De weerwolf in de Oudheid (2)

Een wolf uit Piazza Armerina

[Tweede van drie blogjes door Bas Jongenelen over antieke en middeleeuwse weerwolven. Het eerste deel was hier.]

Herodotos’ Neurers

In zijn Ἱστορίαι (Historiën) beschrijft Ἡρόδοτος (Herodotos van Halikarnassos) een heleboel volkeren. Eén van die volkeren zijn de Neurers – en dat zijn weerwolven! Dit vertelt Herodotos over de Neurers het volgende:

Νευροὶ δὲ νόμοισι μὲν χρέωνται Σκυθικοῖσι, γενεῇ δὲ μιῇ πρότερόν σφεας τῆς Δαρείου στρατηλασίης κατέλαβε ἐκλιπεῖν τὴν χώρην πᾶσαν ὑπὸ ὀφίων. ὄφιας γάρ σφι πολλοὺς μὲν ἡ χώρη ἀνέφαινε, οἱ δὲ πλεῦνες ἄνωθέν σφι ἐκ τῶν ἐρήμων ἐπέπεσον, ἐς οὗ πιεζόμενοι οἴκησαν μετὰ Βουδίνων τὴν ἑωυτῶν ἐκλιπόντες.

κινδυνεύουσι δὲ οἱ ἄνθρωποι οὗτοι γόητες εἶναι. λέγονται γὰρ ὑπὸ Σκυθέων καὶ Ἑλλήνων τῶν ἐν τῇ Σκυθικῇ κατοικημένων ὡς ἔτεος ἑκάστου ἅπαξ τῶν Νευρῶν ἕκαστος λύκος γίνεται ἡμέρας ὀλίγας καὶ αὖτις ὀπίσω ἐς τὠυτὸ ἀποκατίσταται. ἐμὲ μέν νυν ταῦτα λέγοντες οὐ πείθουσι, λέγουσι δὲ οὐδὲν ἧσσον, καὶ ὀμνῦσι δὲ λέγοντες.noot Herodotos, Historiën 4.105.

Lees verder “De weerwolf in de Oudheid (2)”

De weerwolf in de Oudheid (1)

Een wolf uit Diocaesarea

In 1981 zag ik An American Werewolf in London in de bioscoop. Ik was er zeer van onder de indruk. In 1983 bracht Michael Jackson de single “Thriller” uit, met een spectaculaire videoclip, waarin Michael Jackson een weerwolf is. Ook daarvan was ik onder de indruk (ik was en ben geen fan van de muziek van Michael Jackson, maar de videoclip is toch wel een mijlpaal in de muziekgeschiedenis). Zowel film als videoclip is geregisseerd door John Landis. De weerwolf is al heel lang niet meer weg te denken uit de moderne popcultuur, wat ook te merken is aan de populariteit van het spel De weerwolven van Wakkerdam.

Meestal komt er na zo’n inleidende alinea een zin als “Dus van jongs af aan ben ik geïnteresseerd geweest hierin.” Dat is in mijn geval niet zo, ik heb geen bovenmatige interesse in weerwolven.

Lees verder “De weerwolf in de Oudheid (1)”

Silenos en Hermafroditos

Nymf en satyr? (Zwinger, Dresden)

De Griekse beeldhouwkunst begint met kouroi: naakte mannen, frontaal afgebeeld. Eigenlijk kun je ze alleen van voren bekijken. In de loop der eeuwen worden de afbeeldingen echter complexer. Er worden bewegingen afgebeeld en regelmatig kun je er omheen lopen. En er wordt – zeker in de hellenistische sculptuur – gespeeld met de verwachting van de toeschouwer, zoals in het bovenstaande geval: een beeld uit de tweede eeuw v.Chr., vrijwel zeker afkomstig uit Antium in Italië.

De bezoeker van de ruimte waar dit beeld stond opgesteld, vermoedelijk een tuin, zou het eerst hebben gezien zoals hierboven. De toeschouwer zou hebben gedacht dat het beeld een nymf voorstelde die een satyr afweerde. Dat was zeker geen ongebruikelijke afbeelding. Zowel verkrachtings- als afweerscènes waren in de antieke kunst populair, en dat wij dat onsmakelijk vinden, wil vooral zeggen dat de Grieken geen kunst maakten voor mensen die twee millennia later leefden.

