Thracisch alssnoer uit de IJzertijd (Historisch Museum, Sofia)
De Thraciërs wisten zelf niet dat ze bestonden. “Thraciërs” was oorspronkelijk de naam die de Grieken gaven aan de bewoners van het gebied ten noorden van de Egeïsche Zee. Toen er later Griekse steden ontstonden aan de westkust van de Zwarte Zee, duidden de bewoners hun buren in het achterland eveneens aan als Thraciërs. Uiteindelijk ging het om een regio die iets groter was dan het huidige Bulgarije. Zelf hebben de mensen die daar woonden, zich nauwelijks herkend als één volk. De Griekse onderzoeker Herodotos kent de namen van een stuk of tien groepen die hij beschouwt als Thracisch, latere auteurs kennen nog meer namen.
Of die werkelijk corresponderen met de zelfaanduidingen, is maar de vraag. Het is niet plausibel dat er in historische tijden een groep bestond met de legendarische, aan Homeros ontleende naam Kikonen, terwijl ook Melinofagoi, “giersteters”, niet klinkt als een authentieke Thracische naam. Sinds de thracologie een echte wetenschap is – laten we zeggen sinds de jaren zeventig – worden meestal vier groepen aangewezen: twee ten noorden van het Balkangebergte, dat als een horizontale lijn van oost naar west door Bulgarije loopt, en twee in het zuiden. Het zijn:
Alweer een aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: twee keer museumnieuws, twee keer leuk onderzoek, twee leuke websites, twee reizen en twee boeken.
Tweemaal museumnieuws
Het jaar is nog niet ten einde, maar ik denk niet dat we nog beter museumnieuws gaan krijgen dan dit: op zaterdag 13 december heropent Museum Dorestad (in Wijk bij Duurstede) zijn deuren. Ik ben al eens een kijkje wezen nemen. Uiteraard kan een klein museum in een niet al te rijke gemeente zich niet meten met het Louvre of het Vaticaan, maar dat laat onverlet dat het verleden van Dorestad voor Nederland belangrijk is. Hier vinden we immers de eerste echte sporen van een traditie die we onze eigen geschiedenis kunnen noemen.
Een votiefgift voor de “ruiters van de Donau” uit Sirmium (Archeologisch museum, Zagreb)
Een tijdje geleden vroeg ik uw hulp bij het identificeren van de voorstelling op een loden schijfje. Ik kreeg leuke reacties, die wezen naar een Romeinse cultus die vooral bekend is uit Moesia, dat wil zeggen het gebied van de Beneden-Donau. En toen u mij eenmaal op dat spoor had gezet, herinnerde ik me ineens dat ik meer van zulke loden afbeeldingen had gezien.
De ruiters van de Donau
Het gaat bij deze ruiters van de Donau steeds om loden plaatjes, waarop altijd een feestmaal is te zien met vis op het menu. De meeste afbeeldingen zijn, zoals de bovenstaande, vierkant, maar er zijn ook een paar ronde schijven gevonden zoals die waarover ik uw hulp vroeg.
Afgietsel van een beschadigde inscriptie van IIII Flavia Felix (?) en VII Claudia (Archeologisch Museum, Kostolac)
In de tweede eeuw na Chr. was VII Claudia – het eerste deel van dit blogje was hier – gestationeerd aan de Donau. De basis was Viminacium, iets ten oosten van Belgrado. Het is mogelijk dat het legioen na 86 deze basis enkele jaren moest delen met IIII Flavia Felix. In dat jaar waren de Daciërs het Romeinse Rijk binnengevallen, waarbij ze enkele legioenen hadden verslagen. Het Zevende en het Vierde moesten de provincie Moesia verdedigen, het Romeinse gebied bezuiden de Donau.
Dacië en Cyprus
In 88 viel een groot Romeins leger Dacië binnen, het huidige Roemenië, en generaal Tettius versloeg bij Tapae de Dacische koning Decebalus. Het Zevende was een van de negen betrokken legioenen. Helaas verhinderde de opstand van de gouverneur van Germania Superior, Lucius Antonius Saturninus (89) de uiteindelijke Romeinse overwinning.
Grafschrift van een soldaat van VII Claudia (Archeologisch Museum, Split)
Met het Achtste, Negende en Tiende legioen behoorde het Zevende tot de oudste eenheden van het Romeinse leger uit de keizertijd. Deze vier eenheden waren al bij Julius Caesar toen die in 58 v.Chr. Gallië binnenvielen en moeten al vóór zijn gouverneurschap zijn samengesteld. De Romeinse commandant vermeldt het Zevende in zijn verslag over het jaar 57: het nam deel aan het gevecht tegen de Nerviërs aan de rivier de Sabis, de Selle in Noord-Frankrijk.
