Griekse politicologie

Een beautycase (“pyxis”) versierd met paarden: een typisch aristocratisch voorwerp (Agoramuseum, Athene)

Bert van der Spek, samen met Luuk de Blois auteur van het handboek dat wij inmiddels zo goed kennen, wil nog weleens benadrukken dat Griekenland en Rome dienen te worden bestudeerd met het Nabije Oosten. Het is helaas nodig dit te benadrukken. De bijdragen van de Akkadisch- en Arabischsprekende culturen aan de westerse cultuur zijn nog altijd onderschat. Terwijl de Griekse creativiteit wordt overschat.

Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat er nooit iets origineels gebeurde in Griekenland. Van der Spek attendeerde me er bijvoorbeeld eens op dat er nergens in de spijkerschriftliteratuur iets is gepubliceerd dat in de verte leek op de Politika van Aristoteles. Of, iets algemener, op het Griekse denken over staatsvormen. Zeg maar de politicologie.

Lees verder “Griekse politicologie”

Historische gebeurtenis: de Lex Roscia

Kleio, muze van de geschiedvorsing (El Djem, Huis van de Maanden)

Ik heb het niet gecontroleerd, maar volgens mij betekent “historische gebeurtenis” precies niks. Het is een clickbait-term waarmee journalisten of politici u ervan willen overtuigen nog even te verwijlen bij iets dat doorgaans over een week vergeten is. Vroeger, toen ze nog Élysée-verdragen sloten en Nixons nog naar China gingen, vroeger hadden ze historische gebeurtenissen.

Zoals de Lex Roscia, de Wet van Roscius, van 11 februari 49 v.Chr. Dit is het betere historische gebeuren. Eerst iets over de situatie, daarna iets over het diepere belang en daarna iets over het nog diepere belang.

De situatie

De situatie: Julius Caesar, die zich geschoffeerd voelde door de Senaat, was met een leger van de Povlakte Italië binnengetrokken. Terwijl het ene in Gallië getrainde legioen na het andere zich bij hem voegde, ontdekten de Senaat en zijn generaal Pompeius dat ze geen enkele steun hadden. Niemand in Italië wilde sneuvelen voor een corrupte elite – wat overigens niet wil zeggen dat men wel wilde sterven voor Caesar. Zie voor dit alles hier en hier en hier.

Lees verder “Historische gebeurtenis: de Lex Roscia”

Koning en hoveling

Het defilé in Persepolis begint: de hoveling rechts kondigt het begin aan (Nationaal Museum Teheran)

Het bovenstaande reliëf uit Persepolis is een van de beroemdste uit de Perzische kunst. Middenin zit de koning. Je mag hem Darius noemen, omdat het reliëf is bedacht tijdens zijn regering, of Xerxes, omdat het tijdens zijn regering is gemaakt. In feite is het gewoon De Koning. De afbeelding lijkt een feest te weer te geven dat we voor het gemak zouden kunnen gelijkstellen aan het Nederlandse Prinsjesdag: de dag waarop de monarchie door het volk wordt bevestigd. In Nederland gebeurt dat met de troonrede, waarin de koning alle mooie plannen bekendmaakt, en roept iemand “leve de koning!”; in Perzië deelden de mensen over en weer geschenken uit.

Het defilé staat op het punt te beginnen en van rechts komt een hoffunctionaris aanlopen die de gasten aankondigt. Links van de koning – meer dan menshoog afgebeeld – staat zijn beoogde troonopvolger, ook wat groter dan de anderen. Ze hebben ruikers in hun hand om hun verheven positie aan te geven. Achter de kroonprins een religieuze functionaris, een doek voor de mond, en ’s konings wapendrager. De doek voor de mond heeft dezelfde functie als de twee wierookbranders middenin: de koning moet leven tussen de aangename geuren, dus geen mondgeur als iedereen hem een kushand toe blaast. Bedenk dat dit een tijd was waarin een rotte tand niet werd gevuld maar bleef rotten.

