Er was eens een man die een ezel had. Het dier had jarenlang onverstoorbaar de zakken naar de molen gedragen, maar zijn krachten namen af, zodat hij steeds minder geschikt was voor het werk. De eigenaar dacht erover hem naar het slachthuis te brengen, maar de ezel merkte dat er onheil in de lucht hing, en rende weg richting Bremen. Daar, zo dacht hij, zou hij wel stadsmuzikant kunnen worden.
Hij was al een eind onderweg toen hij langs de weg een jachthond zag liggen, die hijgde alsof hij zich dood had gelopen. “Waarom hijg je zo?” vroeg de ezel.
Een dodenmaaltijd in een Etruskisch graf (Antikensammlung, München)
Of ik niet eens wat aandacht aan de Etrusken kon besteden. Tja. Eigenlijk best een goed idee, want ik heb nog niet zo vaak over hen geblogd. En als ik het dan doe, is het vaak om te benadrukken dat ze helemaal zo geheimzinnig niet zijn als wel wordt gedacht. Archeologisch zijn ze een vrij gewone Italische cultuur en de taal is minder raadselachtig dan publiciteitsgeile wetenschappers doen voorkomen. We weten niet in welke taalfamilie het Etruskisch past, dat is het voornaamste probleem.
Maar goed, de Etrusken komen er op deze blog inderdaad bekaaid van af en ik heb een plan voor de lange termijn om nog eens te bloggen over de boeken Zes tot en met Tien van Titus Livius, die daarin beschrijft hoe Rome Italië aan zich onderwerpt. Zeg maar de periode tussen de inname van Rome door de Galliërs in 387 v.Chr. tot en met de beslissende veldslag bij Sentinum in 295 v.Chr. Ik heb die boeken ooit, toen ik me voorbereidde op mijn VWO-eindexamen, vertaald en heb er altijd een zekere liefde voor gehouden. Dit is echter een langetermijnplan voor ná de reeks over Caesar, die, zoals u al vermoedt, tot minstens 15 maart 2026 zal doorgaan. En nog wat langer.
Detail van een muurschildering uit de villa bij Maasbracht (Limburgs Museum, Venlo)
Het is een gemeenplaats dat het Romeinse Rijk een agrarische wereld was. Je kunt als vuistregel nemen dat negen boeren het eten produceerden voor tien mensen. Als we optimistisch zijn, waren tijdens het Romeins Klimaatoptimum acht boeren genoeg. In een zó agrarische samenleving hebben ook degenen die nooit ploegden en nooit met een kudde op pad gingen, een vanzelfsprekende boerenmentaliteit. Een schatrijke Romeinse senator als Plinius de Jongere stelde groot belang in het verwerven van de juiste gronden en het aantrekken van de juiste pachters. Zelfs de aanleg van een siertuin had zijn aandacht. (Vincent Hunink verzamelde Plinius’ teksten over het landelijk leven in een boekje dat Mijn landhuizen heet. Ik schreef er al eens over.)
Wat is een villa?
Dit betrof dus de landhuizen van iemand aan de top van de maatschappelijke elite van het oude Italië. We noemen die landhuizen vaak villa’s, maar dat is een onhandige term. Het Latijnse woord heeft namelijk de betekenis van “exploitatie-eenheid” en slaat niet zelden op betrekkelijk kleine bedrijven. Bovendien denken wij, eentwintigste-eeuwers, bij een villa aan een rustiek gelegen buitenhuis of een bungalow met een grote tuin. In de Oudheid gaat het toch meer om plantages waar slaven en deelpachters hard werkten om voldoende te produceren. Naast het bedrijfsgedeelte, de pars rustica, was er een woongedeelte, de pars urbana, doorgaans simpel.
Een astrolabium (Wetenschapshistorisch museum, Samarkand)
In de reeks Faits Divers deze keer: eerst wat voor de hand liggend gemopper en daarna gelukkig ook leuk nieuws.
