Gamaliël I, de jood die het christendom redde

Schriftgeleerde met boekrol (Catacombe van Petrus en Marcellus, Rome)

Tweemaal noemt het Nieuwe Testament, waaraan ik op zondag nogal eens een blogje wijd, Gamaliël. Of beter: Gamaliël de Oudere, of Gamaliël I, want er zijn nogal wat rabbijnen geweest met die naam. Daarover zo meteen. Eerst iets over de man zelf, die leefde in de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. Een tijdgenoot dus van Jezus van Nazaret, al zijn er geen aanwijzingen dat ze elkaar ooit hebben ontmoet.

Farizese wetsleraar

Eén vermelding is in een toespraak die de auteur van Handelingen in de mond legt van de apostel Paulus. Hij stelt zichzelf voor:

“Ik ben een Jood, geboren in Tarsus in Cilicië, maar opgegroeid in deze stad. Ik heb als leerling aan de voeten van Gamaliël gezeten en ben strikt volgens de voorschriften van de Wet van onze voorouders opgevoed.”noot Handelingen 22.3; NBV21.

Lees verder “Gamaliël I, de jood die het christendom redde”

Farizeeër: een lelijk scheldwoord

“Laten we niet op farizeïsche wijze uitleg willen geven aan alles achter elke komma”: met die woorden probeerde minister van Justitie Piet Hein Donner ooit een discussie kort te sluiten die zijns inziens dreigde te verzanden in detailkwesties (bron). Hij was niet de enige die de farizeeën, de erflaters van het hedendaagse jodendom, negatief typeerde. Een liedje uit de Tweede Wereldoorlog typeerde NSB-ers als farizeeërs die hun vaderland verkochten voor zes centen. De online-versie van het Van Dale-woordenboek omschrijft de farizeeër als “schijnheilige, huichelaar”.

Er staat niet bij dat het een scheldwoord is. Maar dat is het wel. En we weten zelfs wie het die betekenis heeft gegeven. Daarvoor moeten we bijna tweeduizend jaar terug.

Lees verder “Farizeeër: een lelijk scheldwoord”

Jood: een antiek, ambigu begrip

Een sjekel van Israël uit het tweede jaar van de Joodse Opstand (Museum Masada)

Ik blogde gisteren over het nieuwe boek van Ewoud Sanders, Jood. De vergeten geschiedenis van een beladen woord. Het lezen van Sanders’ boek bracht me op het idee eens een blogje te wijden aan het antieke gebruik van datzelfde woord – יְהוּדִי, Ἰουδαῖος, Judaeus.

Juda

Zulke woorden zijn afgeleid van de naam van de stam Juda, die in de IJzertijd leefde in de omgeving van de stad Jeruzalem. Koning David voegde die stad, die niet bij een van de twaalf Bijbelse stammen behoorde, toe aan zijn koninkrijk.noot 2 Samuël 5.6-9. Na het uiteenvallen van dat rijk, ergens rond 930 v.Chr., bleef Jeruzalem de hoofdstad van het zuidelijke koninkrijk. Dat bestond uit twee voormalige stammen, Juda en Benjamin, en omdat die laatste nogal klein was, heette het koninkrijkje dat vanuit Jeruzalem werd bestuurd, naar de grootste stam: Juda.

Lees verder “Jood: een antiek, ambigu begrip”

Langs elkaar heen praten tot de dood erop volgt (1)

Paulus (Catacomben van Domitilla, Rome)

“Verwerpelijk bijgelovig geraaskal.” In woorden van die strekking typeert Plinius, Romeins provinciebestuurder, in een brief aan keizer Trajanus de uitspraken van twee christelijke vrouwen. Van hun geloofspraktijk en ethische code kan Plinius nog wel iets begrijpen, maar wat het christelijke geloof zelf inhoudt, daar kan deze gezagsdrager niets mee.

We weten dat Plinius’ aanpak van christenen in zijn provincie Bithynië uitmondde in executie, maar kunnen niet nagaan wat de vrouwen tegen Plinius zeiden toen hij ze de duimschroeven aandraaide. Van een soortgelijk verhoor van later in de tweede eeuw is echter wel iets bewaard gebleven in de vorm van een martelaarsakte.

