De normale rode achtergrond in een muurschildering (Archäologischer Park, Magdalensberg)
De redacteuren van de Thesaurus linguae Latinae zijn inmiddels klaar met de letter R, en dat betekent dat ze zich hebben beziggehouden met de kleur rood. Blijkbaar maakte men in het oude Rome onderscheid tussen allerlei roodtinten, die worden vertegenwoordigd door allerlei bijvoeglijke naamwoorden, waarvan er ongeveer twintig zijn te vinden bij de R. Ze zijn meestal afgeleid van de Indo-Europese stam *h₁reudh-.
Ruber
Het meest gebruikte woord voor “rood” is ruber, afgeleid dus van *h₁reudh, kon een breed spectrum aanduiden – van vuurrood, cinnaberrood, scharlakenrood, bloedrood of karmijnrood tot tinten die naar oranje neigden, zoals saffraan- of goudkleurig. Ook lichamelijke reacties werden taalkundig vastgelegd: men kon blozen, en daarom duidt rubor niet alleen de blos zelf aan, maar ook de verlegenheid.
Een Numidisch reliëf uit Sila dat Tacfarinas’ Musulamii vermeldt (Recueil des inscriptions libyques 808) in de tuin van het Musée de Cirta, Constantine.
Op de geschiedenis van Algerije in de Romeinse tijd bestaan ruwweg drie visies. Eén: de Romeinen kwamen de beschaving brengen aan de inheemse bevolking. Twee: de Romeinen waren onderdrukkers en hadden voortdurend te maken met inheemse protesten. Je zou dit de koloniale perspectieven kunnen noemen, want in beide visies is het beeld van de Romeinen beïnvloed door de praktijk van de Fransen, en in beide visies is een dichotomie verondersteld tussen Romeinen en niet-Romeinen.
Het derde perspectief benadrukt de relaties tussen de elites. De Romeinse bestuurlijke elite – een gouverneur, zijn officieren, de stedelijke bestuurders – werkten samen met de Maghrebijnse leiders: Numidische en Mauretanische dorpsoudsten en burgemeesters, de aanvoerders van groepen seizoensmigranten op de Hautes Plaines, de stamhoofden van de nomaden verder naar het zuiden. En dan waren er nog de vazallen: koning Juba II van Mauritanië en de magistraten van de Confederatio Cirtensis, die bestond uit de vier steden Cirta, Rusicade, Chullu en Mileu. Ik noemde dit gebied, niet onvergelijkbaar met de Dekapolis, al eens in een eerder blogje.
Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer nogal wat vooral kleine berichtjes. Zoals altijd krijgt u géén garantie dat de zaken waarnaar ik verwijs representatief of belangrijk zijn, en krijgt u wél mijn hoogstpersoonlijke oordeel over the good, the bad, and the ugly.
Indo-Europese paarden
Op de mooie website Neerlandistiek bespreekt Marc van Oostendorp vanmorgen vroeg een boek over paarden in de Indo-Europese wereld. De auteur van dat boek oppert een andere betekenis voor het oerwoord voor dat edele dier: h₁ék̑u̯os zou niet “snel” maar “ongehoorzaam” betekenen. Dat is, afgezien van een parallel bij Homeros, niet zo vermeldenswaard, maar Van Oostendorps blogje is wel een prachtige samenvatting van wat Indo-Europeanistiek is.
Lineair-A
Er is weer eens iemand die beweert het Lineair-A (een schriftsoort gevonden op Kreta) te hebben ontcijferd, en die claim uit juli ben ik daarna nergens meer tegengekomen. Dat maakt wantrouwend, want als het echt iets was geweest, hadden we wel meer gehoord.
