Hoewel de bronnen over de moord op Pompeius, zoals ik vertelde, vertekend zijn, mogen we aannemen dat het Egyptische hof heeft vergaderd. Ploutarchos schrijft:
Nu was Ptolemaios heel jong, en Potheinos, die alle zaken regelde, riep een raad bijeen van de machtigste mannen (dat waren degenen die hij daarvoor uitkoos) en vroeg ieders mening. Het was verschrikkelijk dat over het lot van Pompeius de Grote werd beslist door de eunuch Potheinos, door Theodotos van Chios, een in loondienst aangestelde leraar in de retoriek, en door de Egyptenaar Achillas; want zij waren de belangrijkste raadsleden onder de kamerdienaren en opvoeders van de koning. En van zo’n rechtbank wachtte Pompeius het oordeel af, in open zee voor anker, op enige afstand van de kust. (Pompeius 77; vert. Hetty van Rooijen)
Als ik u zeg dat het op de Romeinse kalender 28 september was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus consuls waren, en als ik dat omreken naar 16 augustus 48 v.Chr. op onze kalender, en als ik u eraan herinner dat we afgelopen zaterdag zagen dat Pompeius was aangekomen in Egypte, dan weet u dat u vandaag zult lezen over zijn ondergang.
Een verslagen generaal en twee legers
Waarom hij na zijn nederlaag bij Farsalos vluchtte naar Egypte: dat is, zoals ik al vertelde, een onopgelost raadsel. Hij mocht er echter op vertrouwen dat hij door koning Ptolemaios XIII gesteund zou worden, aangezien die zijn troon had te danken aan de Romeinse generaal. Ook was het een geschikte plaats om een oorlog voort te zetten. Het land van de Nijl produceerde grote hoeveelheden graan en dreef handel op Oost-Afrika en India. Hoewel Egypte sinds de regering van Ptolemaios’ vader Ptolemaios XII de Fluitspeler een miljoenenschuld had opgebouwd, was het een in principe welvarend land. Bovendien lag er een Romeins garnizoen.
Wie in Beiroet het Nationaal Museum binnenloopt, stapt een vrijwel ideaal museum binnen. Het is een grote hal, waarin prachtige sculptuur zo staat opgesteld dat je er aan alle kanten omheen kunt lopen. Op een bovenverdieping staan de kleine voorwerpen, terwijl in de kelder grafvondsten liggen. De wandschilderingen en textiel die daar zijn te zien, zijn kwetsbaar en vergen speciale belichting en temperaturen. De sculptuurhal loopt aan weerszijden uit op twee zalen. Vanuit de linkerzaal staart de enorme kolos je aan die u hierboven ziet.
Ik herinner me het moment dat ik die voor het eerst zag, in gezelschap van mijn zakenpartner en zijn echtgenote. We stonden echt paf. Ik dacht voor een moment aan Paaseiland. En vervolgens: wat is dit in vredesnaam?!
Krijgers (Museo archeologico regionale Paolo Orsi, Syracuse)
[Dit is het vierde deel van een zesdelige reeks over de geschiedenis van de voornaamste stad van het antieke Sicilië, Syracuse. Het eerste stukje was hier en een landkaartje is daar.]
Timoleon
De crisis waarmee het vorige blogje eindigde, was ernstig. Er waren revoluties in de steden van Sicilië en Zuid-Italië en er kwam een einde aan effectief bestuur. In Syracuse was het niet anders. Hiketas had de stad alleen kunnen bevrijden door samen te werken met enerzijds de moederstad Korinthe en anderzijds aartsvijand Karthago. Hiketas probeerde het initiatief te hernemen door bondgenootschappen te sluiten met diverse Italiaanse steden (waaronder Rome), maar het was voor iedereen duidelijk dat Grieks Sicilië, verzwakt door een jarenlange burgeroorlog, in handen van de Karthagers zou vallen.