Dankbetuiging

“We hebben niets verkeerd gedaan,” zegt de woordvoerder van deze groep tegen gouverneur Saturninus, achter gesloten deuren in Carthago. Dat zal de overheidsbeambte ook andere gevangenen hebben horen zeggen, maar wat hem erg vreemd in de oren moet klinken is wat de christen daarna zegt:

Lees verder “Langs elkaar heen praten tot de dood erop volgt (1)”

Judea en zijn buren: cultuur

De hippodroom van Caesarea Maritima

In het vorige blogje legde ik uit hoe de politieke landkaart van Judea en omgeving er in de nieuwtestamentische tijd uitzag. Wat van mensen woonden hier nu? Ik denk dat wij dat eigenlijk niet goed begrijpen kunnen. Dat komt ten dele doordat niet iedere gemeenschap een politieke chroniqueur had als Flavius Josephus, of religieuze literatuur als het Nieuwe Testament, de Dode Zee-rollen of de Mishna. Maar even wezenlijk is dat wij zijn geconditioneerd door de nationale staat:noot Ik krijg dat lelijke anglicisme “natie-staat” dat de laatste jaren zo populair aan het worden is, almaar niet uit mijn pen. het idee dat in één land één door zijn taal gedefinieerd volk woonde met één min of meer dezelfde cultuur. Wij zijn slecht voorbereid op de pluriformiteit van de toenmalige wereld.

Tegenstellingen

Binnen de Herodiaanse rijken waren bijvoorbeeld joodse delen, met Jeruzalem als bekendste voorbeeld, maar ook hellenistische steden als Caesarea, Samaria, Sepforis, Tiberias en Panias. Op het platteland lijken mensen waarde te hebben gehecht aan joodse gebruiken, maar dat wilde niet zeggen dat ze geen kritiek hadden op de Tempel. (Het wil ook niet zeggen, trouwens, dat wij moeten denken dat we ze kunnen begrijpen vanuit het latere rabbijnse jodendom – een fout die nogal eens wordt gemaakt.) Omgekeerd leefden er joodse groeperingen buiten wat wij instinctief geneigd zijn te beschouwen als een joods gebied. Het kan niet vaak genoeg benadrukt worden dat Jeruzalem, welke pretenties de stad ook had, niet de enige tempel voor Jahweh was.

Lees verder “Judea en zijn buren: cultuur”

Judea en zijn buren: politiek

Judea

Een tijdje geleden blogde ik over Judea – of beter, het gebied dat ooit geregeerd was geweest door koning Herodes. Dat bestond om te beginnen uit het eigenlijke Judea, dus de regio rond Jeruzalem, met in het zuiden Idumea en in het noorden Samaria. Deze drie delen vormden ongeveer de helft van het koninkrijk, en na Herodes’ dood (5/4 v.Chr.) kwamen ze in handen van Herodes Archelaos. Die regeerde er een jaar of tien als ethnarch, “volksleider”, waarna het gebied in Romeinse handen kwam. Terwijl Jeruzalem het belangrijkste centrum was van de joodse godsdienst, was het bestuurlijke centrum de stad Caesarea. Die stad had geen uitgesproken joods karakter. Ik kom daarop terug in het volgende blogje.

Het koninkrijk van Herodes was echter groter dan het gebied dat Archelaos erfde. In het oosten lag de Peraia, “overkant”, een smalle strook land aan de overzijde van de Jordaan en Dode Zee, en in het noorden lag Galilea. Zoals ik al eens vertelde, regeerde hier Herodes Antipas, met als hoofdsteden Sepforis en Tiberias – ook geen heel joodse steden. Tot slot lagen in het noordoosten de Golan en de Hauran, een weinig herbergzaam gebied ten zuiden van Damascus. Hier heerste Filippos, wiens residentie Panias was, gewijd aan de Griekse god Pan. Antipas en Filippos heersten elk over een kwart van de bezittingen van koning Herodes, en hun titel was tetrarch, “heerser over één vierde”.

Lees verder “Judea en zijn buren: politiek”

De Edomieten

Koper uit de Araba (Jordan Museum, Amman)

Omdat ik volgend voorjaar een reis naar Jordanië organiseer, leek het me aardig om iets te vertellen over de volken die daar vroeger woonden. Dat waren aanvankelijk de IJzertijdrijkjes van de Ammonieten, Moabieten en Edomieten, ruwweg even oud als Juda en Israël, aan de overzijde van de rivier de Jordaan. Hun woongebieden werden ingelijfd in de rijken van de Assyriërs, Babyloniërs en Perzen. Toen Alexander de Grote laatstgenoemden had onderworpen, kwam de regio in handen van hellenistische heersers; we lezen dan over de Nabateeërs. De Romeinen stichtten er een Dekapolis, een “tienstedenbond”, en uiteindelijk zien we dat de macht verschuift naar de Arabieren, die al voor de komst van de islam dominant zijn. Al die volken zijn al aan bod geweest of komen nog aan bod. Vandaag echter: de Edomieten.

