parijs

Ik ben altijd geneigd de Notre-Dame van Parijs in kwantitatieve en niet in kwalitatieve termen te beschrijven. De kerk mag dan een uniek voorbeeld zijn van vroeg-gotische bouwkunst, verder is alles gewoon alleen maar groot. De kerk zelf is groot, het hoofdorgel is groot maar klinkt niet echt mooi, en er is in de loop der tijd het nodige aan gesleuteld, net als aan de kerk zelf. In 1845 heeft de thans omstreden architect Eugène Viollet-le-Duc de kathedraal volgens de mode van die tijd behoorlijk opgeleukt, bijvoorbeeld met de vieringtoren, de “Flèche”, die bij de brand, inmiddels vijf jaar geleden, zo dramatisch brandend neerstortte.

Daarnaast is de Notre-Dame naast een enorme toeristische trekpleister (gemiddeld tien miljoen bezoekers per jaar) symbool van Parijs – alsof de Eiffeltoren nooit gebouwd is – of zelfs van geheel Frankrijk, een stuk Frans chauvinisme waar wij Nederlanders, op de francofielen na, weinig mee hebben. Er zijn diverse kerken in Parijs en kathedralen in Frankrijk die als gebouw fraaier en interessanter zijn en belangwekkender kunstschatten en orgels bevatten. Voor mij schuilt de waarde van de Notre-Dame in heel andere dingen en daarvoor ga ik terug naar zijn tijd van ontstaan, de Middeleeuwen.

Lees verder “De Notre-Dame: onderwijs”