[Dit is het derde deel van een beschouwing over Macht zonder grenzen van Fik Meijer. Het eerste deel leest u hier. Ik leg hieronder uit wat een historicus doet met bronnen.]
Representatief of niet?
Ik beschreef in mijn vorige stuk dat oudhistorische kennis weliswaar is gebaseerd op bronnen, maar dat je er rekening mee moet houden dat die bevooroordeeld zouden kunnen zijn. Wat zéker verdacht is, is hun representativiteit. Min of meer het eerste wat studenten leren is dat we onze kennis van het verre verleden voor een groot deel baseren op geschreven teksten en dat we die moeten wantrouwen juist omdat het geschreven teksten zijn. Wat werd opgeschreven, had immers betrekking op het uitzonderlijke en ongebruikelijke. De informatie in onze geschreven bronnen is dus zelden representatief.
Moeilijk leesbaar, maar deze beroemde inscriptie uit Caesarea vermeldt in de tweede regel Pontius Pilatus en identificeert hem als prefect.
[Dit is het tweede deel van een beschouwing over Macht zonder grenzen van Fik Meijer. Het eerste deel leest u hier. Ik leg hieronder uit wat een historicus doet met bronnen.]
Jaren geleden leidde Fik Meijer in – ik meen – Felix Meritis een gesprek met Tom Holland, de auteur van Persian Fire. In dit boek over de Perzische Oorlogen beweert Holland dat dat conflict verklaart waarom het vrije, humanistische westen zo anders is dan het religieuze, despotische Nabije Oosten. Zo’n eeuwenlang beslaande tegenstelling moet je bewijzen – als je het alleen claimt, ben je geen historicus maar een als historicus verklede ideoloog. Het toeval wil dat de beslissendheid van de Perzische Oorlogen een voorbeeld is uit een essay van Max Weber dat wordt behandeld in handboeken voor geschiedtheorie, zoals Chris Lorenz’ De constructie van het verleden. Een eerstejaarsstudent weet dus waarom Hollands beweringen kulleklap zijn. Het curieuze is nu dat Meijer, hoewel toch hoogleraar oude geschiedenis, Holland prees: hij had bij het lezen van Persian Fire niet gemerkt dat Holland niet was opgeleid als oudhistoricus.
Vanzelfsprekend schrijft de beleefdheid voor dat we soms iets aardigs zeggen over een wanproduct – in de tweede alinea van dit stuk beschreef ik een veel voorkomende situatie waarin ik beleefdheid liet gaan vóór eerlijkheid – maar voor beleefdheid gaat Meijers uitspraak te ver. Veel te ver: dit is alsof een lid van de directieraad van het RIVM in het openbaar Jomanda complimenteert met de woorden dat hij niet had gemerkt dat ze niet was opgeleid als arts. Ik vrees dat de verklaring voor Meijers misplaatste compliment is dat hij de waarheid sprak: hij had inderdaad niet gemerkt dat Holland niet was opgeleid als oudhistoricus. Zou hij dat wel hebben herkend, dan zou hij de organisator van de bijeenkomst immers hebben gezegd dat geesteswetenschappers ideologie plegen door te prikken (“deconstrueren”) en dat hij zich niet leende voor het respectabel laten lijken van kwakgeschiedenis.
Een tijdje geleden schreef ik over Jezus en de vijfde evangelist van Fik Meijer. Ik legde uit dat dit boek een christelijke agenda volgde: Meijers Jezus was van alles, maar géén Jood. Ik zal de allerlaatste zijn, echt, om christenen het recht te ontzeggen hun heiland uit zijn religieuze en etnische context te lichten, maar ik wilde wel de eerste zijn om op te merken dat Meijers boek over een onjoodse Jezus niet kan doorgaan voor het werkstuk van een competente historicus.
Overlast
Die haast had ik, omdat ik overlast ondervind van de boeken van Fik Meijer. Al jaren gaat er vrijwel geen week voorbij zonder dat ik vragen moet beantwoorden over wat de UvA-emeritus heeft geschreven, beweerd op een HOVO-cursus, verteld als reisleider, gezegd op de radio. Ik blijf altijd beleefd: als iemand erop wijst dat de man toch hoogleraar is geweest, verbloem ik met een “ook hoogleraren begaan weleens vergissingen” de problemen. Deze correspondentie kost me echter te veel tijd. Het gaat bovendien niet om onschuldige zaken die je kunt afdoen als verschil aan inzicht. Soms is fout gewoon fout. Als Meijer de Bergrede presenteert als “de enige tekst die echt iets prijsgeeft over de door Jezus beoogde samenleving”, heeft hij de bronnenkritiek niet begrepen en licht hij u verkeerd voor. Tot slot zijn veel van Meijers fouten zichtbaar voor iedereen, zodat het begrijpelijk is dat mensen denken dat oude geschiedenis een fopwetenschap is.
Paardenbeslag uit Ewijk met vermelding van VIIII Hispana (Valkhof, Nijmegen)
Na de dood van keizer Trajanus in 117 was het zo onrustig aan de grenzen van het Romeinse Rijk dat in Schotland een compleet legioen werd vernietigd, het VIIII Hispana. Dat is althans de premisse van het geweldige jeugdboek The Eagle of the Ninth van Rosemary Sutcliff. Ze vertelt hoe een jonge Romeinse officier die door een verwonding geen dienst meer kan doen, op zoek gaat naar het veldteken van het Negende Legioen Hispana, de adelaarstandaard, en dit uiteraard ook vindt. Ik heb De adelaar van het Negende als kind verslonden.
