Augustinus schiet op een stroman

Augustinus (Liebieghaus, Frankfurt)

Een tijdje geleden blogde ik over het boek van Floris Overduin, die Trojaanse Redevoering van Dio van Prusa had vertaald. De Grieks-Romeinse redenaar betoogde daarin dat Troje nooit door de Grieken was ingenomen. Dat is een mooi voorbeeld van de speelse wijze waarop men destijds omging met zulke verhalen. Je kon ze tegenspreken, op z’n kop zetten, parodiëren, of allegorisch duiden (zoals Palaifatos deed). Zo werkt literatuur nu eenmaal. De Quichot heeft ook allerlei interpretaties, is geparodieerd, aangepast, bekort, gemoderniseerd.

Ik denk niet dat de kerkvader Augustinus veel heidenen overtuigde toen hij de absurditeit van de aloude mythen en sagen wilde aantonen door de Trojaanse verhalen letterlijk te nemen, Dat deed sowieso niemand. Dat laat onverlet dat Augustinus wel zijn christelijke publiek aan het lachen zal hebben gekregen. In De stad van God 3.2 wijst hij er eerst op dat de Grieken en Trojanen dezelfde goden even gewetenvol vereerden: de goden verhoorden dus wel de gebeden van de ene, maar niet die van de andere partij. Dat is onrechtvaardig.

Lees verder “Augustinus schiet op een stroman”

Hoezo Zondeval?

Sinds de Zondeval kruipen slangen door het stof

Mijn vrienden zijn op een leeftijd waarop ze kinderen krijgen. Het blijft me verbazen hoe peuters de ene vaardigheid na de andere ontwikkelen. En steeds zeggen mijn vrienden hetzelfde: “je kunt ze wel iets verbieden, maar ze begrijpen gewoon niet wat ‘dat mag niet!’ betekent”. Moreel bewustzijn, dat ontwikkelen kinderen pas later. Ouders kunnen dingen eigenlijk pas verbieden als hun kinderen begrijpen dat het verkeerd is iets verbodens te doen.

Hetgeen ons brengt bij een verbod uit Genesis 2.

God bracht de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. Hij legde hem het volgende verbod op: “Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.” (Genesis 2.15-17; NBV21)

Lees verder “Hoezo Zondeval?”

Reptilis: kruipend beest

Een hagedis is een reptiel

Volgens de etymologiebank is een reptiel een “kruipend dier”. Het woord komt van het Latijnse reptilis, dat op zijn beurt afgeleid is van het Latijnse werkwoord repere, “kruipen”. Dat klinkt allemaal heel toepasselijk. We vinden echter geen bewijs voor het bestaan van dit woord in het klassieke Latijn. Het komt dan ook niet voor in woordenboeken van het klassieke Latijn. Hoe kan dat?

Vetus Latina en Vulgaat

We vinden het woord reptilis voor het eerst in vertalingen van de joodse Bijbel, dus pas in de Late Oudheid. De joodse Bijbel is grotendeels in het Hebreeuws geschreven. Al in de Oudheid kenden niet alle joden Hebreeuws meer, daarom ontstond er vanaf de derde eeuw v.Chr. een vertaling in het Grieks, de zogenaamde Septuaginta. Met de komst van het christendom ontstond er behoefte aan een Latijnse vertaling van de Bijbel, en dat gebeurde vanuit het Grieks, de lingua franca van die tijd. Deze vertaling vanuit de Griekse Septuagint wordt de Vetus Latina genoemd.

Lees verder “Reptilis: kruipend beest”

Sinterklaas met boeken (bis)

(Boekhandel De Kler, Leiden)

[Zoals beloofd nog een tweede stukje over boeken om met Sint-Nikolaas cadeau te doen (en liefst ook te lezen). Met dank aan Roel Salemink van de Athenaeum-boekhandel in Amsterdam.]

Vertalingen

Afgelopen tijd was rijk aan nieuwe vertalingen. De gelauwerde vertaler Piet Schrijvers waagde zich aan een eigentijdse vertaling van het werk van Ovidius en kwam met twee gebonden uitgaven: De Gedaantewisselingen (Metamorfosen) en de Kalendergedichten (Fasti). Het mooie is dat bij beide boeken ook de Latijnse tekst is opgenomen. Ook van Harrie Geelen, classicus, illustrator (en man van vertaalster Imme Dros), verscheen op hetzelfde moment een vertaling van Ovidius, Metamorphoses. Voor een vergelijkend warenonderzoek van de verschillende vertalingen van de Metamorfosen verwijs ik u graag naar de website van Athenaeum, waar we een paar zinnen naast elkaar hebben gezet.

