Behistun (2)

Een papyrus uit Elefantine met een deel van de tekst van de inscriptie uit Behistun, vertaald in het Aramees, illustreert hoe Darius zijn versie van de gebeurtenissen aan alle onderdanen liet weten. (Neues Museum, Berlijn)

Gisteren vertelde ik dat de Behistun-inscriptie een belangrijke rol speelde bij de ontcijfering van het spijkerschrift: ze hielp drie talen met elk een eigen spijkerschrift te ontcijferen, namelijk het Perzisch, het Babylonisch en het Elamitisch. Maar wat had koning Darius nu eigenlijk te melden?

Eerst even iets over de situatie. In 522 was koning Kambyses overleden, die Egypte had toegevoegd aan het rijk dat Cyrus de Grote had gesticht. Als we de Griekse onderzoeker Herodotos mogen geloven, was Kambyses niet goed bij zinnen geweest en had hij onder meer zijn broer Smerdis laten doden. Terwijl hij uit Egypte terugkeerde, had hij echter gehoord dat Smerdis niet alleen in leven was, maar ook de troon had opgeëist. Op weg naar huis was Kambyses toen overleden. Herodotos verklaart de wederopstanding van Smerdis als een dubbelganger: het was een magiër, die samen met zijn broer de macht had overgenomen. Een magiër is overigens geen tovenaar maar een specialist die de offerliturgieën kon opzeggen.

Lees verder “Behistun (2)” →

Limesmoeheid (1)

De Romeinse vlootbasis van Velsen (Graham Sumner)

Ik herinner me niet waar ik het woord “limesmoeheid” voor het eerst heb gehoord: misschien was het in het Thermenmuseum, misschien in het Rijksmuseum van Oudheden, misschien was het een re-enactor, misschien een archeoloog, een classicus, een historicus. Maar een jaar of drie geleden was het woord er ineens. Het is taalkundig interessant omdat het een typisch spreektaalwoord is dat nauwelijks wordt geschreven. (Wie het op Google opzoekt, ziet twee vindplaatsen: het Taalmeldpunt en deze blog.)

Dit maakt “limesmoeheid” ook wat verontrustend. Er zijn mensen druk met de werelderfgoedstatusaanvraag en er is daarnaast een parallelle realiteit waarin men redenen heeft niet op te schrijven wat men denkt, maar ondertussen wel met elkaar bespreekt hoe moe men is van bijvoorbeeld nieuwsbrieven die beginnen met “Limes! Limes! Limes!” Het limesproject is geïsoleerd en loopt zo draagvlak mis. Dat is voor een project van deze omvang nogal problematisch. Daarover wil ik het vandaag hebben, maar eerst: wat maakt de limes zo speciaal?

Lees verder “Limesmoeheid (1)” →

De eerste wereldtaal

[Vandaag een gastbijdrage van mijn goede vriend Richard Kroes, die heel veel weet van oosterse talen en wiens blog u ook eens moet bekijken.]

Vanavond is de officiële presentatie van een boek dat ik stiekem al gelezen heb: De eerste wereldtaal, de geschiedenis van het Aramees van Holger Gzella, professor Hebreeuwse en Aramese Taal- en Letterkunde in Leiden, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Ik kreeg de proefdrukken toegestuurd en heb het boek direct verslonden. Aramees, dat kent u als de taal die Jezus sprak. Gzella krijgt regelmatig een vraag om uitspraken van de timmerman uit Nazareth in het Aramees. Voor een tatoeage.

Op dergelijke vragen gaat hij doorgaans niet in, want hoe Jezus zijn moerstaal sprak, daar weten we eigenlijk niet heel veel van. Het Aramees dat we kennen uit de periode waarin hij leefde, is de Aramese schrijftaal uit de Dode Zee-rollen, en dat sprak de gewone bevolking niet. Arameese spreektaal kennen we wel: het Palestijns Aramees, maar de bronnen daarvoor zijn van enkele eeuwen daarna. En dan weten we bovendien nog dat Jezus sprak met een Galilees accent, waar we helemáál niks over weten.

Lees verder “De eerste wereldtaal” →

Klassieke literatuur (5a): geschiedschrijving

Mijn (letterlijk kapot gelezen) exemplaar van Rex Warners vertaling van Thoukydides

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich werkelijk in de klassieke letteren wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit aanschuiven bij een collegereeks. Voor de Latijnse literatuur kun je verder Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus lezen, maar voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek niet.]

Vandaag behandel ik het antieke genre waarvan ik gisteren beargumenteerde dat het eigenlijk geen “geschiedschrijving” zou moeten heten. De redenen: de Griekse en Latijnse schrijvers konden nauwelijks echte archiefratten zijn, ze zagen geschiedschrijving vaak als een morele exercitie en ze hadden een methodisch individualistische visie op causaliteit. De antieke geschiedschrijving is kwalitatief even ver van de moderne geschiedschrijving verwijderd als alchemie van chemie en astrologie van astronomie. Omdat we geen echte term hebben om het antieke genre aan te duiden, zal ik het ook maar geschiedschrijving noemen, maar het schuurt.

Lees verder “Klassieke literatuur (5a): geschiedschrijving” →

Bijbellectuur

Dit is natuurlijk geen konijn.
Dit is geen konijn.

