Het mausoleum van Belevi

Sculptuur uit het mausoleum van Belevi

De geschiedenis van de opvolgers van Alexander de Grote, de zogeheten Diadochen, is eigenlijk iets te complex. Zijn voornaamste officieren raakten eerst slaags over de vraag als regenten moesten optreden voor Alexanders zwakbegaafde broer, en belandden vervolgens in een reeks oorlogen, waarin de koninklijke dynastie steeds meer op de achtergrond raakte en vervolgens de rijkseenheid verloren ging. De oorlogen gingen net zo lang door tot al het door Alexander op de Perzen veroverde edelmetaal was uitgegeven aan soldij.

De beslissende slag was daarom die bij Ipsos, in 301 v.Chr., want daarna was er geen geld meer. Voor enige tijd lagen de grenzen vast: een machtig rijk in Egypte voor Ptolemaios I Soter, een immens Aziatisch rijk voor Seleukos I Nikator, in het aloude Macedonië een rijk voor Demetrios de Stedendwinger en in Thracië en Klein-Azië een rijk voor Lysimachos. In de meeste geschiedenisboeken staat het allemaal nog beknopter, want voor vrijwel alle doelen die je als auteur wil bereiken, kun je makkelijk twee decennia overslaan en doorgaan naar het eindresultaat.

Lees verder “Het mausoleum van Belevi”

Berossos

Oannes, een van de zeven wijzen (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Binnenkort verschijnt mijn boek over Filon van Byblos, een auteur uit de Romeinse tijd die in het Grieks schreef over de Feniciërs. Dat spel met identiteiten is leuk, en de door hem navertelde mythen werpen licht op allerlei interessante zaken. Dus ik denk dat het een boeiend boek is, al is het misschien iets voor fijnproevers. De relevante fragmenten zijn bovendien vertaald door Hein van Dolen, dus het is zeker leuk. U bestelt het boek hier.

Berossos

Maar ik wil het over Filon niet te lang hebben. Hij was namelijk niet de enige antieke auteur die “zijn” volk voorstelde aan het Griekstalige publiek. Flavius Josephus deed het voor de Joden en Manethon deed het voor de Egyptenaren. En Berossos deed het voor de Mesopotamiërs.

Lees verder “Berossos”

Het ontstaan van het Maurya-rijk

Kopie van een kapiteel uit een paleis uit het Maurya-rijk (Museum van Lahore)

Eerst maar even wat u al weet: tussen eind 327 en eind 325 v.Chr. trok Alexander de Grote door de Indusvallei, zeg maar het huidige Pakistan. Ik heb eerder over die genocidale campagne geschreven en beperk me nu tot de constatering dat hij, na zijn overwinning op de Indische radja Poros, oprukte tot aan de oostelijke grens van de Punjab. Daarvandaan wilde hij oprukken naar het koninkrijk Magadha in de vallei van de Ganges, maar zijn soldaten weigerden verder te gaan en dwongen Alexander terug te keren.

Alexander heeft dus nooit India veroverd en is maar marginaal in het huidige India geweest. Hij is alleen door Pakistan getrokken. Van verovering was geen sprake; al voor zijn dood in 323 v.Chr. hadden de Macedoniërs posities moeten opgeven. Zoals u in een moment zult zien, was de Europese aanwezigheid in het Indusland al snel voorgoed voorbij.

Lees verder “Het ontstaan van het Maurya-rijk”

Het Seleukidische Rijk

Seleukos I Nikator (Archeologisch museum, Napels)

Een pagina over de Seleukiden, die was er nog niet op deze blog. Terwijl deze hellenistische dynastie toch lange tijd heeft geregeerd over een immens gebied. Ik heb trouwens ook nog geen blog gewijd aan de Ptolemaiën, hoewel die voor Egypte en Cyprus toch ook belangrijk zijn geweest. Maar goed, eerst de Seleukiden.