Edom lag direct ten zuiden van de Dode Zee, aan weerszijden van de slenk die we de Araba noemen, de bijbelse Zoutvallei. De naam van het koninkrijk, Edom dus, betekent zoiets als “het rode land” en verwijst vermoedelijk naar de rossige kleuren van het Seir-gebergte. De naam is heel oud, want ze duikt al op in Egyptische teksten. Zo mochten tijdens de regering van koning Merenptah (r.1213-1203) “de Šasu-nomaden uit Edom” het koninkrijk van de Nijl betreden. Deze vermelding is interessant omdat ze bewijst dat er in de Late Bronstijd nomaden heen en weer trokken door de Sinaïwoestijn. Dat biedt een context voor de verhalen over de tocht van Mozes en de Hebreeën. Lees verder “De Edomieten”

De Karolingische Renaissance (2)

Karel de Grote, de initiator van de Karolingische Renaissance (Louvre, Parijs).

[Dit is het tweede blogje in een reeks over de Karolingische Renaissance. Het begin vindt u hier.]

De “Karolingische Renaissance”, zoals historici de culturele ambities van Karel de Grote noemen, had tot doel van de Europeanen een gens sacrata te maken, een “geheiligd volk”. Daar zat een somber mensbeeld achter, namelijk dat de mensen niet in staat waren op eigen kracht het goede te doen. Volgens de kerkvader Augustinus was het daarom een van de belangrijkste taken van de overheid de ingezetenen te behoeden voor de alomtegenwoordige zonde en hen te helpen op het moeizame pad der deugd. Een tweede reden om de heiliging van het Frankische volk ter hand te nemen was dat een aan God gewijd volk mocht hopen op Zijn steun. Steun die hard nodig was. De christelijke volken hadden immers veel terrein verloren aan de Arabieren met hun nieuwe geloof, de islam. Dat kon alleen betekenen dat God ontevreden was over zijn christenen.

Misstanden?

Gedurende zijn ruim vijfenveertigjarige regering deed Karel de Grote daarom verscheidene pogingen misstanden te corrigeren. De kopieeractiviteit waarover ik al schreef, was slechts één aspect. In het voorwoord van de Algemene vermaning (789) vergeleek hij zich met de bijbelse koning Josia, die een ethisch reveil onder zijn volk had bewerkstelligd. Vervolgens gaf Karel een overzicht van tweeëntachtig bepalingen die de kerkelijke concilies en synodes hadden uitgevaardigd. Allerlei praktijken werden hiermee buiten de wet gesteld, en daarbij moeten we niet alleen denken aan zaken als bloedwraak maar ook aan het verzinnen van namen voor aartsengelen.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (2)”

De Karolingische Renaissance (1)

Een Exodus-manuscript; het onderste deel is geschreven in Karolingische minuskels die tijdens de Karolingische Renaissance werden geïntroduceerd.

In eerdere blogjes heb ik het gehad over mensen als Cassiodorus en de Ierse monniken die, in de tijd na de desintegratie van het Romeinse staatsapparaat in West-Europa, antieke teksten bleven kopiëren. Er is een beeldspraak – ik weet niet van wie – dat zij bij de stadspoort stonden en de West-Europese mensen, die de Oudheid verlieten en op reis gingen naar de Middeleeuwen, nog iets te lezen meegaven. Ik heb dat altijd een mooi beeld gevonden. Het stond me voor de geest toen ik LiviusOrg maakte.

Hoe ging het verder? Ik schreef al over de Europese monniken die de door Cassiodorus en de Ierse monniken begonnen kopieeractiviteit voortzetten. Eigenlijk is dat de culturele analogie van de wetgevingsactiviteit van de post-Romeinse vorsten. Voor een koning was het uitvaardigen van wetten core business; het overschrijven van teksten was dat niet en werd overgelaten aan de kerk. Dat begon te veranderen met de “Karolingische Renaissance”.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (1)”

Judas de Galileeër

Dacische sica

Een week of twee geleden begon ik een blogje met de constatering dat in het Nieuwe Testament tweeëntwintig mensen worden vermeld voor wie ook buiten-Bijbels bewijs bestaat. Inmiddels weet ik dat het er meer zijn, zevenendertig namelijk, en ik zal nog een overzicht geven, maar vandaag wil ik alvast een van die mensen behandelen: Judas de Galileeër.

Judas de Galileeër

Hij wordt in het Nieuwe Testament één keer genoemd. In het Sanhedrin is er, kort na de kruisiging van Jezus, beraad over de nieuwe sekte, die zich niet heeft laten onderdrukken. Petrus heeft herhaald dat God Jezus een plaats heeft gegeven in de hemel, wat tot grote verontwaardiging leidt, tot de farizese leider Gamaliël het woord neemt. Hij verwijst naar een rebel, Theudas, die enig succes had gehad maar wiens beweging uiteindelijk op niets uitliep.

Na hem was er Judas de Galileeër, die ten tijde van de volkstelling met zijn volgelingen in opstand kwam. Ook hij ging ten onder, en al zijn volgelingen werden uiteengedreven.noot Handelingen 5.37; NBV21.

Lees verder “Judas de Galileeër”