Een kennis van me ging met pensioen en besloot, nu hij wat tijd had, de Bijbel eens te lezen. Zoals te verwachten viel, bekwam hem dat slecht en hij is er halverwege mee gestopt. Zijn eerste fout: hij nam de Statenvertaling. Zijn tweede fout: hij begon bij Genesis. Zijn derde fout: hij vergat dat deze bibliotheek niet voor hem was geschreven.

Om met de Statenvertaling te beginnen: die is vier eeuwen oud en ook in hertaling geen toegankelijk Nederlands. Een andere moeilijkheid is dat een moderne lezer al snel struikelt over evidente fouten. Zo wordt het Hebreeuwse woord voor klipdas, sjafan, vertaald met “konijn“. Je hoeft geen biologie te hebben gestudeerd om te weten dat dit dier in het oude Nabije Oosten niet voorkwam. Storend.

Lees verder “Bijbellectuur” →

Taalpurisme

Goed. Het is het einde van het jaar en de mensen zijn te moe om de krant te lezen of andere media te volgen. Journalisten beperken zich in december tot het maken van gemakzuchtige eindejaarslijstjes. Ze zijn te moe om iets anders te vervaardigen, maar het resultaat is volkomen overbodig. (Heeft u ooit een krantenarchief nagezocht om te zien wat er in pakweg 2004 in zo’n lijstje stond?)

Slimmeriken leveren nu kant-en-klare kopij aan waarmee ze publicitaire aandacht genereren. Ik heb er wel eens over gedacht de lezers van mijn nieuwsbrief de “archeologische vondst van het jaar” te laten kiezen, het zó te manipuleren dat er een niet-bestaand voorwerp uit kwam rollen en het als persbericht te sturen naar diverse kranten. Ik denk dat ze er allemaal in zouden tuinen.

Lees verder “Taalpurisme” →

Karel de Grote

charlemagne
Handtekening van Karel de Grote. Dit soort monogrammen waren de Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen heel gangbaar en zeggen niets over Karels veronderstelde analfabetisme.

Het is natuurlijk best leuk de machtigste man in West-Europa te zijn, maar je wil natuurlijk ook iets nalaten, zodat mensen zich jou herinneren. Karel de Grote koos voor een onderwijshervorming. Die staat bekend als de Karolingische Renaissance. Rond 795 dicteerde hij de circulaire die bekend is komen staan als De brief over het cultiveren der letteren. Wie de tekst wil nalezen, kan terecht in de reeks middeleeuwse bronnen die bekendstaat als Monumenta Germaniae Historica, en wel in het eerste deel met Capitularia Regum Francorum. Daarin is het nummer 29.

Het is tekst met twee stemmen. Enerzijds zien we hoe de klerken zich inspanden om het mooi te formuleren, anderzijds horen we de spreektaalwoorden van de grote koning, die de zorg voor het onderwijs legt bij de bisdommen en abdijen. Hier is een deel van de tekst:

Lees verder “Karel de Grote” →

De complexiteit van het eenvoudige

Nog meer eenvoud: een gewoon aardrijkskundelokaal. En dat heeft een eigen schoonheid.

Negen mensen. Eigenlijk is dat de ideale groepsgrootte als je wil spreken over literatuur (of een willekeurig ander onderwerp). Niet zó veel dat haantjes de voorsten het gesprek overheersen, niet zo weinig dat de meningen voorspelbaar worden. We hadden het over de verschillende soorten Grieks uit de tijd na Alexander de Grote, zoals de omgangstaal, waarin bijvoorbeeld het Nieuwe Testament is geschreven, en de kunsttaal van sommige redenaars, die teruggrepen op het Grieks van de vijfde en vierde eeuw.

Die laatste vergde een fenomenale taalbeheersing. Het is alsof iemand vandaag de dag een gedicht zou moeten schrijven met de woordenschat, de grammatica en de ideeën van Vondel, Huygens of Hooft. Maar dat wil niet zeggen dat het eerste niet minstens even veel taalvaardigheid veronderstelt. Neem dit beroemde gedicht:

Graf te Blauwhuis

Lees verder “De complexiteit van het eenvoudige” →

Euro-bijnamen

Frankfurt

Belangwekkend nieuws: er zijn geen bijnamen voor de euro, zo lees ik in De Pers, en dat zou duiden op een geringe aanvaarding van de munt. Maar zo simpel is het niet. Daarvoor zijn bijnamen te vaak gemanipuleerd geweest. Ik denk dat mensen een hekel hebben gekregen aan bijnamen en daarom de dingen die hen dierbaar zijn, niet meer zo aanduiden.

Het oudste mij bekende geval van manipulatie dateert van alweer enige tijd geleden. De mensen moesten gaan bijbetalen voor hun medicijnen: elke keer twee gulden vijftig. Je kreeg een kaart waarop een stempel werd gezet, en als die vol was, was het maximum bereikt en kon je verder de medicijnen zonder bijbetalen krijgen. Er was nogal wat verzet tegen, want de maatregel trof vooral de laagste inkomens. Die stempelkaart werd van ’s rijkswege aangeduid als “de knakenkaart”, om net te doen alsof het volk deze maatregel zou hebben aanvaard. Ik herinner me ook de “zalmsnip”, genoemd naar de minister.

Lees verder “Euro-bijnamen” →