Xenofon in Armenië

Bij Bitlis

We gaan naar Armenië. Ik liet u een paar dagen geleden achter bij de Assyrische hoofdsteden Kalhu en Nineveh, waar Xenofon en zijn huurlingen de nachten hadden doorgebracht. Vervolgens marcheerden ze langs de rivier de Tigris naar het noordwesten. We kunnen de route tot Cizre vrij precies op de landkaart volgen, maar daarna wordt het lastiger. Zowel het commentaar van Otto Lendle als de Landmarkvertaling houden het erop dat de huurlingen de rivier Bitlis stroomopwaarts volgden tot aan de gelijknamige stad. Ook het huidige Muş zou zijn aangedaan.

De tocht door het destijds nog door Armeniërs bewoonde land was lastig. Een snee was ghevallen groot. Het was februari 400 v.Chr. en stervenskoud.

Lees verder “Xenofon in Armenië”

Xenofon

Xenofon (Museum van Afrodisias)

Een tijdje geleden verzorgde ik een les waarin ik, een beetje tegen mijn gewoonte in, enkele Beroemde Dode Grieken besprak. Homeros was al eens aan de orde geweest, nu kwamen de lyrische dichters, de tragici uit Athene, de filosofen, de geschiedschrijvers en de wetenschappers aan bod. Maakt u zich geen zorgen, ik heb aan het einde er netjes aan herinnerd dat geschiedenis niet slechts door individuen wordt gemaakt maar ook door maatschappelijke instellingen en processen.

Nu had ik slechts twee uur, dus ik moest selecteren. Wel de drie tragici dus, maar niet Aristofanes. Terwijl ik bezig was met de geschiedschrijvers realiseerde ik me dat ik het niet kon laten bij Herodotos en Thoukydides. Eigenlijk was het te zot voor woorden dat ik niet ook Xenofon (c.431-354) noemde. Hij wordt nog altijd veel gelezen maar eigenlijk oordeelt vrijwel iedereen negatief over hem. En dat terwijl iedereen er een lief ding voor over zou hebben om een leven te mogen leiden dat half zo bereisd en kleurrijk was als dat van Xenofon. Als je zo’n leven hebt, is het niet zo erg als je faalt als filosoof en geschiedschrijver. Je was immers ook huurlingenleider, politicoloog en biograaf. Wat een leven!

Lees verder “Xenofon”

De IJzertijd

Relief van koning Warpalas van Tuwanuva (Archeologische Musea van Istanbul)

Het handboek van De Blois en Van der Spek waarover ik elke week blog, Een kennismaking met de oude wereld, gaat na de behandeling van de IJzertijd in de Levant (de Aramese en Neo-Hittitische stadstaatjes, de Fenicische havens, Israël en Juda) over naar het oosterse wereldrijk. Met die parapluterm, waarover zo meteen meer, bedoel ik de opeenvolging Assyrië, Babylonië, Achaimenidisch Perzië, Seleukiden, Parthen, Sassanidisch Perzië, het Kalifaat van Damascus en het Kalifaat van Bagdad. Na algemene hoofdstukken over religie en economie van het Nabije Oosten, verleggen de auteurs hun aandacht naar het westen, naar Griekenland en daarna Rome.

Anatolië en Centraal-Eurazië

Dit is een wat conventionele indeling en dat is op zich niet erg. Zoals gezegd: een handboek moet iets zijn om over te discussiëren. Toch wil ik er – en hier begint dus de discussie – op wijzen dat dit weinig recht doet aan het onderzoek van de afgelopen halve eeuw. Dat betreft in de eerste plaats de IJzertijdrijken van Anatolië. Dus staten als Tarhuntassa, Tuwanuva, Malida en Tabal, de beide Ciliciës, Urartu, Frygië en Lydië. De Blois en Van der Spek behandelen dit nu allemaal nogal stiefmoederlijk. (Een boek dat de recente inzichten samenvat is Christian Mareks Geschichte Kleinasiens in der Antike [2010], verschenen in dezelfde reeks als Pohls boek over de Avaren en Meiers boek over de Grote Volksverhuizingen.)

Lees verder “De IJzertijd”

A History of the Ancient Near East

De leeuwenjacht van Assurbanipal (detail; British Museum, Londen)

Voor zover ik weet is Marc Van De Mieroop een Belgische oudhistoricus die momenteel is verbonden aan de Columbia-universiteit in New York. Ik las ooit met plezier en vrucht zijn boek Cuneiform Texts and the Writing of History (1999) en bezit A History of the Ancient Near East (2004). Dat stond ongelezen in de kast. Niet omdat ik het niet interessant vond, maar omdat ik de hoofdlijnen van de oud-oosterse geschiedenis voldoende dacht te kennen. Er zijn meer overzichten, zoals het heel toegankelijke Ancient Irak van Georges Roux, dat ik las in militaire dienst, en het tweedelige The Ancient Near East van Amély Kuhrt (1995). Het boek van Van De Mieroop zou vast goed zijn, dacht ik, maar vele uren lectuur zou me weinig werkelijk nieuwe inzichten opleveren.