Later lijkt het Zevende te hebben gevochten in westelijk Gallië; het was aanwezig bij de campagne tegen de Veneten in wat nu Bretagne heet, en nam deel aan de twee expedities naar Brittannië (in 55 en 54). Tijdens de oorlog tegen Vercingetorix was het Zevende actief in de omgeving van Lutetia (52) en bij Alesia. Het was later betrokken bij de “veegoperaties” tegen de Bellovaci (51).
De splitsing van de Sava (van links naar rechts) en de Donau incl. ‘veliko ratno ostrovo’ (rechts) met aan de overkant Novi Beograd, kijkend richting Surčin en gezien vanaf het fort Kalemegdan.
[Laatste deel van een gastblog van Tim Frangias over Belgrado. Het eerste deel vond u hier en het tweede daar.]
De Donau als paradijselijke rivier: Belgrado en Konstantinopel
Volgens andere legendes is de Donau (zoals de Tigris, Eufraat en Indus) één van de vier rivieren die ontspringen in het paradijs, zodat Belgrado met zijn wallen op een oude plek ligt, omspoeld door een van de hemelse rivieren. Aleksandar Diglič schrijft in Belgrade, The Eternal City het volgende:
Een persoon die bezeten is van fantasie, en er zijn genoeg van zulke types in Belgrado, vertelde mij dat een walnoot die vanuit Belgrado in de Donau wordt gegooid, er negen dagen over zou doen om naar Konstantinopel te drijven. Of dit nu waar is of niet, de waarheid is dat deze twee steden een sentimentele, eeuwenoude relatie hebben die nooit zal worden beëindigd.
De oude binnenstad van Belgrado (Stari Grad) vanaf het fort Kalemegdan gezien, staand bovenop de klif Kauliakos; de rivier de Sava bevindt zich rechts; ver weg is de Avala (met de toren, de Avala Toranj en zendmast daarop) zichtbaar.
[Tweede deel van een gastblog van Tim Frangias over Belgrado. Het eerste deel vond u hier.]
Belgrado bij Apollonios Rhodios
Belangrijke momenten in het Argonauten-verhaal spelen zich af in wat de periferie van de “klassieke wereld” genoemd zou kunnen worden, terwijl het verhaal notabene verteld wordt door een auteur uit het klassiek literaire canon. De tocht van de helden over de Donau brengt hen in wat tegenwoordig (onder andere) Servië beslaat, een uithoek van de “klassieke” wereld van de oudheid. De Istros, de Donau, is één van de vele plaatsen waar de Argonauten langs komen, maar tegelijkertijd cruciaal als het gaat om het beschrijven van de topografische plaats die vandaag Belgrado is.
Nadat de Argonauten zich meester hadden gemaakt van het Gulden Vlies zeilden zij, op de vlucht voor de Kolchiërs, op hun terugreis naar Hellas de rivier de Istros (of: Donau) op. In het vierde boek van de Argonautika lezen we de volgende verzen:
De oudste opgetekende beschrijving van wat nu de stad Београд, Beograd (Belgrado) is, vinden we bij de Griekse dichter Apollonios Rhodios, van wiens hand wij de Argonautika (in vier boeken) over hebben, een heldenepos dat deze dichter tussen 270 en 245 v.Chr. schreef. In deze bijdrage wijs ik de betreffende passage aan als onderdeel van een bespiegeling over Belgrado, een stad die mij om inmiddels haast ontelbare redenen zeer dierbaar is. De Argonautika gaat over het verhaal van Iason en de Argonauten (een groep van vijftig mythische zeelieden, waaronder Herakles en Orfeus) die op een missie waren naar Kolchis om het Gulden Vlies te bemachtigen, én over de liefde tussen Iason en Medea. Het Gulden Vlies was de gouden vacht van de god Xrysomallos, de ram die de kinderen van koning Athamas, Prixos en Hellen, wegvoerde om hen te redden uit handen van Athamas en zijn vrouw Ino. Het Gulden Vlies zou magische krachten (zoals genezing en de mogelijkheid tot eeuwige verjonging) herbergen…
De missie van de helden van de Argo
Na vele avonturen landde Iason in Kolchis en vroeg Iason aan Aeëtes toestemming het Gulden Vlies te mogen meenemen. Aeëtes weigerde dit niet met zoveel woorden, maar eiste dat Iason eerst een stuk land zou beploegen met behulp van twee bronzen stieren die hij van niemand minder dan de vuurgod Hephaistos gekregen had. Deze dieren hadden nog nooit een juk kunnen dragen, want briezend ademden zij vuur uit. Na het ploegen moest Iason draketanden zaaien die nog stamden van de oude draak van Thebe (Kadmos). Met de reuzen die uit dit zaaisel zouden ontstaan, moest Iason tenslotte een strijd op leven en dood leveren.