Toch liep het anders. De moederstad van Syracuse, Korinthe, stuurde inderdaad een leger om haar kolonie te helpen. De leider was de efficiënte Timoleon. Het expeditieleger bestond uit veteranen die ervaring hadden opgedaan in de Derde Heilige Oorlog (355-346). Timoleon wist een Karthaags leger te ontwijken, ging aan land in Tauromenion en maakte contact met het leger van Hiketas. Onverwacht viel Timoleon de man aan die hem had uitgenodigd. Toen die was uitgeschakeld, begon hij onderhandelingen met Dionysios II: ze zouden samenwerken in de oorlog tegen Karthago. Dionysios stemde toe, liet Timoleons troepen toe in de citadel op het eiland en vocht aan de zijde van Timoleon tegen de Karthagers. Na de overwinning was Timoleons positie sterk genoeg om Dionysios II weg te werken: hij mocht in Korinthe gaan wonen. Daarmee verdween hij van het Siciliaanse toneel.
Kop van Silenos (Museo archeologico regionale Paolo Orsi, Syracuse)
[Dit is het derde deel van een zesdelige reeks over de geschiedenis van de voornaamste stad van het antieke Sicilië, Syracuse. Het eerste stukje was hier en een landkaartje is daar.]
Dionysios I
Dionysios werd tyran van Syracuse in het crisisjaar 405, en versterkte zijn positie door te trouwen met een dochter van Hermokrates. Hij had de macht gekregen omdat hij had beloofd de Karthagers te verslaan – en dat was nogal een opgave, aangezien ze inmiddels Selinous, Himera en Akragas hadden ingenomen. Inmiddels belegerden ze Gela. Dionysios trok meteen ten strijde, maar werd verslagen. Zijn eigen soldaten zouden hem hebben afgemaakt als hij niet beschermd was geweest door zijn huurlingen.
De Karthagers hadden alleen Kamarina, Leontinoi, Syracuse en het noordoostelijke deel van Sicilië nog niet bezet, maar er was redding op komst voor de Griekse steden. Een nare ziekte teisterde het Karthaagse leger en dwong beide partijen tot onderhandelingen en vrede. De door Karthago veroverde steden moesten voortaan tribuut betalen aan hun nieuwe meester.
Dankzij een vriendelijke lezer van deze blog kan ik een week passen op een huis ergens – eh, ja, “in the middle of nowhere” is misschien de beste manier om het te zeggen. Er is een spoorwegstation in de buurt maar ik heb er uiteindelijk voor gekozen de trein te nemen naar Namen, daarvandaan de Maas langs te fietsen naar Dinant, Givet en Fumay, verder te gaan over de Ardennen naar Rocroi (ja, van de veldslag) en tot slot door te fietsen naar het dorpje waar ik nu ben. Het heet Watigny. Het is anderhalve dag rijden, het is hier echt nergens, het is daar dus middenin, en het is mooi.
Hierboven ziet u het beekje achter het huis. Het is de bovenloop van de Oise, die ontspringt in Henegouwen. Ze stroomt achter mijn oppashuis langs, bereikt Guise en Compiègne, en mondt uiteindelijk ergens ten westen van Parijs uit in de Seine.
Ik heb op deze plek weleens geschreven over het Verhaal van Wen-Amun, een Egyptische diplomaat die in het buitenland ontdekt dat mensen buiten het eigen land weleens anders naar de dingen kunnen kijken dan hij gewend is. Het is een voorbeeld van het Egyptische genre dat wel is aangeduid als “reisliteratuur”. Andere voorbeelden zijn het Verhaal van de schipbreukeling en het Verhaal van Sinuhe. De pointe van die verhalen is niet heel anders dan die van onze reisliteratuur: de hoofdpersoon verwerft in den vreemde een bepaald inzicht.
Meestal is dat overigens een inzicht dat de hoofdpersoon zonder al dat gereis ook wel thuis zou hebben kunnen opdoen. Maar ja, dan hadden wij geen verhaal vol avonturen en couleur locale gehad. Het is dus maar goed dat de hoofdpersoon doorgaans niet al te snugger is.
Net als in het Verhaal van Wen-Amun lijkt het Verhaal van Sinuhe op het eerste gezicht echt gebeurd. Er wordt verwezen naar historische gebeurtenissen, zoals het overlijden van farao Amenemhet I in 1952 v.Chr., en naar reëel bestaande plaatsen. Ik zal straks nog een detail noemen dat goed getroffen is.
