Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (2)

Een Arabische dame (Institut du monde arabe, Parijs)

[Tweede deel van een reeks over rouwklachten, geschreven door Arabische vrouwen in de Late Oudheid. Het eerste deel was hier.]

Al-Khansā’

De dichteressen aan wie dergelijke gedichten worden toegeschreven zijn meestal zussen van een (vaak) in de strijd gestorven held. De bekendste dichteres van dit soort rouwklachten was al-Khansā’, die haar broers Sakhr en Muâwiya in poëtische vorm herdacht. Aan al-Khansā’ worden tientallen gedichten toegeschreven. Wat haar positie uitzonderlijk maakt, is dat ze relatief laat leefde: ze zou nog in de tijd van Mohammed geleefd hebben en als dichteres zelfs door hem geprezen zijn.noot Ik ken maar één passage waarin naar deze ontmoeting verwezen wordt: de Khizanat al-Adab van al-Baghdadi (ed. Abd al-Salâm Muhammad Hârûn (1979), I, 434. Bijzonder is dat ze haar gedichten voordroeg op de jaarmarkt van Ukâz, niet ver van Mekka. Ze genoot ook door latere eeuwen heen veel aanzien bij verzamelaars van Arabische poëzie.

Lees verder “Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (2)”

Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (1)

Een Arabische dame (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Een van de minder bekende genres in de Arabische poëzie is dat van de dichterlijke rouwklachten door vrouwen. Uit de latere periode kennen we vele rouwklachten van mannen, meestal naar aanleiding van de dood van een belangrijke heerser. Maar het aantal door vrouwen gecomponeerde rouwklachten heeft als genre maar korte tijd bestaan en is na het begin van de islam vrijwel verdwenen.

Het aantal publicaties erover was lange tijd beperkt en daarom besloot ik om juist die rouwklachten tot het onderwerp te maken van mijn dissertatie.noot G.J.A. Borg, Mit Poesie vertreibe ich den Kummer meines Herzens, Eine Studie zur altarabischen Trauerklage der Frau (1997). Sindsdien is de belangstelling voor dit genre weliswaar toegenomen, maar die belangstelling ligt vaak in het verlengde van een wat meer antropologische en – in bredere zin – sociaalwetenschappelijke hoek. Mijn eigen uitgangspunt is eerder dat van de filologie, wat betekent dat ik zo nauwkeurig mogelijk de tekst collationeer en interpreteer, om zo de tekst zelf en de bedoeling van de dichter(-es) toegankelijk te maken.

Lees verder “Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (1)”

Arabië anno 650: sterke vrouwen

Een Arabische man en vrouw (Louvre, Parijs)

In de pre-islamitische Arabische poëzie van pakweg 550 na Chr. wordt er in de inleiding (nasīb) van de langere gedichten dikwijls even teruggedacht aan een vrouw. De dichternoot Nou ja, het lyrische ik natuurlijk, maar dat praat zo lastig. Ik spreek hier gemakshalve maar van ‘de dichter’. herinnert zich het heerlijke samenzijn met een of andere Layla, Salwa, Salma of Hind, een tijd geleden al, en brengt daardoor bij zichzelf en zijn hoorders een weemoedige en gevoelige stemming teweeg.

Die duurt echter maar een paar regels. Zijn makkers of reisgenoten zeggen dat hij zich moet vermannen: er zijn immers nog meer vrouwen. Bovendien zijn er nu andere dingen te doen: trekken, jagen, vechten, de eigen stam roem bezorgen en andere schade toebrengen, een stamhoofd of een koning prijzen. Daarover gaat dan de rest van het gedicht. Een vrouw kan er nog op twee manieren in voorkomen: ten eerste als voorwerp van begeerte, als de dichter opschept over zijn seksuele vermogens, ten tweede als zeurende huisvrouw, die de man kritiseert omdat hij zijn bezit vergooit aan drank of gokken, of de traditionele deugden van vrijgevigheid en gastvrijheid zó uitvoerig toepast dat er voor vrouw en kinderen te weinig overblijft.

Lees verder “Arabië anno 650: sterke vrouwen”

De eerste Arabische marine

De Slag der Masten

In 640 veroverden de Arabieren de Byzantijnse provincie Egypte, maar in 646 werd Alexandrië alweer terugveroverd door een Byzantijnse vloot. Die bleef niet zo lang, maar het was een schok te beseffen hoe gemakkelijk het nieuwe Arabische rijk vanuit zee was aan te vallen. De capabele gouverneur van Syrië, Mu‘āwiya, die later kalief zou worden, overtuigde zijn wat passieve oudoom kalief ‘Uthmān van de noodzaak, een marine op te bouwen. Hij kreeg toestemming en dwong talloze scheepsbouwers in Egypte en Syrië schepen te bouwen. Na drie jaar lag er een vloot van maar liefst zeventienhonderd schepen voor de Syrische kust: “de zee was niet meer te zien van de masten”.

Eerste operaties van de vloot

Nu moest die vloot natuurlijk uitgeprobeerd worden. Men bracht soldaten aan boord, 12.000 naar men zegt, en voerde in het voorjaar van 649 een overval uit op het nog Byzantijnse eiland Cyprus. De bewoners daar lieten de soldaten ongehinderd aan land gaan omdat zij dachten dat het Byzantijnen waren. Ze konden zich blijkbaar niet voorstellen dat er zoiets als een Arabische vloot bestond. De troepen konden gewoon doorlopen naar de hoofdstad Constantia, niet ver van het huidige Famagusta, die zij bezetten en plunderden. Zeer grote hoeveelheden goud en zilver en talloze slaven en slavinnen werden buitgemaakt. Zo werden de kosten van de vlootbouw er aardig uitgehaald.

