Kajafas

Kajafas moet hebben geleken op deze joodse hogepriester (Aäron), afgebeeld in de synagoge van Doura Europos.

De meeste personages uit het Nieuwe Testament zijn naamloos. Hoe heetten de wijzen uit het oosten of de Syrofenicische vrouw? Van een aantal kennen we wel de namen, zoals Lazarus of Junia, maar weinig méér. Slechts een paar mensen hebben iets dat lijkt op een biografie. Tot slot zijn er de personages die ook buiten de Bijbel worden vermeld: tweeëntwintig in totaal, waarvan vijf dubieus en twee zeer dubieus. Eén van van de meer zeker gedocumenteerden is Jozef Kajafas. Iedereen weet dat hij de joodse hogepriester was die Jezus verhoorde en doorverwees naar Pontius Pilatus.

Kajafas – in het Aramees Qayafa – was niet zomaar een hogepriester. Hij bekleedde het ambt achttien jaar, van 18 na Chr. tot het moment waarop de gouverneur van Syrië, Lucius Vitellius, hem en Pilatus verving, in de winter van 36/37. Dit duurrecord betekent dat hij en de Romeinse gezagsdragers zaken konden doen. Kajafas was verantwoordelijk voor de rust ten tijde van keizer Tiberius.noot Tacitus, Historiën 5.9.

Lees verder “Kajafas”

Armoede in Judea

Armoede: een beeld van een bedelaar in Museumpark Orientalis

Niet iedereen in de Oudheid kon gouden haarnetjes dragen zoals die waarover ik gisteren blogde. De enige mij bekende poging om de toenmalige welvaart te vergelijken met die van onze tijd, plaatste de Romeinse wereld ongeveer op het niveau van Nigeria rond 1960. Dat is een jaarinkomen van $93, waar nog bij moet worden aangetekend dat de Romeinen de wereld niet hoefden delen met mensen die met minder werk een heel veel hoger jaarinkomen hadden. Nederland was in 1960 al ruim twintig keer zo rijk als Nigeria.

Er zullen wel andere schattingen zijn voor de toenmalige welvaart, maar ik heb het gegeven nooit meer gecontroleerd. De conclusie dat men leefde in enorme armoede, is wel voldoende duidelijk. Vorig jaar kon ik op deze blog vijf stukken van Dirk-Jan de Vink plaatsen over de armoede in de stad Rome: de bewoners waren arm tot straatarm. En dan had Rome nog diverse vormen van graanuitdeling en kende Italië nog betrekkelijk lage belastingen.

Lees verder “Armoede in Judea”

De Noachitische Geboden

De ark van Noach (Gevelsteen op de Schreierstoren, Amsterdam)

Ik heb de laatste weken op zondag geblogd over nieuwtestamentische visies op de wereldondergang. Nu eens was er een Laatste Oordeel voorzien met een Mensenzoon; dan weer was het einde totaal; dan weer verdween een oude aarde om een nieuwe mogelijk te maken. Dat laatste doet wat denken aan de wereldondergang die de we – althans volgens de toenmalige mensen – al eens hebben meegemaakt: de Zondvloed. Het verhaal is bekend uit Mesopotamië, Griekenland en Rome en ook de Bijbel.

Cultureel ijkpunt

De Zondvloed was voor Joden een enorm belangrijk ijkpunt. Degenen die in de derde, tweede eeuw v.Chr. hun bestaan en opvattingen ondermijnd zagen worden door de opkomst van de Griekse cultuur, vertelden het verhaal van Noach opnieuw. Zo ontstond de Henochitische literatuur. In de Q-Bron benut Jezus het motief om te vertellen hoe onverwacht het einde der tijden zal zijn:

Lees verder “De Noachitische Geboden”

Messias en Mensenzoon

De Mensenzoon met de Twaalf (Santa Pudenziana, Rome; twee van de Twaalf zijn bij een restauratie verdwenen)

Ik kondigde een stukje aan over de Mensenzoon. Om de crux meteen te benoemen: anders dan in het christendom, waarin Jezus van Nazaret zowel de messias is als de Mensenzoon, gaat het in het joodse denken om gescheiden concepten.

De messias, wiens naam zoiets betekent als “de gezalfde”, was in principe degene die Israël zou herstellen. Het messiaanse genre is ontstaan in het eerste kwart van de eerste eeuw v.Chr. en vormde een reactie op de falende Hasmonese dynastie. Sommige Joden droomden toen van een vorst uit het huis van David. In de meeste messianologieën is de messias iemand met een wereldlijke, politieke missie. Er zijn ook latere messianologieën waarin het herstel van Israël spiritueel van aard is, maar ook dat is geen Mensenzoon.

Lees verder “Messias en Mensenzoon”

De wereldondergang volgens Johannes

Alexander als kosmokrator: maansikkel, sterren, en hijzelf als zon (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Om mijn wekelijkse stukje over het Nieuwe Testament maar met een gemeenplaats te beginnen: een boodschap bestaat uit een kern en een omhulsel. Als ik zeg “de zon komt op”, weet u perfect wat de boodschap is: het is licht aan het worden. Dat is de kern. Tijdens onze conversatie delen we daarnaast een omhulsel van culturele noties. U en ik weten bijvoorbeeld allebei dat het niet letterlijk de zon is die opkomt, maar de aarde die roteert onder een statische zon. Het omhulsel bevat dus de notie dat we de woorden “de zon komt op” niet letterlijk mogen nemen, ja dat het tegengestelde wordt bedoeld van wat feitelijk is gezegd.