Lees verder “Koning en hoveling”

Edward Gibbon (1)

Gibbon

Net als Winckelmann, over wie ik al eens blogde, was de Britse historicus Edward Gibbon (1737-1794) in staat de oudheidkunde te vernieuwen doordat hij een betrekkelijke buitenstaander was. Toch is er geen groter contrast denkbaar dan dat tussen de schoenlapperszoon Winckelmann en de aristocratische Gibbon, die Engelands beste scholen had bezocht. Desondanks vond hij in Oxford het onderwijs zó steriel dat hij zich, zoals hij het later zou verwoorden, “dreigde te verliezen in de dwalingen van de kerk van Rome”. Dit was voor een Engelse lord een ernstige zaak, want katholieken konden geen zitting nemen in het Hogerhuis. Vader Gibbon greep dus in vóór de ongelukkige student de familie-eer op het spel had kunnen zetten en stuurde hem naar Lausanne, waar de jonge Gibbon terechtkwam in een heel ander geestelijk klimaat. Vervuld van Verlichtingsideeën en met het voornemen een geschiedwerk te gaan schrijven, keerde de jongeman terug naar zijn vaderland.

Daar wachtte hem eerst de militaire dienst. Een nuttige activiteit, zou hij later oordelen, althans om een historicus te scholen. (Om dezelfde reden zou hij tussen 1773 en 1781 zitting nemen in het parlement.) Tijdens zijn legerjaren schijnt Gibbon het hoofd al gebroken te hebben over een van de belangrijkste kwesties van die tijd, namelijk de vraag of er een einde kon komen aan de vooruitgang. Hoe dramatisch de ineenstorting van een beschaving feitelijk is, lijkt echter pas tot hem te zijn doorgedrongen toen hij tijdens een reis naar Italië de ruïnes van Rome zag. Hoewel hij in zijn autobiografie anders zou beweren, dacht hij toen nog niet aan het schrijven over de ondergang van het Romeinse Rijk, want zijn eerste poging tot geschiedschrijving was een boek over de vrijheid van Zwitserland. Daarin wilde hij beargumenteren dat de beste garantie voor de vooruitgang lag in de burgerlijke vrijheid.

Lees verder “Edward Gibbon (1)”

Het einde van de Romeinse Republiek (4)

Caesar, die de Romeinse Republiek liquideerde (Altes Museum, Berlijn)

[In de twee eerste stukjes beschreef ik het uitbreken en verloop van de Romeinse burgeroorlog tussen enerzijds Julius Caesar en anderzijds Pompeius en de Senaat. In het derde stukje kwam Caesars overwinning bij Farsalos aan de orde.]

De zieltogende Romeinse Republiek

Veel van de conservatieve senatoren die zo’n belangrijke rol hadden gespeeld bij het uitbreken van de Tweede Burgeroorlog hoefden niet te zien dat hun overwinnaar zich steeds autocratischer zou gaan gedragen: ze waren gesneuveld. Toen Caesar hun lijken zag, kon hij slechts schamperen dat ze ’t hadden gekregen zoals ze het hebben wilden. Pompeius, die de oorlog niet had gewild, was te trots om Caesar genade te vragen en voer naar Alexandrië, waar hij werd vermoord. Zijn verslagen manschappen werden door Caesar opgenomen in vier nieuwe legioenen, die dienst zouden doen in de oostelijke provincies. Met drie van deze eenheden en zijn oude VI Ferrata zou Caesar in 47 een lokale leider in Noord-Turkije verslaan in een gevecht dat zou zijn vergeten als de zegevierende generaal de campagne niet had samengevat met de gevleugelde woorden “ik kwam, zag, overwon”.