Lees verder “De eerste Arabische marine”

Het antieke Jemen

Een dromedaris uit Jemen (Institut du monde arabe, Parijs)

Ik ben nog nooit in Jemen geweest. En ik denk dat het ook niet meer zal gebeuren. Dus dit blogje gaat over een gebied dat ik niet ken uit eigen waarneming. Het is echter ook een gebied dat hoort bij de oude wereld, zelfs al lag het aan de uiterste grens, waar het Mediterrane handelsnetwerk aanknoopte bij het netwerk rond de Indische Oceaan. Dat maakte het antieke Jemen belangrijk.

Het was een vanouds welvarend gebied. Zó welvarend dat de Grieken en Romeinen het aanduidden als het Gelukkige Arabië. Het is te hopen dat de bewoners dat nooit hebben gehoord, want het is bekend dat zij zich niet beschouwden als Arabieren. Om te beginnen woonden de Jemenieten in steden en waren ze landbouwers; ze waren, anders dan althans een deel van de Arabieren, geen nomaden. En ze spraken geen Arabisch. Die taal, die rond 1000 v.Chr. werd gesproken in zuidelijk Syrië en Jordanië, verspreidde zich in de IJzertijd naar het zuiden, maar vooralsnog niet naar Jemen.

Lees verder “Het antieke Jemen”

Medina 642 na Chr.: gratis graan en geld

De vroege Arabische munten waren kopieën van Sassanidische munten (Bode-Museum, Berlijn)

In Medina, de oase waar Mohammed zijn staat had gesticht, woedde in 639 een vreselijke hongersnood. Om te voorkomen dat dit nog eens zou gebeuren organiseerde kalief ‘Umar de aanvoer van graan uit Egypte per schip. In 640 was Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de Delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee – Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door een kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land.

Het Nijlkanaal

Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (r.522–486 v.Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemaios II (r.284–246 v.Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (r.98-117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf, en dreef vlijtig handel met India. Dit kanaal eindigde bij Klysma (‘Sluis’) of Kleopatris, het latere Arabische Qulzum.

Lees verder “Medina 642 na Chr.: gratis graan en geld”

As over Medina

Een karavaan van dromedarissen (laatantiek mozaïek uit Bosra)

Medina was in de Oudheid nog geen stad, maar een flinke oase, die volstond met dadelpalmen en woontorens. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken of verhongeren, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.

Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze onder andere graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.

Teveel mensen, te weinig eten

Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,noot Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank. mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.

Lees verder “As over Medina”

Kreupelhout in de Koran

Op vier plaatsen komt in de Koran het Arabische woord ’ayka voor. Dat is geen moeilijk woord: het betekent “bosje van kreupelhout”. Die “mensen van het kreupelbos” zijn wél eigenaardig.

  • Ook de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) waren onrechtplegers, en Wij namen ook wraak op hen.noot Koran 15:78-9; vert. F. Leemhuis.
  • De mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ) betichtten de gezondenen van leugens.noot Koran 26:176.
  • En de Thamoed en het volk van Loet en de mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ,); dat waren de partijen.noot Koran 38:13.
  • En de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) en het volk van Toebba‘, allen betichtten zij de gezanten van leugens, dus werd Mijn aanzegging bewaarheid.noot Koran 50:14.

Bij nadere beschouwing blijkt er echter twee maal al-’ayka te staan, waarbij al- het lidwoord is, en tweemaal een raar gespeld l’ayka, terwijl het toch op alle vier plaatsen op hetzelfde betrekking heeft.

Lees verder “Kreupelhout in de Koran”

Faits divers (32): wetenschapsnieuws, slecht en goed

Het slagveld bij Qadisiyya (©Antiquity Publications)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer twee stukjes waarmee je de Oudheid wel in het nieuws wil hebben en twee stukjes hoe het niet moet. Eerst het slechte en dan het goede nieuws.

***

Nikolaas van Myra

Op 6 december was het een kleine 1700 jaar geleden dat Nikolaas, bisschop van Myra ontsliep. En omdat over de hele wereld mensen de heilige vereren, is dat voor archeologen in Demre, zoals Myra nu heet, een buitenkans om naar publiciteit en fondsen te hengelen. Zo komt het dat er elk jaar wel een vondst wordt gemeld die zou bewijzen dat Nikolaas’ gebeente nog in Myra rust (en niet in 1087 is overgebracht naar Bari). Zo toont het museum in Antalya botfragmenten, hadden we een paar jaar geleden deze holle claim, die daarna werd herhaald, en was er nu deze flauwekul.

Lees verder “Faits divers (32): wetenschapsnieuws, slecht en goed”

Het moderne Mohammed-onderzoek

Het biografische materiaal over Mohammed, dat bekendstaat als de Sīra, is in zijn geheel zo omvangrijk en verscheiden dat er geen coherent beeld van de profeet uit kan worden verkregen. Kan het wel worden gebruikt voor een betrouwbare biografie van Mohammad, of als bron voor de geschiedenis van de vroege islam?

Moslims stellen zo’n vraag gewoonlijk niet; het is typisch een vraag van oriëntalisten. Negentiende-eeuwse geleerden als Ernest Renan (1823-1893; ‘De islam ontstond in het volle licht der geschiedenis’), Julius Wellhausen (1844-1918), Ignaz Goldziher (1850-1921) en anderen waren nog vol vertrouwen. Zij verwierpen veel teksten als onbetrouwbaar, maar geloofden dat het mogelijk was, met de rest het historische verleden te reconstrueren ‘zoals het werkelijk was geweest’.

Lees verder “Het moderne Mohammed-onderzoek”