Naast Ovidius zijn er ook twee vuistdikke vertalingen verschenen van De Civitate Dei (de Stad van God) van Augustinus door Chris Dijkhuis, die na 40 jaar een eigentijdse vertaling maakte van dit belangrijke werk dat Augustinus schreef na de plundering van Rome door de Visigoten in het jaar 410. En daarnaast de Legenda Aurea (de Gulden Legende) van de dertiende-eeuwse Jacobus de Voragine, dominicaan, schrijver, bestuurder en aartsbisschop van Genua. Het is een boek vol heiligenlevens, dat beschouwd kan worden als inspiratiebron voor veel westerse kunst en literatuur. De vertaling is van Ton Hilhorst en Carolien Boink.

  Lees verder “Sinterklaas met boeken (bis)”

Zomaar wat boeken

Ik had vandaag eigenlijk willen bloggen over archaic survivals. Het is immers maandag en mijn methodologische blogjes plan ik nu eenmaal voor die dag. Alleen klikte ik het stukje vrijdag al weg en staat het nu al online. Dus ik blog maar even over het dichtstbijzijnde onderwerp dat voorhanden is. Dat zijn de boeken tussen bureau en bed.

Signalementen dus van wat ik nu aan het lezen ben. En voor het goede begrip: signalementen zijn geen recensies, zelfs al geven onze kranten tegenwoordig slechts 700 woorden voor wat ze recensie noemen. Degenen die geen zin hebben in onbenullige signaleringen dat boeken bestaan, hoeven niet verder te lezen. Hun bied ik een leuk muziekje.

Lees verder “Zomaar wat boeken”

Hoeveel Latijn is er nog?

Teksten in het Latijn in de Brepols’ Library of Latin Texts (klik=groot)

Latijn is oorspronkelijk de taal van de bewoners van Rome en het gebied eromheen, Latium. De oudste resten van het Latijn dateren uit de zevende en zesde eeuw v.Chr. Uit de derde eeuw v.Chr. hebben we al wat langere teksten, uit de eerste eeuw v.Chr. hebben we de teksten van Cicero, en uit dezelfde tijd of de eeuw erna de teksten van bijvoorbeeld Caesar, Vergilius, Horatius, Ovidius en Livius. Vanaf de tweede eeuw na Chr. komen de christelijke teksten, met als belangrijkste vertegenwoordiger Augustinus.

Langzamerhand ontwikkelen het geschreven Latijn en de gesproken talen zich uit elkaar, waardoor de Romaanse talen ontstaan. Vanaf ongeveer de zesde en zevende eeuw na Chr. is Latijn eigenlijk niemands moedertaal meer. Het bleef echter bestaan als het communicatiemiddel in Europa. Iedereen die lezen en schrijven geleerd had en iets mee te delen had, bleef dit in het Latijn doen. Pas eeuwen later zetten de volkstalen zich ook als schrifttalen door, maar Latijn blijft tot op de dag vandaag een taal, waarin mensen met elkaar communiceren. Een spannende vraag is, wanneer eigenlijk het meest in het Latijn geschreven werd.

Lees verder “Hoeveel Latijn is er nog?”

De ketter van Carthago (2)

De vorig jaar verschenen historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas gaat niet en wel over Augustinus, de bisschop van Hippo over wie ik gisteren blogde. De hoofdpersoon heet Spes en wordt aangetrokken, afgestoten, opnieuw aangetrokken, weer afgestoten en tot slot weer aangetrokken door de bisschop, die dus wel centraal staat in het boek. In feite is het samen te vatten als “hoe Spes bleef kijken naar Augustinus”.

Zoals zoveel historische romans moet je het boek niet lezen omdat het allemaal precies klopt. Nog voor de eerste zin gaat het al fout als er een datering anno Domini wordt gebruikt. Er waren in de Oudheid verschillende dateringssystemen, maar deze is pas in de zesde eeuw gemeengoed geworden. Augustinus dateerde bijvoorbeeld gebeurtenissen regelmatig aan de hand van de Romeinse consuls: zo lezen we in De stad van God dat Christus is gestorven toen Lucius Rubellius Geminus en Gaius Fufius Geminus het consulaat bekleedden. Er zijn in De ketter van Carthago wel meer dingen waar ik als historicus door afgeleid raakte, maar ik vind het niet helemaal eerlijk het boek daarop af te rekenen. Een roman die het verleden toont zoals het werkelijk was, zou zo saai zijn als het menselijk leven nu eenmaal is.