Caesars mannen waren bereid voor hem door het vuur te gaan of, zoals het staat verwoord in de Aantekeningen bij de Spaanse Oorlog, de hemel voor hem te doen instorten. Crastinus, die zijn generaal voor de veldslag bij Farsalos had beloofd dat deze hem dankbaar zou zijn, was hem loyaal tot in de dood. Die trouw vloeide niet alleen uit voort uit het feit dat Caesar de soldij van zijn legionairs had verdubbeld, al zal dat ongetwijfeld een rol hebben gespeeld. Ze had er ook meer te maken dat de veldheer zich gedroeg als legionair en het goede voorbeeld gaf. In de aantekeningen bij de diverse oorlogen toont hij hoezeer hij hun mentaliteit deelde: voor hen was belangrijk wie zich dapper gedroeg en Caesar vermeldt regelmatig manschappen die zich onderscheidden.

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (4)”

Behistun en Herodotos

Darius (meer dan manshoog) en achter hem Xerxes (bijna een kop groter dan de rest van de aanwezigen) staan op het punt de representanten van de onderworpen volken te gaan ontvangen. De hoveling rechts kondigt het begin aan van het defilé. Links twee wachters, de koninklijke wapendrager en de opper-magiër, helemaal rechts nog twee wachters. (Nationaal Museum Teheran)

Met een oog op de laatste dagen van de Irantentoonstelling in het Drents Museum heb ik de afgelopen dagen geblogd over de inscriptie van Behistun: de sleutel om het spijkerschrift te ontcijferen, het model voor de beschrijving die Herodotos gaf van de staatsgreep van de Perzische koning Darius én een verhaal dat Herodotos heeft laten liggen.

Als u de twee voorafgaande stukken hebt gelezen, waarin ik vertelde over de burgeroorlog die uitbrak ná Darius’ staatsgreep, dan kunt u een vermoeden hebben waarom Herodotos er niet op inging: het is eigenlijk nogal saai – en dan heb ik het nog niet gehad over de eigenlijke inscriptie, die helemáál stereotiep is. Ik beken dat ik de amusementswaarde van Herodotos’ vertelling over Darius’ inname van Babylon aanzienlijk hoger vind dan het gortdroge verhaal uit de Behistuninscriptie. Dat zullen de Grieken ook wel hebben gevonden, want die zullen het verhaal van Zopyros hebben herkend als een knipoog naar het (ons alleen uit een uittreksel bekende) epische gedicht Ilioupersis. Daarin viel te lezen dat de Griek Sinon zich aandiende bij de Trojanen en hun op de mouw spelde dat ze het Trojaanse Paard moesten binnenhalen. (Vondels Vosmaer de Spie is een derde voorbeeld van dit motief.)

Lees verder “Behistun en Herodotos”

Zosimos’ staatsleer

De oude goden waren voor Zosimos reëel (detail van de Elgin Marbles, British Museum)

Ik heb op deze plek al eens eerder verteld over Zosimos, de Byzantijnse auteur die in feite de eerste historicus is geweest van de Val van het Romeinse Rijk. Aan het begin van de zesde eeuw beschreef hij hoe het wereldrijk werd bedreigd, hoe de bestuurders – de keizers Constantijn en Theodosius voorop – fout op fout stapelden en zo vrij baan gaven aan de barbaren.

Barbaren die eigenlijk zo heel barbaars niet waren. Een Alarik, die in 410 Rome belegerde, wilde vrede en bood alleszins redelijke voorwaarden aan de stad die hij blokkeerde, maar de burgers wezen die af. Als ze hun eed nooit te capituleren nou bij de goden hadden afgelegd, zeiden ze, hadden ze mogen rekenen op de goddelijke mildheid, maar ze hadden gezworen bij de keizer en dat was natuurlijk iets anders. Door dit antwoord werd de plundering van Rome onafwendbaar en voor Zosimos was dit het beste bewijs dat wie de oude goden verliet, alleen kon afstevenen op het allerergste.

