Byzantijnse krabbel (10): Een IJslander in Constantinopel

Een generaal en zijn lijfwacht (elfde-eeuwse fresco uit de St.Nikolaas-kerk in Myra)

IJsland, in het uiterste noordwesten van Europa, zal niet de eerste plaats zijn om informatie te zoeken over Constantinopel, in het uiterste zuidoosten. Maar toch: een oudheidkundige moet álles bekijken, want dataschaarste is zo’n beetje de definiërende trek van zijn werk. Dat geldt ook voor mediëvisten.

Vanaf de tiende eeuw had de keizer van het Byzantijnse Rijk een lijfwacht die voor een groot deel bestond uit Noormannen. Dit was niet ongebruikelijk. Julius Caesar had zich al laten begeleiden door een groep Germanen en de keizers van het Julisch-Claudische huis hadden Bataafse troepen om hen te bewaken. Latere vorsten namen andere Germanen in dienst. Het voordeel van een lijfwacht van “barbaren” was dat ze in de hoofdstad geen contacten hadden en de taal slecht spraken, zodat ze alleen loyaal waren aan de keizer zelf. Zo ook dus de Byzantijnse vorst, die noordelingen in dienst nam: de Varangiaanse Garde.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (10): Een IJslander in Constantinopel”

De Armeense genocide: Het begin

Monument voor de Armeense genocide in Ejmatsin

[Derde deel van een serie van zes; het eerste is hier.]

De grote Europese mogendheden hadden in de negentiende eeuw de wereld verdeeld. Het was een handige manier om onderlinge conflicten af te leiden: er was altijd wel ergens een stukje planeet om aan de verliezer te geven, zodat die wat wisselgeld kreeg en geen al te groot gezichtsverlies leed. Probleem was wel dat er steeds minder planeet te verdelen viel. Nadat in China invloedssferen waren uitgetekend, was de Balkan het laatste stukje dat nog viel te verdelen, en de twee Balkanoorlogen hadden ook daaraan een einde gemaakt. Toen in Sarajevo de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins werd doodgeschoten, was er geen uitlaatklep meer en de Derde Balkanoorlog escaleerde tot een wereldoorlog.

Het verbaasde niemand dat de Ottomaanse overheid partij koos voor de Centrale Mogendheden, aangezien de generale staf al voor een deel bestond uit Duitse militaire adviseurs met intrigerende namen als Colmar von der Goltz Pasha en Otto Liman von Sanders Pasha. Er zal ook weinig verbazing zijn geweest dat de drie Ottomaanse leiders – Talaat, Enver en Cemal – ervoor kozen af te rekenen met de “binnenlandse vijanden”. De aanleiding was de vernederende nederlaag bij Sarikamish – tegenwoordig een wintersportdorp ten oosten van Erzurum – in de winter van 1914/1915. De Ottomaanse commandant, Enver Pasha, gaf bij zijn terugkeer in Constantinopel de schuld aan zijn Armeense eenheden, die hem een dolk in de rug zouden hebben gestoken.

Lees verder “De Armeense genocide: Het begin”

Byzantijnse krabbel (1): Constantijns stad

De zuil van Constantijn

In 324 versloeg Constantijn zijn medekeizer en zwager Licinius, met wie hij aanvankelijke bevriend was geweest maar van wie hij in de loop der jaren vervreemd was geraakt. Constantijn verwierf nu het bevolkingsrijke Klein-Azië, het oeroude en welvarende cultuurgebied Syrië alsmede Egypte, de spreekwoordelijke graanschuur van de antieke wereld. De organisatie van de nieuwe provincies vergde ’s keizers persoonlijke aandacht en dus verplaatste hij zijn residentie naar het oosten.

Dat was niet ongebruikelijk. Zijn vader Constantius had eerst zijn residentie gehad in Aquileia, later in Trier en zijn laatste regeringsjaren verbleef hij vaak in Londen, hoewel hij overleed in York. Zijn collega Galerius hield hof in achtereenvolgens Antiochië, Sirmium en Thessaloniki en stierf in Sofia. Het idee dat er één hoofdstad was, was de Romeinen vreemd: de regering zetelde waar de keizer was en die was eigenlijk voortdurend op reis. Dat neemt niet weg dat er steden waren waar zo’n vorst graag terugkeerde en waar mensen heen kwamen die hem moesten spreken. Daar verrezen dan een werkpaleis, een woonpaleis, een ontvangstzaal (basilica in jargon), een badhuis en een hippodroom. Zo ook in de stad die Constantijn, na te hebben geresideerd in Trier, Milaan en Thessaloniki, in de zomer van 324 uitzocht: Byzantium.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (1): Constantijns stad”