Voor het goede begrip: er zijn onvoldoende tabletten om te controleren of een mogelijke oplossing correct is. Een onderzoeker baseert zich op een bepaald tekstcorpus, maar heeft controlemateriaal nodig, en momenteel zijn er simpelweg onvoldoende data om én een basis te hebben voor de ontcijfering én controlemateriaal. Je kunt de “code breken” maar niet weten of je oplossing klopt. We zullen de ontcijfering nog wel meemaken, want het corpus groeit langzaam maar zeker, maar volgens mij is de huidige claim op z’n best een klein stapje, en verdiende die vooralsnog geen publiciteit.
Cycladenidool (Museum für Kunst und Gerwerbe, Hamburg)
Een tijdje geleden nodigde ik u uit om te noemen wat u mooi vond. Dat had ik in 2015 al eens eerder gedaan, toen dit nog een kleiner blogje was, en ik was wel enigszins voorbereid op een respons die overeenkwam met de groei van de blog, maar de hoeveelheid schoonheid die u me toestuurde, was nogal overweldigend. Ik heb al geblogd over de mooie teksten waarmee u anderen bevoordeelde en over de mooie architectuur die we niet mogen vergeten. Vandaag een duik in de musea: welke sculptuur is een omweg waard?
Prehistorie
Die lijst kan alleen beginnen met een voorwerpje dat weliswaar veel te vroeg is maar ook behoort tot mijn favorieten: de Dame van Brassempouy in het museum in Saint-Germain-en-Laye (bij Parijs). Het is vijfentwintig millennia oud en gewoon prachtig. De volgende objecten uit de lijst zijn een stuk jonger: twee mensen noemden de beeldjes (“idolen”) die in het derde millennium v.Chr. zijn gemaakt op de Cycladen. Elk museum bezit wel een Cycladenidool, maar het grootste overzicht is het weinig bezochte Museum voor Cycladische Kunst in Athene.
Pop uit een voodoo-ritueel (Landesmuseum, Hannover)
Wie kennismaakt met de klassieke wereld en religie, zal doorgaans eerst iets leren over de twaalf Olympische goden en hun mythen, en eventueel later met nog wat andere goden. Daar is niets mis mee; je moet ergens beginnen. Het is echter maar de vraag of de gemiddelde Griek of Romein het even belangrijk vond. Die Olympiërs, zou men hebben gedacht, dat waren staatsgoden, en op officiële feestdagen schoof je aan bij het feestmaal in de tempel, maar verder had je er niet mee te maken. Een Iberische boer die begon te zaaien, offerde aan de lokale vruchtbaarheidsgodin Ataegina en vroeg bij de oogst de zegen van een rabbijn – praktijken die nog in de christelijke tijd zijn gedocumenteerd.
En verder waren er allerlei magische rituelen, waar de chique auteurs van onze geschreven bronnen de neus voor ophaalden, maar die een zeer substantieel deel vormden van het geheel van antieke geloofspraktijken. Over de loden vervloekingstabletten (zoals uit Tongeren) heb ik vaker geschreven, vandaag iets wat ik maar een voodoo-pop noem.
Het beeldje hierboven is maar half. Er hoort nog een onderlichaam bij. En als dat er was, zouden kunsthistorici dit soort beeld vermoedelijk aanduiden als een togatus, iemand die een toga droeg: een zwaar, wollen kledingstuk dat je met enig recht zou kunnen beschouwen als nationaal Romeins gewaad. Vergelijk het met de Duitse lederhosen, de Boliviaanse poncho’s, de Schotse kilt, de Mexicaanse sombrero, de Indonesische sarong en de Nederlandse klompen. Keizer Augustus bepaalde dat bezoekers van het Forum Romanum verplicht een toga moesten dragen: de Romeinen waren immers een gens togata.
Maar deze togatus is een beetje vreemd. Normaal gesproken sloeg een man de toga over zijn linkerschouder en linker bovenarm, liet hij die vrij diep over de rug en rechterheup vallen, en sloeg hij de punt weer over de linkerschouder. De rechterarm was, doordat de toga aan de rechterzijde zo diep viel, redelijk vrij. De jonge man hierboven, die u zo rond 250 na Chr. moet plaatsen, draagt de toga iets anders. Dit is een zogeheten toga contabulata, die is gemaakt van bijna vervilte stroken wol en heel andere plooien mogelijk maakt.