Lees verder “Zosimos’ staatsleer”

Cyrus, Harpagos en Astyages

Het terras van de citadel van Pasargadai, Cyrus’ residentie.

[Tweede deel van het oosterse sprookje over de ondergang van de Medische koning Astyages en de opkomst van de Perzische heerser Cyrus. Ik ga het niet samenvatten. U moet het eerste deel maar lezen – het begint hier.]

Alles leek goed te zijn gekomen en die avond was het feestmaal, waarbij Harpagos, die toch ’s konings bevelen niet had opgevolgd, van Astyages een ereplaats kreeg. Wat hij niet wist, was dat de koning in de tussentijd Harpagos’ zoon had laten doden, braden en serveren. Anders gezegd, hij had zijn eigen kind opgegeten. En met deze excessieve straf riep Astyages zijn ondergang over zich af.

Astyages stuurde Cyrus naar zijn echte ouders, Kambyses en Mandane. Terwijl de jongeman in Perzië opgroeide, zon Harpagos op wraak. Zelf kon hij de rekening niet vereffenen, maar met hulp van de populaire Cyrus zag het er anders uit.

Harpagos had al een eerste stap gedaan door de Medische edelen tegen hun vorst op te zetten. Op elke belangrijke Mediër praatte hij in dat het alleen maar gunstig voor ze was als Cyrus de macht zou krijgen in plaats van Astyages, die zijn volk wreed behandelde.

Lees verder “Cyrus, Harpagos en Astyages”

De wet die geen wet was

Lex de imperio Vespasiani (Capitolijnse Musea, Rome)
Lex de imperio Vespasiani (Capitolijnse Musea, Rome)

Ergens rond het jaar 125 schreef de Romeinse auteur Suetonius zijn beroemde keizerlevens, waarin hij vertelt dat Tiberius, de geadopteerde zoon van keizer Augustus, de inhoud openbaar maakte van een brief waarin Tiberius’ broer Drusus zou hebben voorgesteld Augustus te dwingen de republiek te herstellen (Suetonius, Tiberius 50.1).

De biograaf had toegang tot de Romeinse rijksarchieven, maar we weten niet of deze informatie betrouwbaar is. (We hebben namelijk geen idee wat we ons moeten voorstellen bij een Romeins rijksarchief.) Indien Suetonius zich echter op een betrouwbaar document baseert, is dit een van de zeer schaarse aanwijzingen dat de Romeinse elite zich er al in de dagen van Augustus van bewust was dat de dagen van de republiek voorbij waren en het staatsbestel was veranderd in een monarchie.

Lees verder “De wet die geen wet was”

De Cyruscilinder

De Cyruscilinder. Dit is geen mensenrechtendocument.

De Cyruscilinder werd ontdekt in 1879 en was op slag een van de beroemdste teksten uit de oude wereld, omdat joodse en christelijke apologeten het voorwerp benutten om te bewijzen dat de Bijbel historisch betrouwbaar was. Dat was echter niet het enige propagandistische gebruik van de cilinder, die tot in onze eigen tijd vooral wordt misbruikt voor politiek gewin.

Cyrus’ eigen boodschap

Het is een van de bekendste feiten uit de oude geschiedenis: in oktober 539 v.Chr. veroverde de Perzische vorst Cyrus de Grote de culturele hoofdstad van de oude wereld, Babylon. Het was niet de eerste keer dat de metropool een nieuwe heerser kreeg, maar in het voorgaande millennium waren de vorsten altijd afkomstig geweest uit het Tweestromenland. Cyrus was echter een machtige nomadenleider, die niet alleen over zijn eigen stam gezag uitoefende, maar ook over andere nomaden uit het huidige Iran en Afghanistan. Bovendien had hij in Turkije de Armeniërs en Lydiërs aan zich onderworpen. En nu voegde hij dus het Babylonische Rijk toe, dat bestond uit Irak, Syrië, Libanon en Israël/Palestina.

Lees verder “De Cyruscilinder”