Lees verder “Silenos en Hermafroditos”

Voor-westerse geschiedenis (12) “cattle culture”

Kastor en Polydeukes komen terug van een veediefstal (Schathuis van Sikyon, Delfi)

Deze reeks over de voor-westerse wereld heet zo omdat ze gaat over de tijd vóór het concept van “het westen” ontstond en omdat ze gaat over de diepere historische structuren en processen – zeg maar aan de omstandigheden die voorafgaan aan de keuzes waarmee individuen geschiedenis maken. Iets minder abstract: deze reeks gaat over een agrarische samenleving. En zoals u weet valt de landbouw uiteen in akkerbouw en veeteelt.

Toen ik onlangs een nog te plaatsen blogje over het jaarritme voorbereidde, realiseerde ik me dat ik het daarin vooral had over de akkerbouw. Herders kwamen alleen in het voor- en najaar aan de orde, als zij de kuddes verplaatsten van een akkerbouwersdorp naar een ongebruikt stuk land en weer terug. Over deze veetelers aan de rand van de samenleving valt wel iets te weten: hoewel het archeologisch bewijs indirect is (textiel, zuivel…), duiken herders regelmatig op in de geschreven bronnen. Naast deze vorm van gemengd bedrijf bestonden er echter ook pure veetelerssamenlevingen, de zogeheten “cattle cultures”, die we eigenlijk alleen kennen door etnografische parallellen.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (12) “cattle culture””

Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome

Portret van een Romein uit de tijd van Macrobius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De wortels van de taalwetenschap liggen in de didactiek. Mensen willen weten hoe een taal in elkaar zit omdat ze die taal willen leren. Het helpt dan als iemand ze regelmatigheden aanwijst; het bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor het zelfstandig naamwoord in deze taal, en de derde persoon enkelvoud eindigt altijd op een p. Maar het wordt pas wetenschap als je dat praktisch nut loslaat, als je je afvraagt waarom dat bijvoeglijk naamwoord daar staat en hoezo talen eigenlijk een derdepersoonsvorm van een werkwoord hebben.

In de vijfde eeuw na Chr. legde bijvoorbeeld ergens in het Romeinse Rijk een geleerde heer twee talen naast elkaar die hij allebei al perfect beheerste en die hij aan niemand leren wilde. Geen enkel praktisch doel had hij, hij wilde alleen maar snappen hoe het zat.

Lees verder “Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome”

Het Verre Westen

De wereld voorbij de sterren (volgens Camille Flammarion)

Je moet teksten nooit al te letterlijk nemen, want al snel lijkt het dan alsof er onzin staat. Hier zijn vier regels uit Vergilius’ Aeneis, het gedicht dat, in de vorm van een verhaal over de zwerftocht van de Trojanen naar Italië, de lof zingt van keizer Augustus.

[Augustus] super et Garamantas et Indos
proferet imperium. Iacet extra sidera tellus,
extra anni solisque vias, ubi caelifer Atlas
axem umero torquet stellis ardentibus aptum.noot Vergilius, Aeneis 6.797-797.

Tot voorbij de Garamanten en Indiërs zal Augustus
het imperium uitbreiden. Er ligt land buiten de sterren,
buiten de banen van jaar en zon, waar hemeldrager Atlas
op zijn schouder de as draait waaraan de fonkelsterren zijn bevestigd.

Lees verder “Het Verre Westen”

Ktesias’ Geschiedenis van de Perzen

Een Perzische ruiter verslaat een Griekse soldaat (Staatliche Münzsammlung, München)

In het vorige blogje introduceerde ik de Griekse geschiedschrijver Ktesias, en vertelde ik dat aan zijn betrouwbaarheid sterk wordt getwijfeld. Dat heb ik niet echt toegelicht, dus ik bied nu een becommentarieerd overzicht van zijn Geschiedenis van de Perzen.

Assyrië, Babylonië en Medië

Dat werk begint met drie boeken over de geschiedenis van wat Ktesias aanduidt als Assyrië. En daarmee verraadt hij dat hij staat op de schouders van de door hem bekritiseerde Herodotos van Halikarnassos, die met deze naam verwijst naar zowel Assyrië als Babylonië. De verklaring kan alleen maar zijn dat beide voormalige koninkrijken in Achaimenidisch Perzië behoorden tot dezelfde bestuurseenheid, maar het is absurd om het terug te projecteren op de eerdere geschiedenis. Ktesias volgt Herodotos in zijn vergissing, en wat hij presenteert als geschiedenis is grotendeels legendarisch.