Na de dood van Alexander de Grote op 11 juni 323 v.Chr. verdeelden zijn generaals, de Diadochen, zijn rijk. Een daarvan was zijn vriend Seleukos I Nikator (“de overwinnaar”), die zich na een reeks conflicten koning wist te maken van de oostelijke provincies – min of meer het moderne Afghanistan, Iran, Irak, Syrië en Libanon, samen met delen van Turkije, Armenië, Turkmenistan, Oezbekistan en Tadzjikistan. Het nieuwe koninkrijk zou twee hoofdsteden hebben, allebei gesticht rond 300 v.Chr. en allebei Seleukeia genaamd. De ene stad lag aan de Middellandse Zee en zou al snel worden overvleugeld door het even verderop gelegen Antiochië; het andere Seleukeia lag aan de Tigris en zou nog eeuwenlang belangrijk zijn.

Lees verder “Het Seleukidische Rijk”

De Romeinse stad Kyrene

De Benedenstad van Kyrene

[Laatste deel van een korte geschiedenis van Kyrene, een zeer belangrijke Griekse stad in het huidige Libië. Het eerste deel was hier.]

Na de ondergang van Ofellas stuurde Ptolemaios, inmiddels koning van Egypte, generaal Magas om de Pentapolis te besturen. Die voer zijn eigen koers: toen Ptolemaios door Ptolemaios II was opgevolgd, brak oorlog uit met de Seleukidische koning Antiochos I, en Magas koos partij voor de laatstgenoemde. Het voortaan onafhankelijke Kyrene was machtig genoeg om te worden genoemd in een van de edicten die keizer Asoka in India in de rotsen liet houwen.

Magas stierf rond 250 v.Chr. De halve eeuw van zijn regering was een bloeitijd geweest. Enkele bekende burgers waren de dichter Kallimachos, de hedonistische filosofen van de Cyreense School (waaronder Theodoros de Atheïst) en vooral Eratosthenes. Deze wist als eerste een redelijke schatting te geven van de omtrek van de aarde: 43.500 kilometer, volgens hem. wat minder dan 9% verkeerd is.

Lees verder “De Romeinse stad Kyrene”

Zeven à acht Syrische Oorlogen

Astronomisch Dagboek uit Babylon met informatie over financiële maatregelen in 273 v.Chr. (British Museum, Londen)

De erfenis van Alexander de Grote, die in 323 v.Chr. in Babylon overleed, bestond uit een wereldrijk, een professioneel leger en een goed gevulde schatkist. Wat ontbrak, was een duidelijke erfgenaam. Het was daarom alleen maar logisch dat Alexanders generaals de ene burgeroorlog na de andere ontketenden. De een wendde voor te strijden voor Alexanders zwakbegaafde broer, de ander beweerde op te komen voor de rechten van een bastaardzoon, een derde wilde de rijkseenheid bewaren maar dan wel onder zijn eigen voogdij en een vierde pretendeerde slechts een provincie te beheren tot het stof was opgetrokken. Dat was in 301 v.Chr. het geval. Toen was al het ooit door Alexander bemachtigde zilver en goud uitgegeven aan soldij. Nu het geld op was, kon een einde komen aan de burgeroorlogen.

De Syrische Oorlogen

Sommige conflicten sluimerden. Een daarvan betrof de relatie tussen het koninkrijk dat generaal Ptolemaios had gesticht in Egypte en het rijk van Seleukos, die zich inmiddels had laten uitroepen tot koning van Azië. Hoewel de laatste officieel behoorde te heersen over de Fenicische havensteden (zoals Byblos) en enkele steden in het binnenland, was dit gebied in handen van Ptolemaios. Seleukos, die ooit was geholpen door Ptolemaios, achtte het beneden zijn nieuwverworven koninklijke waardigheid om een oorlog te ontketenen tegen zijn weldoener, maar handhaafde zijn aanspraken op wat Hol Syrië heet. In de volgende anderhalve eeuw zouden de Ptolemaïsche en Seleukidische legers nog zeven keer tegen elkaar optrekken, steeds als in een van de twee koninkrijken een nieuwe heerser aan de macht was gekomen die zich niet gehouden voelde aan het vredesverdrag van zijn voorganger.