[Dit is het tweede deel van een zesdelige reeks over de geschiedenis van de voornaamste stad van het antieke Sicilië, Syracuse. Het eerste stukje was hier en een landkaartje is daar.]
De Archidamische Oorlog
In het zevende boek van de Historiën last Herodotos een lange uitweiding in over de macht van Syracuse. Hij kan die hebben geschreven voor een publiek in Athene, dat rond het midden van de vijfde eeuw belangstelling begon te krijgen voor Sicilië. Zuidelijk Italië lag vanouds in de invloedssfeer van Korinthe en Sparta, maar in 444 v.Chr. stichtte Athene er een nieuwe stad: Thourioi. Herodotos zelf verhuisde er misschien ook naartoe.
Het bleef daar niet bij. Ik beschreef al eens hoe Athene zich in 433 verbond met Korkyra (Korfu) en begon te kijken naar de steden rond de Ionische Zee. Dat vormde een aanleiding tot de Archidamische Oorlog (431-421), waarin Sparta, Korinthe, Thebe en enkele Zuid-Italische steden het opnamen tegen Athenes Delische Zeebond. Tussen 427 en 424 opereerde een vloot uit Athene in het verre westen. Sommige steden sloten zich daarbij aan.
Ik schreef twee weken geleden dat wie schrijft over het verleden van Griekenland, zich al snel gedwongen ziet zich te concentreren op Athene en Sparta. Athene, omdat daarover de meeste bronnen zijn; Sparta omdat het als Athenes aartsrivaal opduikt in diezelfde bronnen. Wat ook een rol moet spelen, is dat die twee steden liggen binnen de grenzen van het huidige Griekenland.
Het probleem is: wie de bronnen als leidraad neemt, is geen historicus, maar vat de bronnen samen. Dit is geen kritiek op het handboek waarop ik ’s donderdags pleeg te bloggen, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. Of beter: het is wel een kritische constatering, maar ik weet niet hoe het beter zou kunnen. Ik ben deze reeks gaan schrijven omdat ik intellectueel verkeer in een impasse en ik schrijf dus niet omdat ik het allemaal wél weet. Los daarvan: handboeken zijn bedoeld om gehakt van te maken bij de bijbehorende werkcolleges. Desondanks is het aardig om, na Kyrene, ook een andere stad te behandelen waarvoor doorgaans weinig aandacht is: Syracuse, de belangrijkste stad op Sicilië. Voor u verder gaat: een handig landkaartje is hier.
De Acropolis van Sousa, waar de meeste teksten in het Lineair Elamitisch zijn opgegraven.
Lineair Elamitisch is een schrift dat tussen pakweg 2300 en 1900 v.Chr. in gebruik is geweest in zuidelijk Iran. Laten we zeggen van Sousa in het westen via Anšan in Fars tot Kerman in het zuidoosten. Met dit schrift noteerde men een vroege vorm van het Elamitisch. Dat is een interessante taal, want ze behoort bij geen enkele bekende familie. Er is een theorie dat er een verre verwantschap is met de Dravidische talen in India, maar voor zover ik weet is daarvoor geen sluitend bewijs. De mogelijkheid tot een oostelijke achterneef van het Elamitisch maakt overigens wel dat taalkundigen geïnteresseerd kijken naar de opgravingen in Jiroft, onder Kerman, waar archeologen een heel oude stad onderzoeken. Als er een plek is waar een gedeelde voorloper gedocumenteerd zou kunnen, is het daar. Maar dan zouden de bewoners al wel in een heel vroeg stadium moeten zijn gaan schrijven.
Lineair Elamitisch
Terug naar het Lineair Elamitisch. De Franse archeologen in Sousa waren de eersten die teksten vonden in dit schrift. Dat was in 1903. Daarnaast vonden ze een pictogrammenschrift. Aanvankelijk meenden ze dat het ging om twee manieren om de oudst-bekende fase van het Elamitisch te documenteren, maar in de jaren zestig groeide het inzicht dat ze niet gelijktijdig waren geweest. Eerst was er een pictogrammenschrift, dat men gebruikte om Proto-Elamitisch te schrijven; later ontstond Lineair Elamitisch.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.