Een van de problemen van de oudheidkunde is dat we het omhulsel niet goed kennen. Daarom is een antieke tekst nooit zomaar een antieke tekst. Daarom ook kun je nooit zomaar woord-voor-woord vertalen.

Lees verder “De wereldondergang volgens Johannes”

Een christelijke isnad

Het doorgeven van de openbaring (Apocalypscommentaar van Beatus van Liébana, Abdij van Saint-Sever)

Eigenlijk had ik in mijn reeks over het Nieuwe Testament deze week willen bloggen over de wereldondergang, zoals die staat beschreven in de Openbaring van Johannes. Ik had al twee inleidende alinea’s klaar toen me aan het begin van de Openbaring iets opviel dat me niet meer losliet en dat ik nu maar aan u voorleg.

Openbaring van Jezus Christus, die Hij van God ontving om aan de dienaren van God te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet. Hij heeft zijn engel deze openbaring laten meedelen aan zijn dienaar Johannes. Johannes maakt bekend wat God gesproken heeft en waarvan Jezus Christus heeft getuigd; dit heeft hij allemaal gezien. Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen…noot Openbaring 1.1-3.

Lees verder “Een christelijke isnad”

Het einde van de wereld

Twee jaar geleden blogde ik over de Tweede Brief van Petrus. Het detail dat ik eruit lichtte was de spot die voor de eerste christenen moet hebben behoord bij de dagelijkse ervaringen. Wie gelooft in de terugkeer van een messias en het einde van de wereld, krijgt natuurlijk opmerkingen te horen. “Nou, waar blijft ’ie dan, die gekruisigde praatjesmaker van je?”noot 2 Petrus 3.4; Lucianus documenteert “gekruisigde praatjesmaker”. Je leest in 2 Petrus wat een christelijke visser, huisvrouw of timmerman zo nu en dan hoorde. Speelse plagerijen, zeker, en we moeten het niet groter maken dan het is, maar ook goedmoedige plagerijtjes voorzien iemand van een etiket dat zo iemand in tijden van vervolging stigmatiseert. Een geintje is leuk, maar leuk is niet altijd geinig.

Het einde van de wereld

Aan de voorspelling van de Eindtijd in 2 Petrus is echter veel meer te ontdekken. Het ziet er niet best uit. Dit is een anti-schepping, een omgekeerd Genesis.

De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde en alles wat daarop gedaan is verdwijnt. noot 2 Petrus 3.10; NBV21.

Lees verder “Het einde van de wereld”

De Europese canon (16-20)

Vroege kaart van Amerika

In de alweer vijfde aflevering in de reeks over de Europese canon gaan we kijken naar de overgang van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd.

De Grote Ontdekkingen

Periode: Vanaf 1419

Vanaf 1419 organiseerden de Portugezen systematische verkenningstochten langs de westelijke kust van Afrika. Die werden steeds ambitieuzer. Bartolomeu Dias passeerde in 1488 Kaap de Goede Hoop, Vasco da Gama bereikte in 1497 India. In de tussentijd was Columbus namens de reyes católicos de Atlantische Oceaan overgestoken. Rond 1500 begonnen de Europeane nte begrijpen dat Columbus niet in India was aangekomen, zoals hij dacht, maar een nieuwe wereld had ontdekt.

Lees verder “De Europese canon (16-20)”

Een christelijke utopie

De christelijke utopie: een gemeenschappelijke maaltijd van zeven leerlingen en een leraar; ik mag hopen dat ook de twee bedienden iets te eten kregen (Catacomben van Domitilla, Rome).

Het zou in de rede hebben gelegen als ik vandaag zou bloggen over Pinksteren, maar daar heb ik het al vaker over gehad (namelijk hier) en ik heb geen zin in herhaling. Nadat de auteur van Handelingen heeft verteld over die gebeurtenis, de komst van de Heilige Geest dus, presenteert hij een lange toespraak van Petrus, en vervolgens is er een beschrijving van het leven van de eerste christenen.

Ze wijdden zich trouw aan het onderricht dat de apostelen gaven, aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed. De vele tekenen en wonderen die de apostelen verrichtten, vervulden iedereen met ontzag. Allen die tot geloof gekomen waren, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten hun eigendommen en bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde. Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk.noot Handelingen 2.42-47; NBCV21.

Lees verder “Een christelijke utopie”

De joodse Diaspora (2)

Joods grafschrift uit Rome (Museo nazionale delle terme, Rome)

In het vorige stukje noemde ik de plaatsen waar aan het begin van de jaartelling Joden leefden. Dat was eigenlijk in de hele antieke wereld.

Variatie

Het gaat om groepen wier interne autonomie door het Romeinse Recht werd erkend, wat ook logisch was, want men kon alleen leven naar de eigen regels als de rest van de stedelijke gemeenschap daar een beetje rekening mee hield. Flavius Josephus biedt een opsomming van de rechten die Julius Caesar in een dozijn steden verleende aan de Joodse minderheden.

Ik gebruik tot nu toe de hoofdletter J, want tot nu toe ging het nauwelijks om religie. Maar de verspreiding van het volk betekende wel dat variatie ontstond in de joodse godsdienstige gebruiken en ideeën. Er waren allerlei afwijkingen van wat in het moederland gangbaar was. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat Diaspora-Joden tijdens de sabbat vastten, wat mogelijk een manier was om in een overwegend niet-Joodse omgeving de spijswetten en sabbatsrust enigszins in acht te nemen. Later zou men in Rome het paaslam slachten zoals men dat in Jeruzalem had gedaan toen de tempel er nog stond, hoewel deze gewoonte in Judea was afgeschaft.

Lees verder “De joodse Diaspora (2)”