In zijn eentje zou hij deze taken nooit volbracht hebben. Maar omdat Afrodite (de godin van de liefde en schoonheid) Medea, de prinses van Kolchis, reddeloos verliefd had gemaakt op Iason, had deze verliefde (en zoals later blijkt ook wraakzuchtige) tovenares zich bij de Argonauten aangesloten en hielp hen het Gulden Vlies te bemachtigen en te ontsnappen. Medea had Iason laten beloven haar te trouwen en naar Griekenland mee te nemen als zij hem zou helpen het vlies te bemachtigen, en gaf hem een toverbalsem die hem onkwetsbaar zou maken voor het brons en het vuur van de stieren. Tevens gaf zij hem de raad de reuzen tegen elkaar op te hitsen door een steen in hun midden te werpen. In de daardoor ontstane verwarring zou hij hen kunnen doden.
Iason volgde de raad op, smeerde zich in en volbracht de hem opgelegde taken. Aeëtes wilde het vlies echter niet geven en smeedde het plan om de Argo in brand te steken. Om dit te verijdelen bewoog Medea de helden in de nacht te vluchten, nadat zij en Iason zich van het vlies meester hadden kunnen maken doordat Medea met haar tovermiddelen de draak die het vlies bewaakte in slaap had doen vallen. Medea’s vader Aeëtes, de koning van Kolchis (thans: de Krim), was woedend over Medea’s verraad en had de achtervolging ingezet nadat Medea aan boord van de Argo was gegaan, terwijl ze haar broertje Apsyrthos mee had genomen. Terwijl Medea’s vader de Argo op de hielen zat doodde Medea Apsyrthos en wierp – om haar vader te vertragen – zijn ledematen bij tussenpozen in het water. Aeëtes verloor kostbare tijd door de ledematen bijeen te garen, waardoor hij de Argo niet meer kon inhalen. In verschillende richtingen zond hij nu gewapende mannen uit met de opdracht zijn dochter Medea levend naar Kolchis terug te brengen.
De Argonauten richting de Balkan
Zelf begaf de koning zich naar Tomi (thans het Roemeense Constantza aan de Zwarte Zee (let in de context van het verhaal op het Griekse woord τόμοι = stukken), waar hij de resten van Apsyrtos begroef. Een andere lezing van de dood van Apsyrtos is dat hij, door zijn vader ter achtervolging van de Argo uitgestuurd, door Iason in de tempel van Artemis bij de monding van de Istros ( thans de Donau) gedood werd. En zo brengt de Griekse mythe ons in de wereld van de Balkan en naar Belgrado .
[Een gastbijdrage over Belgrado van Tim Frangias. Zo meteen meer. Dank je wel Tim! Momenteel is de Week van de Klassieken. Het programma vindt u daar.]
Eigenlijk wilde ik al een hele tijd een blogje schrijven over de gouden helm van Coțofenești, die onlangs is gestolen van de Dacië-expositie in het Drents Museum in Assen, samen met enkele armbanden waarover ik al eens blogde. Het kwam echter almaar niet van dat blogje. Maar overmorgen is hier een gastblogger die naar de diefstal zal verwijzen, dus nu kan ik het niet langer uitstellen. Zomaar wat vragen die bij mij opkwamen.
Vragen
Om te beginnen: waar komt het ding nou vandaan, hoe oud is het en is het wel afkomstig uit Dacië? De laatste weken lezen we dat de helm komt uit Coțofenești, maar toen die in 2019/2020 stond opgesteld in de Dacië-expositie in Tongeren, was hij nog afkomstig uit Vărbilău. En terwijl we nu lezen dat het voorwerp stamt uit het midden van de vijfde eeuw v.Chr., dateerde het in Tongeren nog uit 425 tot 375 v.Chr.
Grafsteen van een soldaat van XI Claudia (Archeologisch Museum, Zagreb)
In 101 na Chr., dertig jaar na aankomst in Windisch, werd XI Claudia, waarover het vorige blogje ging, overgeplaatst naar Brigetio (Szöny) in Pannonia Inferior gestuurd. Van hieruit moet het legioen hebben deelgenomen aan de Dacische Oorlog van keizer Trajanus (101-106).
Vóór 114 werd het legioen opnieuw overgeplaatst, en wel naar Durostorum in Moesia Inferior, het huidige Silistra. Hier, niet ver van de delta van de Donau, zou de eenheid drie of vier eeuwen blijven. De rekruten waren steeds vaker jonge mannen uit het nabijgelegen Thracië.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.