Tot de opmerkelijkste vondsten Gholaia (Bu Njem), een van de castella aan de Limes Tripolitanus, behoort een verzameling militaire notities op ostraca (beschreven aardewerkscherven). Ze bieden een zeldzaam inzicht in de Romeinse aanwezigheid aan de rand van de woestijn. Voor het Thesaurus linguae Latinae-lemma repungo mocht ik drieëndertig van die scherven bekijken. Het gaat om lijsten uit de jaren 253 tot 259 waarop de diverse dagtaken staan vermeld. Hier is een voorbeeld dat ik zelf ook niet kan lezen, maar door Robert Marichal is ontcijferd:
Een tijdje geleden vroeg ik u te noemen wat u mooi vond uit de Oudheid en omdat de respons me overweldigde, heb ik tot nu toe alleen nog maar over mooie teksten geschreven. Vandaag neem ik u mee langs voorbeelden van architectuur waarop de lezers van deze blog elkaar attenderen. Er zitten verrassende keuzes bij.
Prehistorie
Eén zo’n verrassing was dat vier monumenten uit de Atlantische Prehistorie werden genoemd. Om te beginnen de megalieten van Carnac, weliswaar “strikt genomen geen Oudheid” maar wel zo’n plek waar iemands liefde voor de oude wereld kan ontluiken. Even oud als het spijkerschrift en onze hunebedden zijn de megalieten van Callanish op de Hebriden en de grafheuvel van Newgrange. Skara Brae op de Orkney-eilanden is wat jonger en werd tweemaal genoemd. Dit kleine dorp is opgegraven door niemand minder dan Gordon Childe.
Vandaag blogje numero 7500, en ik wijd het aan een van de grote vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis: Veleda. De enige keer dat ik iets zag dat in de verte leek op een standbeeld, was een reliëf in Regensburg, in het Walhalla. Maar misschien moeten we daar eens verandering in gaan brengen.
Om te beginnen: Veleda was (althans volgens de Romeinse auteur Publius Cornelius Tacitus) een van de belangrijkste personages uit de Bataafse Opstand, namelijk de profetes die de diverse Germaanse groepen het vertrouwen gaf voor de strijd tegen Rome. Zelf behoorde ze tot de Bructeren, die leefden van de Achterhoek tot aan de Lippe in Duitsland.
De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek waarin dit de alweer zesde aflevering is: we laten oudheidkundigen aan het woord over hun onderzoek en hun visie op het wetenschappelijk proces. Vandaag is het woord aan rechtshistorica Renske Janssen, die eerder een bekroond proefschrift schreef over de juridische kant van de vervolging van joden, waarzeggers en christenen, Marginalized Religion and the Law in the Roman Empire. Ze is tevens de initiatiefnemer van de vlogserie Wegen naar Rome.
Wat bestudeert u?
Ik werk aan recht en bestuur in het Romeinse Rijk, met name de periode tussen ca. 100 v.Chr. en 250 na Chr. Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe het recht in de dagelijkse praktijk werkte en hoe mensen die geen juridische experts waren daarover nadachten. Aan welke criteria moest een goede wet volgens hen voldoen, wiens belangen moest het recht beschermen en in welke mate bestond er voor hen een verband tussen recht en rechtvaardigheid? De situatie in de Romeinse provincies is hierbij bijzonder interessant. Als Rome de macht over een bepaald gebied overnam, betekende dat niet dat lokaal recht en bestuur ook meteen werd vervangen – sterker nog, dat zou waarschijnlijk erg onpraktisch zijn geweest. Dat betekent dus dat we niet alleen over de keizer en de gouverneur moeten nadenken als we willen weten hoe de Romeinse wereld functioneerde, maar ook over de rol van de lokale bevolking.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.