Structuur

Dat zag ik dus verkeerd. Mijn reis naar Irak was de aanleiding het toch eens te lezen en ik kan alleen zeggen: dit is een verrotte goed boek. Het sterke is de wijze waarop Van De Mieroop de informatie structureert. Hij weet wat de geïnteresseerde lezer, die niet meteen een beeld heeft bij al die vreemde namen, nodig heeft. Van De Mieroop is daarom niet te beroerd informatie te herhalen en hetzelfde vanuit een ander perspectief nog eens te vertellen. Hij beperkt het jargon tot het noodzakelijke. Ook gebruikt hij de “Guide to Further Reading” waarvoor ze dient: om de lezer vervolginformatie te bieden. Klinkt logisch, maar u moest eens weten hoeveel publieksboeken over de oude wereld zijn voorzien van ellenlange literatuurlijsten en notenapparaten, alsof de tekst wetenschappelijk verantwoord zou moeten worden.

Lees verder “A History of the Ancient Near East”

Kort Irakees (6): Koninklijke Weg

Ik schreef al eens eerder over de Koninklijke Weg in het Perzische Rijk. Die kenden we lange tijd vooral van de Griekse onderzoeker Herodotos, die ergens de route beschrijft van Sardes in het westen van het huidige Turkije naar de hoofdsteden van het Perzische Rijk. In Irak volgde deze weg ruwweg de Eufraat, vermoedelijk met een omweg over Babylon.

Kleitabletten uit Persepolis bevestigen Herodotos’ verhaal en voegen daaraan allerlei details toe. We weten nu hoe goed de Koninklijke Weg was georganiseerd. Je kon bijvoorbeeld met vouchers in elke serail eten en drinken te krijgen.

Lees verder “Kort Irakees (6): Koninklijke Weg”

De Zeevolken: meer problemen

Ramses III maakt korte metten met wat Zeevolken, herkenbaar aan hun hoofddeksels.

In de vorige vier stukken (één, twee, drie, vier) over de Zeevolken heb ik uitgelegd dat het bewijsmateriaal een consistent verhaal mogelijk maakt: een klimaatcrisis rond 1200 v.Chr. bracht een migratiegolf op gang van het Egeïsche-Zee-gebied richting Egypte en de Levant. Ik was begonnen uit te leggen dat het bewijsmateriaal echter zo eenduidig niet is. Het is lastig te dateren.

Het aardewerkprobleem

Een andere manier om migratie vast te stellen is kijken naar de verspreiding van deze of gene archeologische cultuur. Als we de voorwerpen die vóór 1200 v.Chr. gangbaar waren op Sardinië na een tijdje ook aantreffen in het Midden-Oosten, en als het daarbij niet alleen gaat om handelsaardewerk maar ook om keukenaardewerk, dan hebben we een aanwijzing voor migratie. Maar aardewerk is in deze periode niet alleen moeilijk te dateren, het is ook lastig te kwalificeren.

Lees verder “De Zeevolken: meer problemen”

De Zeevolken: de problemen

Het verwoeste paleis van Ugarit

In de stukken die ik tot nu toe wijdde aan de Zeevolken vatte ik samen hoe De Blois en Van der Spek in Een kennismaking met de oude wereld uitleggen wat er aan de hand was. Ze doen dat met alle voorzichtigheid die het onderwerp vereist, want veel is onduidelijk. Wat echter inmiddels wél zeker is, is dat er een klimaatverandering is geweest die het maatschappelijke aanpassingsvermogen te boven ging. Ik keek naar het bewijsmateriaal en wees erop dat dit viel te presenteren als een consistent verhaal: zo rond 1200 v.Chr. was er een klimaatomslag; volken uit het Griekse gebied raakten op drift; er was een noordwest-zuidoost-beweging van Zeevolken; steden werden geplunderd; het Hethitische Rijk ging ten onder; de vraag naar tin nam af; de interregionale handelsnetwerken stortten in; men schakelde over op ijzer. We zouden de migratie van de Frygiërs vanaf het zuidelijke Balkanschiereiland naar Anatolië nog kunnen toevoegen.

