Cairns en brochs en Skara Brae (2)

Cairn Whiteford Hill, Orkney

[Tweede en laatste blogje van het verslag dat Arnold den Teuling van zijn reis door Schotland. Het eerste was hier.]

We maken nu een flinke sprong terug in de tijd, naar het Late Neolithicum, d.w.z. het midden van het vierde millennium v.Chr., met talloze voorbeelden van cairns, grafmonumenten bestaande uit keien, maar met een of meer grafkamers. Deze kennen we ook uit Bretagne en het Zweedse eiland Gotland, en ze zullen ongetwijfeld op meer plaatsen te vinden zijn. Ze dateren uit dezelfde periode als de hunebedden op het Noord-Europese vasteland. Uit dezelfde tijd dateren stone circles, die ouder zijn dan Stonehenge en Avebury, en ook in rijen opgestelde stenen die ouder zijn dan de alignements van Carnac in Bretagne.

Skara Brae

Maar het meest spectaculair is toch onmiskenbaar het neolithische dorp Skara Brae op de westkust van het Mainland van Orkney. Het is om onbekende redenen vrijwel intact verlaten, nadat het drie of vier eeuwen bewoond was geweest. Zelfs de aardewerk potten stonden nog in hun rekken toen het halverwege de negentiende eeuw werd ontdekt. Door een storm was het zandduin erbovenop weggeblazen, en een deel van het dorp is ook in zee gespoeld.

Lees verder “Cairns en brochs en Skara Brae (2)”

Cairns en brochs en Skara Brae (1)

Ierse mantelspeld, ca 800 (National Museum of Scotland, Edinburgh)

Mijn rondreis door Schotland had als verste doel het blootgekomen neolithische dorp Skara Brae op Orkney’s Mainland, het grootste van de eilandengroep Orkney-eilanden. De nog noordelijker gelegen Shetland-eilanden en de Outer Hebrides vielen buiten het reisplan. In grote lijnen was het plan langs de oostkust naar het noorden via Edinburgh, en terug langs de westkust met het eiland Skye en Glasgow, en dan weer terug naar de veerboot in Newcastle-upon-Tyne.

Historische resten uit de Middeleeuwen en later bestaan veelal uit de ruïnes van burchten, vervallen na  politieke verwikkelingen en verandering van de eindeloze oorlogvoering, en van abdijen en kerken, die na de reformatie geheel of gedeeltelijk zijn gesloopt. Geholpen door het lidmaatschap van de Scottish Historical Society heb ik er in mijn zevenweekse rondreis talloze van bezocht. De reis ging natuurlijk ook door een overweldigend landschap.

Lees verder “Cairns en brochs en Skara Brae (1)”

De Muur van Antoninus Pius (2)

Het badgebouw van Castlecary aan de Muur van Antoninus Pius.

[Dit is het laatste van twee gastblogs die Arnold den Teuling schreef over zijn bezoek aan Schotland en de Muur van Antoninus Pius. Het eerste was hier.]

Op mijn tocht naar het noorden ben ik heel veel cairns, restanten van huizen uit de ijzertijd, sporen van Picten, Kelten, Vikingen en tenslotte Engelse veroveraars tegengekomen, met als hoogtepunt de laat-neolithische nederzetting Skara Brae op Orkney. Daar schrijf ik later nog eens over.

Bovendien waren er op diverse plaatsen sporen van de activiteiten van Gnaeus Julius Agricola uit de jaren 77-84, dus nog ver vóór de Muur van Hadrianus. De zgn. Gask-linie ter hoogte van Crieff bestond uit tenminste zeventien uitkijkposten die op een tot anderhalve mijl van elkaar lagen, dit keer zonder tussengelegen wal. Ook sporen van een expeditie van keizer Septimius Severus rond 210 zijn bewaard gebleven.

Lees verder “De Muur van Antoninus Pius (2)”

De Muur van Antoninus Pius (1)

De ligging van Castlecary aan de Muur van Antoninus Pius

Jaren geleden had ik op reis naar Schotland samen met de familie o.a. de Muur van Hadrianus uitgebreid bekeken. Een aantal dingen was blijven liggen. Mijn recente zevenweekse rondreis met een buscamper door Noord-Engeland en Schotland begon dan ook bij de twee meest oostelijke forten ten oosten van Newcastle upon Tyne, Arbeia op de zuidoever van de Tyne en op de noordoever Segedunum, dat vlakbij de veerboothaven bleek te liggen. Mijn plan was om in hoofdzaak langs de oostelijke kust naar het noorden te trekken, Skara Brae op het grote eiland van de Orkney-groepen en andere prehistorische en historische monumenten te bekijken en dan langs de westkant weer naar het zuiden af te zakken. Uiteraard heb ik onderweg ook allerlei andere dingen bezocht.