Byzantijnse krabbel (7): Walvis

Gevelsteen (Elleboogsteeg 12, Amsterdam)

Nee, dat dit Byzantijnse krabbel numero zeven is, wil niet zeggen dat u er zes hebt gemist. De waarheid is dat ik een klein dozijn in de pen heb om later te publiceren, maar dat één ervan ineens actueel is, zodat ik die nu naar voren haal. Het is een geweldige anekdote uit de Geschiedenis van de oorlogen van Prokopios, een zesde-eeuwse hoveling uit de tijd van keizer Justinianus (r.527-565).

In die tijd werd de walvis (κῆτος) gevangen die de inwoners van Constantinopel Porfyrios noemden. Het dier had Byzantium en omliggende steden zo’n vijftig jaar lastig gevallen, hoewel niet aan een stuk. Soms was het er voor enige tijd niet, maar op andere momenten bracht het schepen tot zinken en joeg het de opvarenden van andere schepen zoveel schrik aan dat ze lange omwegen maakten. Het was daarom een punt van aandacht voor keizer Justinianus om het dier te vangen.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (7): Walvis”

Synesios (2): Constantinopel

Arcadius (Archeologisch Museum, Istanbul)

[Dit is de tweede van vijf blogposts over Synesios van Kyrene. De eerste is hier.]

In 397 bracht Synesios in Constantinopel een bezoek aan keizer Arcadius, om deze een gouden kroon ten geschenke te geven. De man uit Kyrene maakte van de gelegenheid gebruik een petitie aan te bieden waarin hij vroeg om lagere belastingen voor zijn geboortestad, die te lijden had van barbaarse invallen.

Lees verder “Synesios (2): Constantinopel”

Byzantijnse keizerkroniek

Het Byzantijnse keizerlijk hof (op een reliëf uit Istanbul).

Ik heb de woorden van de Duitse filosoof Georg Hegel al eens eerder geciteerd: de geschiedenis van het Byzantijnse Rijk was “eine tausendjährige Reihe von fortwährenden Verbrechen, Schwächen, Niederträchtigkeiten und Charakterlosigkeit”. Andere negentiende- en twintigste-eeuwse auteurs hebben soortgelijke uitspraken gedaan. Moderne auteurs over het onderwerp nemen deze opmerkingen vaak als uitgangspunt om aan te geven hoe sterk onze opvattingen sindsdien zijn veranderd.

Zo ook Hein van Dolen in zijn sympathieke Een kleine geschiedenis van het Byzantijnse Rijk. Hij begint met de constatering dat het onderwerp “verwaarloosd en ondergewaardeerd” is geweest, wijst erop dat dit beeld de afgelopen halve eeuw radicaal is gekanteld en neemt de lezer vervolgens mee door een geschiedenis van ruim elf eeuwen.

Lees verder “Byzantijnse keizerkroniek”

De man die een imperium vernietigde

Op een niet heel opvallende plaats in de Hagia Sofia geeft een niet heel opvallende gedenksteen aan waar Enrico Dandolo, de eenenveertigste doge van Venetië, ooit begraven lag. Hij overleed in Constantinopel, kort na de Vierde Kruistocht.

De campagne was slecht begonnen. Bij eerdere Kruistochten waren slechte ervaringen opgedaan met de landreis, en daarom koos men ervoor schepen in Venetië te bouwen. De Kruisridders zouden ervoor betalen. Helaas viel het aantal deelnemers tegen, en daardoor ook de opbrengst, waarop Dandolo voorstelde dat de Kruisridders dan maar zouden betalen door onderweg een Dalmatisch fort voor Venetië te veroveren. Zo gezegd, zo gedaan, maar nu de Kruisridders zich eenmaal als huurlingen aanboden, zag ook een Byzantijnse prins kansen, en hij stelde hun een vermogen in het vooruitzicht als ze hem op de troon zouden plaatsen. In ruil zou hij, eenmaal keizer, de Vierde Kruistocht ondersteunen.

Lees verder “De man die een imperium vernietigde”