Lees verder “De ketter van Carthago (2)”

De ketter van Carthago (1)

De oudste afbeelding van Augustinus (Lateraan)

Waarom lezen mensen na zestien eeuwen nog altijd Augustinus? In mijn geval is het simpel: het zou voor een oudheidkundige bizar zijn een immens corpus aan informatie ongelezen te laten. Voor anderen is het misschien wat problematischer. Je kunt namelijk veel over de bisschop van Hippo zeggen, maar niet dat het een toegankelijke auteur is. Ik heb basisschoolkinderen een vertaling van Homeros’ verhaal over Bellerofon voorgelezen en ze begrepen het; je kunt Suetonius, Herodotos en het Epos van Gilgameš lezen zonder al te veel voorkennis; maar Augustinus is lastiger.

Een vrolijk mensbeeld heeft hij ook niet. De mens heeft zijn onvolmaaktheid te danken aan de zonden van zijn voorouders en is daardoor ook zelf een zondaar: dat is toch iets heel anders dan het Verlichtingsidee dat de mens van nature goed is en zichzelf kan verbeteren. Ik wil dat laatste geloven. Schindler’s List is zo’n boeiende film omdat het toont dat een opportunist een goed mens kan worden, wat een stuk interessanter is dan het obligate “goed mens degenereert tot slecht mens”. Een goed educatief systeem geeft mensen de middelen zichzelf te verbeteren. Noem het voor mijn part Bildung. Maar ondanks mijn sympathie voor die optimistische idealen ben ik niet blind voor het feit dat evenveel mensen niet boven zichzelf uitgroeien, onderpresteren en van goed mens opportunist worden. Augustinus’ mensbeeld mag dan somber zijn, het is niet onrealistisch.

Lees verder “De ketter van Carthago (1)”

De vergeetachtige ooggetuige

Amida en de Tigris

Ooit las ik ergens, ik ben vergeten waar, over een docent aan een rechtenopleiding die zijn studenten duidelijk wilde maken dat getuigenverklaringen onbetrouwbaar waren. Terwijl hij zijn college gaf, liet hij een kennis binnenstormen die hem tegen de vlakte werkte en zich vervolgens uit de voeten maakte, waarna de docent, weer opgekrabbeld, de onthutste studenten vroeg wat was gebeurd. Had de dader een blauw of een zwart pak aan, had hij gestoken of geslagen, dat soort vragen. De studenten bleken zich dat allemaal niet meer te herinneren, hoewel het recht voor hun ogen was gebeurd.

De verkleurde herinnering

Ooggetuigen zijn notoir onbetrouwbaar. Om te beginnen passen mensen hun herinneringen aan. We hebben daarvan een prachtig voorbeeld uit de oude wereld, namelijk het gesprek dat keizer Constantijn de Grote kort voor zijn overlijden in 337 na Chr. had met Eusebios, die later ’s keizers biografie zou schrijven. De heerser haalde herinneringen op aan het visioen dat hij ooit had gehad. Hij bezwoer zijn gast dat het echt was gebeurd. Na het middaguur, zo verzekerde hij, hadden hij en zijn soldaten een lichtend kruis aan de hemel gezien. Aanvankelijk had hij in het ongewisse verkeerd over de betekenis. Later had Christus hem in een droom geadviseerd een standaard te maken in de vorm van dit teken. Na dat nachtje slapen had Constantijn dus geweten dat het visioen christelijk van aard was.

Lees verder “De vergeetachtige ooggetuige”

Een Algerijnse film over Augustinus

Je kunt het aan mij overlaten om door Algerije te reizen, kijkend naar de steden waar Augustinus moet hebben gewoond en gewerkt, zonder in de gaten te hebben dat er in de Algerijnse bioscopen een film draaide over de bisschop van Hippo: Augustine, Son of Her Tears. Of ook wel Aghstynws, abin dumueuha. Dat laatste schrijf ik niet uit pedanterie, maar omdat het aangeeft wat de film is: een poging de man weg te halen uit de wereld van het Europese christendom maar te presenteren als Algerijn.

Gemeten aan wat de filmmakers beoogden, kan de film alleen worden getypeerd als succes. We krijgen de Algerijnse en Tunesische landschappen te zien. We zien Aghstynws niet alleen in een Romeinse tunica en toga, maar ook in een kandora en een qessabiya. De acteurs komen uit de Maghreb en dat heb ik in films over de Oudheid nog maar zelden gezien. Ik vond dat prettig ontregelend. De film verveelt beslist niet. Maar om nu te zeggen dat het een meesterwerk is dat u gezien hebben móet, nee.

Lees verder “Een Algerijnse film over Augustinus”