Voor de toegang heb ik gebruik gemaakt van het lidmaatschap van de Scottish Historical Society, die de meeste historische plaatsen in beheer heeft of als een soort museumjaarkaart de toegang heeft geregeld. Zo kostte Edinburgh Castle mij geen £21.50, maar helemaal niets en kreeg ik bovendien een soepel tijdslot toegekend. De belangrijkste musea in Edinburgh, Glasgow en andere plaatsen zijn sowieso voor iedereen gratis. Voor particuliere landgoederen en plaatselijke musea is wel toegang verschuldigd. Landhuizen zijn er veel minder dan in Engeland. Die musea zijn meestal goedkoop, en voor boven de vijfenzestig gaat er nog eens een paar pond af.

Lees verder “De Muur van Antoninus Pius (1)”

II Parthica, Romes strategische reserve

Felsonius Verus, standaarddrager van II Parthica. Hij heeft de adelaarstandaard van zijn legioen opgeruimd in een beschermende kooi, klaar voor transport (Apamea)

In de eerste twee eeuwen van onze jaartelling plaatsten de Romeinen hun legioenen niet ver van de Rijn, Donau en Eufraat. De transportwegen moesten immers worden bewaakt en bijkomend voordeel was dat een vijand altijd een rivier moest oversteken, wat meestal wat voorbereiding vergde en dus de verdediger tijdwinst opleverde. Het nadeel van deze vorm van lijnverdediging was dat als de vijand eenmaal was doorgebroken, hij meteen diep het imperium kon binnendringen. Vandaar dat in de Late Oudheid een mobiele strategische reserve bestond.

Ontstaan

Het initiatief kwam van keizer Lucius Septimius Severus (r.193-211). In het kader van zijn oorlog tegen het Parthische Rijk formeerde hij drie nieuwe legioenen: I Parthica en III Parthica bleven in het oosten, maar II Parthica ging met hem mee naar Rome, kreeg een basis op de Albaanse Berg en diende voortaan als strategische reserve. Het legioen, dat tevens diende als tegenwicht tegen de Praetoriaanse Garde in Rome, kreeg al snel een tweede bijnaam, Albana.

Lees verder “II Parthica, Romes strategische reserve”

De monniken van West-Europa

Beda van Jarrow

De stichting van de abdij van Iona in Schotland, waarover ik het gisteren had, markeert het moment waarop het Ierse christendom naar buiten trad. Er volgden meer stichtingen en al snel speelden monniken uit Engeland een even belangrijke rol bij het overschrijven van Latijnse en Griekse teksten. Dit waren de jaren eind zesde eeuw, toen Gregorius van Tours klaagde dat de schrijfcultuur in Gallië in verval was en zelfs op sterven na dood.

Kloosterstichtingen

Je zou denken dat toen de Ieren abdijen gingen bouwen op het continent, dat weinig minder was dan een beschavingsoffensief. Dat zou echter wat overdreven zijn, want er waren meer mensen die boeken kopieerden, maar de stichting van Ierse kloosters was een versterking van de schrijfcultuur. Een van de betrokkenen was Columbanus, die in 590 Ierland verliet, drie abdijen bouwde in de Vogezen, doorreisde naar Italië en in de noordelijke Apennijnen de abdij van Bobbio stichtte. Ik noemde hem al eens toen ik het had over Chrodoara van Amay.

Lees verder “De monniken van West-Europa”

De monniken van Ierland

Clonmacnoise, een oud Iers klooster

Ik vertelde al eerder dat de zesde eeuw een grote crisis markeerde. De antieke cultuur liep ten einde. In West-Europa was bijvoorbeeld de financiering van de scholen, die ooit in elke stad in het Romeinse Rijk hadden gestaan, problematisch geworden. Dat de kunst van het lezen en schrijven dreigde te verdwijnen, blijkt wel uit kerkelijke richtlijnen betreffende ongeletterde geestelijken. Ook ontbraken de middelen om versleten boeken te kopiëren, zodat de bibliotheken in verval raakten. In Sevilla was bisschop Isidorus de koning te rijk met zijn vierhonderd boeken, terwijl zijn tijdgenoot paus Gregorius in Rome met moeite één bibliotheek geopend kon houden. In Tours begon zijn naamgenoot, bisschop Gregorius, zijn Geschiedenis van de Franken met de vaststelling:

De schrijfcultuur in Gallië is in verval en zelfs op sterven na dood. Intussen wisselen goed en kwaad elkaar af: volksstammen gaan barbaars tekeer, koningen razen als nooit tevoren, ketters vallen kerken aan, rechtgelovigen verdedigen ze, het christendom telt vele vurige aanhangers, maar ook tal van afvalligen, kerken worden door vrome mensen rijkelijk begiftigd en door ongelovigen leeggeroofd. En toch is er geen enkel getalenteerd auteur om dit alles in proza of in poëzie te beschrijven. Hoe vaak heb ik de klacht niet gehoord: “Wat een tijd! De letteren zijn verdwenen en er is niemand meer om de gebeurtenissen van vandaag te boek te stellen!”