Suttcliffs idee dat VIIII Hispana rond 117 is vernietigd door de stammen in het huidige Schotland was in de tijd dat ze het schreef, 1954, de gebruikelijke verklaring voor het feit dat het legioen niet meer in Brittannië wordt vermeld na de regering van Trajanus. In 108 was het nog gestationeerd in York; in 122 vinden we daar VI Victrix.
Te zeggen dat Kara Tepe lastig bereikbaar is doordat het ligt in het Oezbeeks-Afghaanse grensgebied, is een understatement: de opgraving ligt op een militair oefenterrein. Als je van de kazerne naar de eigenlijke heuvel loopt, struikel je over de patroonhulzen en het schroot. De veiligheidsmaatregelen grenzen aan paranoia, maar je kunt een vergunning krijgen om de plaats te bezoeken – nog bedankt, Vincent – en zaterdag ben ik er geweest.
De Indo-Grieken
Om Kara Tepe te begrijpen, moeten we eerst even kijken naar de buurstad, Termez. Die naam is vrijwel zeker afgeleid van “Demetria”: een hellenistische stad, aan het begin van de tweede eeuw v.Chr. gesticht door koning Demetrios I van Baktrië (zoals Zuid-Oezbekistan en Noord-Afghanistan toen heetten). Deze vorst stelde belang in de Punjab en beschermde het boeddhisme; er kunnen in zijn tijd al kloosters zijn geweest in Demetria.
Gisteren blogde ik over de Romeinse visie op de Lage Landen, die was beïnvloed door het oeroude idee dat aan de randen van de aarde, ver van de beschaving, alleen maar barbaren woonden. Noordwest-Europa was voor Romeinen en Grieken een soort omgekeerde wereld. Waar beschaafde mensen woonden op riviervlakten, beschreef ik, woonden de barbaren in een rotsachtig woud aan de kust.
Economie en levenswijze
De verschillende geografie vertaalde zich in tegengestelde productiewijzen: terwijl de beschaafde gebieden een vruchtbare bodem hadden waarop akkerbouw mogelijk was, stond het arme barbaarse land alleen veeteelt toe. Tegenover de beschaafde, “broodetende mensheid” (zoals dichters het noemden), stonden nomadische barbaren, die een dieet hadden van vlees en zuivel.
De Romeinen die in de eerste eeuw v.Chr. aankwamen in de Lage Landen, wisten weinig over dat gebied. Het was, iets overdreven geformuleerd, al veroverd voor het was verkend. Wat de nieuwe heersers meenden te weten, was gebaseerd op teksten van eerdere auteurs, die evenmin in Noordwest-Europa waren geweest. Hier is een fragment van de Griekse auteur Xenofon van Lampsakos, die omstreeks 100 v.Chr. de eerste etnografische beschrijving gaf van de mensen in het hoge noorden. Hij vertelt
dat drie dagen uit de noordelijke kust een eiland van enorme afmetingen ligt, Balcia geheten. [De Griekse zeeman] Pytheas noemt het “het koninklijke”. Ook de Vogeleilanden worden vermeld – daar leven de bewoners van vogeleieren en haver – en nog andere eilanden, waar mensen met de hoeven van paarden ter wereld komen (zodat ze “Paardenvoeters” worden genoemd). Op weer andere eilanden, die van de Eenenaloorders, bedekken gigantische oren de verder naakte lichamen van de bewoners. (Geciteerd door Plinius de Oudere 4.9.)
Er zijn zoveel geschiedenissen als er mensen zijn. De een vindt dit belangrijk, de ander dat. Om toch een beetje overzicht te houden, wordt op school wel eens gebruik gemaakt van “de canon”: dat zijn vijftig dingen die iedereen over vroeger moet weten. Wat hunebedden zijn bijvoorbeeld, wat slavernij was, wie Anne Frank was en wat er is gebeurd in Srebrenica. Als het gaat om de Romeinse tijd, gaat het om de “limes”, de grens van het Romeinse Rijk.
Ik heb nu drie stukjes geschreven over de manier waarop we de Romeinen kennen: archeologie, vergelijkingen met andere volken, geschreven teksten. Het blijft echter lastig. Neem Janus, de god met het dubbele gezicht. Hij stond op de oudste Romeinse munten, bronsstukken van ruim drie ons die in geen enkele museumcollectie ontbreken. Elke keer als de Romeinen een offer brachten, begonnen ze met het aanroepen van Janus. Pas daarna deden ze het eigenlijke offer. Als titel had hij divom deus, wat heel oud Latijn is voor “god der goden”. Kortom, een beroemde god.
Dit is niet Indiana Jones maar Zahi Hawass. Evengoed is dit geen professionele archeologie.
Ik heb nu twee stukjes gewijd aan de manieren waarop we de oude Romeinen kunnen kennen: eerst vertelde ik over antieke teksten en vervolgens over munten en inscripties. Je hebt echter ook oudheidkundigen die liever oude dingen opgraven. Dat zijn de archeologen. Die hebben de laatste jaren een beetje pech, en dat komt door Indiana Jones. Door die films denken heel veel mensen dat archeologie bestaat uit het snel leeghalen van oude graven en het zoeken naar heilige voorwerpen, maar archeologie is voor 80% werk op kantoor en voor maar 20% werk in het veld. En dat veldwerk gaat héél voorzichtig.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.