Alwéér een petitie
Vorige week hadden we de vierde petitie tegen de aangekondigde sluiting van een oudheidkundig instituut in 2024, deze week de vijfde. Dit keer is Latijn aan de Goethe-universiteit in Frankfurt de bedreigde partij. De petitie is hier. (Het jaar is nog geen drie maanden oud.)
Korte inhoud van het voorafgaande: vorige week was het dus oude talen in Cardiff en u kunt daar nog tekenen. In februari waren de geesteswetenschappen in Kent aan de beurt, in januari betrof het archeologie in Helsinki en klassieke talen in Kingston, in december ging het om de sluiting van de archeologische opleiding in Leipzig en het museum van Ename, in november wist een petitie problemen rond het schoolvak Grieks in Vlaanderen te voorkomen, in september was er politieke druk op het Egyptisch Museum in Turijn en in juni dreigde sluiting voor het museum Ermelo (maar dat blijft vooralsnog open).
Biologen geven dieren en planten geleerde Latijnse namen en u zult bij het horen van het woord Felis wel vermoeden dat het gaat om de kat. Is het niet om de kattenbrokjes, dan wel om de tekenfilmpjes. Omdat de Romeinen er een naam voor hadden, wisten ze van het bestaan van het dier.
De verspreiding van de kat
Dat blijkt niet alleen uit teksten, maar ook uit archeologische vondsten. Een geschiedenis van de kat in de Oudheid zou kunnen beginnen in de Late Steentijd, toen wilde katten in het Nabije Oosten zich aangetrokken voelden door de muizen op de eerste boerderijen. Daar zijn ze door de bewoners gedomesticeerd. Of misschien domesticeerden de katten wel de mens, opdat die voor hen zou zorgen in tijden van muizenschaarste.
Om te beginnen hebben we een weide ofwel clunia. Het woord leeft voort in het Iers en enkele andere Keltische talen, en omdat er Griekse en Litouwse parallellen zijn, kunnen we nog wat verder naar terug en een heel oud woord *klopni reconstrueren, wat zoiets betekent als “bewaterd veld”. Plaatsen die naar Gallische weiden zijn vernoemd zijn het Franse Cluny en Clugnat, het Oostenrijkse Clunia, het Britse Clowne en Clunton en nog zo het een en ander van Spanje tot Hongarije.
Je hoort wel eens iets – van een vriendin die het dan weer heeft van een andere vriendin, die het vermoedelijk weer van iemand anders heeft, zodat de betrouwbaarheid niet per se gegarandeerd kan worden, maar soit.
Een dame – de vriendin van mijn vriendin dus of nog verder weg – ging naar de supermarkt om een zak kattenvoer te kopen. Toen ze in de rij bij de kassa stond, vroeg een vrouw achter haar in de rij of ze een kat had. De dame keek de vragenstelster licht verbijsterd aan, want een andere reden kon er toch moeilijk zijn. In een opwelling besloot ze te zeggen dat ze geen kat had. “Nee, ik ben weer met het kattenvoerdieet begonnen.”
Ik onderbreek mijn reeks over weinig-bekende aspecten van het jodendom/christendom nog even. Ik ben vrij druk met Ancient History Magazine 4 en wat andere zaken, en heb even geen tijd voor die reeks. Dus krijgt u een museumstuk – maar wél een dat is toegesneden op de hedendaagse tijd: een tijd van internet, van sociale media en dus van het delen van poezenplaatjes.
Zomaar, een detail van een oud-Egyptisch reliëf. Voor de liefhebber: het dateert uit de tijd van de zesde dynastie: de nabloei van het Oude Rijk ofwel de late vierentwintigste tot de vroege tweeëntwintigste eeuw v.Chr. Het is te zien in de Vaticaanse Musea in Rome. Dat zal vermoedelijk betekenen dat het kunstwerkje ooit is opgegraven in Midden-Italië.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.