Vaak heb ik over deze en andere verzuchtingen nagedacht. Ten slotte besloot ik zelf iets te doen om het verleden bij het nageslacht levendig te houden. Ondanks mijn gebrekkige stijl kon ik het niet laten de twisten van booswichten en het leven van rechtschapen mensen op te tekenen.noot Gregorius van Tours, Geschiedenis van de Franken, proloog; vert. Jef Ector.

Lees verder “De monniken van Ierland”

C01 | Constantijn wordt keizer

Constantijn de Grote (Bodemuseum, Berlijn)

De officier die in 306 door de soldaten tot keizer werd uitgeroepen, de man die wij Constantijn de Grote noemen, was ruim dertig jaar oud en opvallend bereisd. Terwijl zijn vader Constantius I Chlorus als de caesar van de augustus Maximianus in het westen was gebleven en bijvoorbeeld te Windisch een zege had geboekt op de Alamannen, had Constantijn als stafofficier deelgenomen aan de campagnes waarmee caesar Galerius de Sassanidische Perzen had gedwongen tot een voor de Romeinen voordelig vredesverdrag. Vele jaren later zou Constantijn herinneringen ophalen aan zijn bezoek aan de ruïnestad Babylon.noot Toespraak tot de vergadering der heiligen 16.

In 301 was Constantijn in Diocletianus’ gezelschap naar Egypte gereisd, waar hij wellicht heeft gezien hoe manicheeërs op de brandstapel belandden. Vier jaar later, kort nadat Constantius en Galerius de oude augusti Diocletianus en Maximianus hadden opgevolgd, had Constantijn deelgenomen aan Galerius’ campagne tegen de Sarmaten, een volk aan de Beneden-Donau. In die oorlog zou hij zich hebben onderscheiden in een ruitergevecht en een aanval hebben geleid door een moeras.

Lees verder “C01 | Constantijn wordt keizer”

VIIII Hispana: het legioen van Rosemary Sutcliff (2)

Grafsteen van een soldaat van VIIII Hispana uit Lincoln

In 43 na Chr. viel keizer Claudius Britannia binnen met II Augusta, XIV Gemina, XX Valeria Victrix en VIIII Hispana. Dit legioen, onder bevel van Aulus Plautius, was eerst gestationeerd in twee kampen in Longthorpe en Newton-on-Trent. Mogelijk heeft het ook een basis gedeeld met XIV Gemina in Leicester, maar dat is onzeker. In elk geval verbleef het Negende vanaf 55 in Lincoln, het antieke Lindum.

Volgens onze bronnen heeft het tijdens de opstand van koningin Boudica (60) zeer zware verliezen geleden (ongeveer een derde van zijn kracht). De loopbaan van commandant Quintus Petillius Cerialis ondervond echter geen vertraging, wat bewijst dat hij en zijn mannen zich eervol hadden gedragen. Het legioen werd weer op sterkte gebracht met manschappen uit het Rijnland. Die zwaaiden vele jaren later af in York, waarheen het legioen in 77 is overgeplaatst. Hier verving het II Adiutrix en bewaakte het de noordgrens van het imperium.

Lees verder “VIIII Hispana: het legioen van Rosemary Sutcliff (2)”

VIIII Hispana: het legioen van Rosemary Sutcliff (1)

Grafsteen van Moranus, soldaat van VIIII Hispana (ingemetseld in de stadspoort van Motovun)

Kan een Romeins legioen negentien eeuwen na zijn verdwijning nog tot de verbeelding spreken? De enige Romeinse militaire eenheid die daar in slaagt, is het Negende Legioen Hispana. De reden is welbekend: het fenomenale kinderboek van Rosemary Sutcliff, De adelaar van het Negende. Ze vertelt het verhaal van de speurtocht naar het lot van het legioen, dat vanuit York noordwaarts de Schotse mist in was gemarcheerd en waarvan nadien niemand meer was vernomen. Ik ken niemand die het een slecht boek vond, het heeft eindeloos veel jonge mensen een fascinatie bijgebracht voor het oude Rome, het is verfilmd en het heeft een hardnekkig misverstand opgeleverd, want het legioen is niet in Schotland verdwenen. Daar heb ik het vaker over gehad en dat laat ik nu verder rusten.

Caesar

VIIII Hispana behoorde met de legioenen VII, VIII en X Equestris tot de oudste eenheden in het keizerlijke leger. Dit viertal was al bij Julius Caesar toen hij in 58 v.Chr. de Gallische Oorlog ontketende. Caesar noemt het Negende bijvoorbeeld in zijn verslag van de strijd aan de Sabis, de Selle in Noord-Frankrijk, waar hij de Nerviërs versloeg.

Lees verder “VIIII Hispana: het legioen van Rosemary Sutcliff (1)”