Lees verder “Zeven à acht Syrische Oorlogen”

Krijgsolifant

Krijgsolifant (Louvre, Parijs)

Het bovenstaande beeldje, tegenwoordig te zien in het Louvre in Parijs, is afkomstig uit Myrina, een havenstadje op het Griekse eiland Lemnos. Een krijgsolifant valt een soldaat aan die we aan de hand van zijn grotendeels naakte lichaam en zijn langwerpige schild kunnen identificeren als een Kelt – denk aan de Stervende Galliër die uit Pergamon.

Het beeldje moet zijn gemaakt door iemand die weleens een olifant had gezien (wat in de Oudheid bepaald niet vanzelfsprekend was). De kleine oren helpen om het dier te identificeren als een Indische olifant uit het Seleukidische leger. Wellicht mogen we een stap verder gaan: het stelt een scène voor uit de Olifantenslag uit 275 v.Chr., waarin de Seleukidische vorst Antiochos I Soter de Galaten versloeg, een groep Kelten die Anatolië was binnengevallen. Hij dankte er zijn bijnaam Soter aan, “de redder”.

Lees verder “Krijgsolifant”

De Stervende Galliër

De Stervende Galliër (eigenlijk een Galaat) (Capitolijnse Musea, Rome)

Zo rond het midden van het eerste millennium v.Chr. ontstond in het gebied van Lotharingen, Elzas, het Zwarte Woud en Beieren een nieuwe archeologische cultuur: La Tène. We mogen deze mensen gelijkstellen aan de Kelten, al moeten we daarbij aantekenen dat de betekenis van de term niet precies vastlag. De Keltische stammen en staten hebben zichzelf nooit beschouwd als één Keltisch volk, terwijl de Grieken en Romeinen allerlei volken die niet behoorden tot de La Tène-cultuur en die ook geen Keltische taal spraken, aanduidden als Kelten. Vaak was de term synoniem met “barbaar”.

De vierde eeuw was de tijd van de Keltische migraties: Gallische Kelten vielen Italië binnen en meer oostelijk levende stammen trokken langs de Donau naar het Balkanschiereiland. In de eerste weken van 279 bezetten zulke groepen het noordwesten van het huidige Bulgarije, van waaruit ze het Thracische koninkrijk van de Odrysen bedreigden. Die vroegen hulp bij de pas aangetreden koning van Macedonië, Ptolemaios Keraunos, maar deze weigerde: hij hoopte dat de Thraciërs, die het zijn voorganger Lysimachos knap lastig hadden gemaakt, verzwakt zouden raken. Dit was een blunder, maar toen Ptolemaios dat inzag, was het te laat.

Lees verder “De Stervende Galliër”

De sloop van de Toren van Babel

De Etemenanki (Toren van Babel)

“Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt,” zeiden de Babyloniërs, en hun ambitie blijkt wel uit het feit dat de fundamenten van hun tempeltoren, die aan het begin van de twintigste eeuw zijn opgegraven door de archeoloog Robert Koldewey, niet minder maten dan negentig bij negentig meter. Het is een van de gebouwen op aarde die astronauten ook vanuit de ruimte kunnen zien.

De toren wordt vermeld in verschillende kleitabletten, waaruit we weten dat hij E-temen-an-ki heette, het “Huis van het fundament van de hemel op aarde”. Uit die tabletten blijkt verder dat de koningen Nabopolassar (r.626-605) en Nebukadnezar (r.605-562) inderdaad hebben gebluft dat hun prestigeobject tot in de hemel moest reiken. De laatste, die uit het halve Midden-Oosten mensen naar Babylon had gedeporteerd, kon daar nog aan toevoegen dat bij de bouwput “alle talen van de wereld worden gesproken”. Het was de auteur van het Bijbelboek Genesis wel toevertrouwd aan die claim een ironische draai te geven.

Lees verder “De sloop van de Toren van Babel”