Lees verder “Ktesias’ Geschiedenis van de Perzen”

Ktesias, geschiedschrijver (of zo)

Zomaar een Griek (Archeologisch museum, Delfi)

Het is voor ons, levend in de rijke westerse wereld, eigenlijk vrij simpel: een bewering is waar of niet. Voor ons interessant is de discussie over de waarheidstheorieën (is iets waar omdat het correspondeert met een waargenomen feit of omdat het voortvloeit uit andere waarheden?) en de discussie over robuustheid (hoe waarschijnlijk is het dat iets waar is?). Over zulke thema’s kunnen wij nadenken met enige kans dat we ook iets bereiken, want we hebben de filosofische concepten, de wiskunde, de tijd en het geld. We kunnen onderzoek doen.

Wat is waar?

Dat was anders in de tijd vóór de Wetenschappelijke Revolutie, dus zeg maar de tijd van Vesalius, Stevin en Newton. Afgezien van de wiskunde, waarin een ware bewering voortvloeit uit axioma’s, was waarheid eeuwenlang ontoetsbaar. Als iemand beweerde dat je niet voorbij de evenaar kon zeilen omdat het daar te heet was voor menselijk leven, kon je niet even een expeditie ondernemen om dat te onderzoeken.

Lees verder “Ktesias, geschiedschrijver (of zo)”

Het ontstaan van Marseille (1)

Marseille

In de eerste eeuw v.Chr. ontstonden enkele supergrote geschiedwerken. De Romeinse Geschiedenis van Quintus Valerius Antias telde ongeveer 80 boeken; de Wereldgeschiedenis van Nikolaos van Damascus was 144 boeken lang; Titus LiviusGeschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad bestond uit 142 boekrollen. Met 44 rollen was Pompeius Trogus’ geschiedwerk aan de korte kant, in tegenstelling tot de nogal opvallende titel: Geschiedenis van Filippos, het ontstaan van de hele wereld en de steden op aarde. Al deze werken zijn grotendeels verloren, maar gelukkig zijn er in de Oudheid al uittreksels gemaakt. Zo beschikken we wel over Justinus’ Epitome, een uittreksel uit de Geschiedenis van Pompeius Trogus.

De Epitome bevat een schat aan informatie, want Trogus had belangstelling voor de hele wereld. We zouden over de vroege geschiedenis van de Parthen een stuk minder hebben geweten als ook Justinus’ uittreksel verloren zou zijn gegaan. En we zouden het volgende pareltje niet hebben bezeten.

Lees verder “Het ontstaan van Marseille (1)”

Een gesprek over kleuren bij Aulus Gellius

De Romeinse auteur Aulus Gellius (tweede eeuw na Chr.) beschrijft in zijn boek Attische Nachten een interessant gesprek over kleuren tussen twee intellectuelen uit zijn tijd, Favorinus van Arelate en Marcus Cornelius Fronto. Interessant is dat ze werkelijk over de linguïstische betekenissen van bepaalde kleurwoorden spreken en niet over het mengen van pigmenten. Favorinus zegt:

Er is meer verschil in de waarneming van onze ogen dan we in de woorden voor kleuren kunnen uitdrukken. Want om andere tekortkomingen buiten beschouwing te laten: voor de primaire kleuren rood (rufus) en groen (viridis) hebben we weliswaar maar één woord, terwijl er allerlei nuances zijn. Dit gebrek aan woorden zie ik in het Latijn meer dan in het Grieks. Weliswaar is de kleur rufus afgeleid van rubor (roodheid), maar vuur is een ander rood dan bloed, purper, saffraan of goud, en toch benoemt het Latijn deze afzonderlijke tinten rood niet met eigen, aparte woorden, maar vat het ze allemaal samen met die ene uitdrukking rubor – tenzij het een naam ontleent aan de zaak zelf en bijvoorbeeld zegt vurig (igneus), vlammend (flammeus), bloedig (sanguineus), saffraankleurig (croceus), purperen (ostrinus), gouden (aureus). Want de kleuren russus en ruber zijn weliswaar afgeleid van het woord rufus, maar verklaren niet al zijn eigenschappen. Daarentegen lijken ξανθός, ἐρυθρός, πυρρός, κιρρός en φοῖνιξ bepaalde gradaties rood weer te geven, doordat ze het ofwel versterken, verzwakken of door een gemengde nuance afzwakken.noot Aulus Gellius, Attische Nachten 2.26.

Lees verder “Een gesprek over kleuren bij Aulus Gellius”