Complicaties

Het is mogelijk het bewijsmateriaal zo te presenteren, maar er zijn complicaties. De voorgaande alinea past mooi in een negentiende-eeuws frame dat beschavingen à la het West-Romeinse Rijk ten onder gingen door migraties. Dat was destijds een populaire analyse – om niet te zeggen: een koloniaal angstbeeld – maar het is voor de transitie van Oudheid naar Middeleeuwen achterhaald. Op drift geraakte stammen assimileerden en de veranderingen in het Mediterrane wereldrijk hadden vooral te maken met het feit dat het al van binnenuit verzwakt was. Iets dergelijks kan natuurlijk ook spelen bij de Zeevolken: die werden gevaarlijk doordat de oosterse grootmachten al verzwakt waren, waarbij de klimaatomslag die de Zeevolken het ruime sop deed kiezen, slechts één factor was. Moeten we niet zoeken naar andere factoren?

Lees verder “De Zeevolken: de problemen”

De Zeevolken: het bewijsmateriaal

Ramses III in actie (Medinet Habu)

In het eerste stukje over de Zeevolken – dat ook “het einde van de Bronstijd” had kunnen heten, vatte ik het handboek samen van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld. Ik legde uit waarom de auteurs terughoudend zijn: ons beeld is onvoldoende scherp en er zijn allerlei complicaties. Die zijn in twee groepen in te delen: enerzijds de oorzaak van de crisis en anderzijds de vraag of de beschikbare data niet wat al te makkelijk zijn geplaatst in een negentiende-eeuws sjabloon over de ondergang van de beschaving. Veel gegevens waren destijds ambigu en lieten zich passen in elk narratief; een deel van de gegevens is nog altijd voor meerderlei uitleg vatbaar.

Wat betreft de oorzaak: we hebben inmiddels zoveel gegevens dat wél duidelijk is dat rond 1200 v.Chr. in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee een periode aanbrak van droogte. Ik blogde er al over. Dat leidde tot een crisis en het wegvallen van de vraag naar tin, zodat de handelsnetwerken ook verdwenen, waarna men overschakelde van brons naar het overal vindbare ijzer. Alvorens te bezien of een consistent verhaal mogelijk is, moeten we het bewijsmateriaal eens bekijken.

Lees verder “De Zeevolken: het bewijsmateriaal”

De Zeevolken

Het democratische metaal ijzer: klappersteen uit Drenthe (Hunebedcentrum, Borger)

In de reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, wil ik het vandaag eens hebben over de Zeevolken. Maar eerst iets over wat een handboek eigenlijk is: het bevat de basiskennis die een student beheersen moet voordat hij of zij zich kan verdiepen in de eigenlijke discussies. De stof wordt in het handboekcollege een beetje geproblematiseerd, en wordt daarna werkelijk bekeken door middel van literatuurlijsten en vooral werkcolleges. Zo was het althans in mijn tijd; of het nog steeds zo is, weet ik niet. In elk geval: de Zeevolken zijn typisch een thema waarover een student in een handboek leest, dat een docent bij het handboekcollege problematiseert en dat zich leent voor een werkcollege om te tonen hoe complex het is.

De Blois en Van der Spek wijzen op een reeks verschijnselen op de overgang van de Bronstijd naar de IJzertijd. Er was een “concert van mogendheden”: Egypte, Assyrië, Babylonië en de Hethieten. Het laatste rijk viel rond 1200 v.Chr. uiteen en daaruit kwamen de Neo-Hethitische staten voort. Rond het Egeïsche-Zee-gebied kwam een einde aan de Mykeense paleisburchten. Steden als Ugarit werden verwoest en verlaten.

Lees verder “De Zeevolken”

Curtius of Anchouros?

Olielampje (Rheinisches Landesmuseum, Trier)

De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius kan het vaak aardig vertellen. Hier is, in de vertaling van mw. Van Katwijk-Knapp, een verhaal uit het zesde boek van zijn Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad:

In hetzelfde jaar zakte, naar men zegt, ten gevolge van een aardbeving of een andere natuurkracht ongeveer in het midden van het Forum de grond tot een onpeilbare diepte weg, waardoor een reusachtige kloof ontstond. Iedereen droeg aarde aan, maar men zag geen kans die bodemloze afgrond te vullen. Ten slotte gingen ze zich op aanwijzing van de goden afvragen wat de grootste kracht van het Romeinse volk uitmaakte; want, zo verkondigden de zieners, dat moest daar geofferd worden, als ze wilden dat het Romeinse Rijk eeuwig zou blijven voortbestaan.

Volgens het verhaal wees Marcus Curtius, een voortreffelijke jonge krijgsman, hen terecht: hoe konden ze eraan twijfelen of er iets goeds bestond dat meer karakteristiek was voor de Romeinen dan wapens en moed? … Hij hief de handen ten hemel, strekte ze toen uit naar de gapende kloof in de aarde en naar de schimmen van de onderwereld, en wijdde zich ten dode. Daarna besteeg hij in volle wapenrusting zijn paard, dat zo schitterend mogelijk was opgetuigd, en wierp zich in de afgrond. Een menigte van mannen en vrouwen gooide wijgeschenken en vruchten op hem neer.

Lees verder “Curtius of Anchouros?”