De trouwe lezers van deze blog kennen de rubriek waarin dit de alweer vijfde aflevering is: met enkele vragen richten we de schijnwerper op de onderzoekers en het wetenschappelijk proces. Vandaag is het woord aan Josine Schrickx, die in München werkt aan de Thesaurus Linguae Latinae.
**
Wat bestudeert u?
Alles wat van het Latijn overgeleverd is vanaf de vroegste fragmenten uit de zesde/vijfde eeuw v.Chr. tot ca. 600 na Chr. Ik ben eindredacteur van het grootste woordenboek van het Latijn, de Thesaurus linguae Latinae.
In het vorige stukje over de Baiuvaren noemde ik al een lange reeks bevolkingsgroepen: de oorspronkelijke Romeinse bevolking, achtergebleven Hunnen, Sueben, immigrerende Alamannen, Gotische troepen. Al met al een behoorlijke mix. Grafvondsten bewijzen ook de aanwezigheid van immigranten uit het Oostzeegebied en mensen uit het noordwesten, die we wellicht Franken mogen noemen. Ik voeg de Hunse bruiden uit het oosten toe, waarover ik zes jaar geleden al eens blogde. En uit deze mix moeten de Baiuvaren zijn ontstaan. Hun naam documenteert nóg een groep landverhuizers, want de Germaanse vorm van hun naam, *Bajawarjōz, verwijst naar Bohemen.
Het archeologisch bewijs
Het historisch en naamkundig bewijs lijkt dus te suggereren dat een groep die ooit had gewoond aan de bovenloop van de Elbe, naar Raetia is getrokken, de macht heeft overgenomen en een zekere stabiliteit geschapen. Daarna is men het gebied en alle bewoners naar hen gaan vernoemen. Dit is natuurlijk wat speculatief, maar de archeologische data wijzen in dezelfde richting. In het huidige Tsjechië verdwijnt namelijk in de loop van de vijfde eeuw het zogeheten Friedenhain-Přešťovice-keramiek, terwijl dat langs de Donau steeds vaker opduikt.
Op de expositie “Gouden Vrouwen” in Rhenen, waarover ik al eens blogde, is bovenstaande mantelspeld te zien. De oudheidkundige jargonterm is schijffibula, waarbij fibula het dure woord is voor mantelspeld en schijf voor schijf. Schijffibula’s – code-switchers zeggen fibulae – zijn er in allerlei maten en complexiteiten, en het Rhenense exemplaar behoort tot het wat hogere segment. De techniek waarmee het is vervaardigd, is namelijk de dure versie van het ook al dure email cloisonné. Althans, dat denk ik. Als ik me vergis, mag u het hieronder verbeteren. In elk geval: email cloisonné is al vrij bewerkelijk en kostbaar, en dat maakt de Rhenense mantelspeld, die nog een tikje kostbaarder is, dus een bescheiden topstuk.
Email cloisonné
Bij email cloisonné bestaat een fibula uit verschillende lagen. Aan de onzichtbare achterkant zit de eigenlijke speld, die gemaakt is van ijzer, brons of misschien zelfs zilver. Die zit vast aan een rond metalen plaatje dat de basis is van het voorwerp. Opnieuw: ijzer, brons of zilver. Dit is de zogenaamde draagplaat. Vaak ligt daarover een flinterdun laagje glimmend edelmetaal, waarvan ik de functie zo zal toelichten.
Biologen geven dieren en planten geleerde Latijnse namen en u zult bij het horen van het woord Felis wel vermoeden dat het gaat om de kat. Is het niet om de kattenbrokjes, dan wel om de tekenfilmpjes. Omdat de Romeinen er een naam voor hadden, wisten ze van het bestaan van het dier.
De verspreiding van de kat
Dat blijkt niet alleen uit teksten, maar ook uit archeologische vondsten. Een geschiedenis van de kat in de Oudheid zou kunnen beginnen in de Late Steentijd, toen wilde katten in het Nabije Oosten zich aangetrokken voelden door de muizen op de eerste boerderijen. Daar zijn ze door de bewoners gedomesticeerd. Of misschien domesticeerden de katten wel de mens, opdat die voor hen zou zorgen in tijden van muizenschaarste.
Taal: Grieks. Votieftekst uit Sisak (Archeologisch museum, Zagreb)
Stel, je zou iets willen weten over de oude wereld. Dat komt voor. Dan kun je een oude taal leren. Nu verwerf je die niet door even een programmaatje op te laden in je mentale computer. Het vergt jaren. Daaraan helpt geen moedertje lief, maar je kunt het rendement van de onvermijdelijke inspanning verhogen door te beginnen met een taal waarin veel is geschreven. Leespleziermaximalisering. Je begint dus niet met het piepkleine Vroeg-Elamitisch, dat we kennen uit veertig teksten in een pas-ontcijferd schrift, maar met talen die de belofte inhouden van hele boekenkasten aan leesplezier. Grieks of Latijn dus.
Voordeel van het laatste is dat het een levende taal is, waarin je bijvoorbeeld de krant of een kinderboek kunt lezen of de radio beluisteren. Dit contemporaine Latijn ontwikkelt zich en kent neologismen, waarbij er wat discussie bestaat over de vraag of die gebaseerd moeten zijn op antieke vormen of dat leenwoorden uit moderne talen zijn toegestaan. Heet een drone in het Latijn aeria navis sine gubernatore of houd je het toch maar op dronus? Deze discussie speelt natuurlijk bij alle levende talen: vervaardig je een woord uit wat al aanwezig is in de eigen woordenschat of pas je een buitenlands woord aan?
De Thesaurus linguae Latinae is een wetenschappelijk woordenboek van het Latijn. Nu zou je kunnen denken: er bestaan toch al woordenboeken Latijn? Inderdaad, het meest bekend is voor Nederlanders het woordenboek van Harm Pinkster, voor Engelsen de Oxford Latin Dictionary, en zo heeft elk taalgebied wel zijn Latijnwoordenboek.
Nu is er een aantal problemen met deze woordenboeken. Ten eerste zijn ze gemaakt op basis van maar een beperkt aantal teksten, meestal bestaand uit werken van “grote” auteurs als Cicero, Caesar, Vergilius, Ovidius. Ten tweede bouwen ze meestal op elkaar op: zo is Pinkster oorspronkelijk een bewerking van het Duitse woordenboek van Pons, dat weer een bewerking is van Taschen-Heinichen. Op deze manier krijgen we steeds dezelfde lemmata met dezelfde betekenissen, en soms zelfs dezelfde fouten.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.