De Rostra

De Rostra uit de Keizertijd

Rome heeft, om er eens een cliché tegenaan te gooien, nogal wat monumenten waar een geschiedenis aan zit. Eén van die plekken is het sprekersplatform op het Forum Romanum. Of beter, op dat deel van het Forum Romanum dat het Comitium heette en dat lag voor het Senaatsgebouw. Van het oorspronkelijke platform, de zogeheten Rostra, is niets over, afgezien van een kniehoge steen voor het huidige Senaatsgebouw.

Maar die kniehoge steen hè. Daar zitten verhalen aan vast. De Grieks-Romeinse auteur Ploutarchos beschrijft hoe redenaars zich vanaf dit platform richtten tot hun toehoorders:

Wanneer ze het volk toespraken, bleef Tiberius Gracchus rustig op één plaats staan, maar Gaius was de eerste Romein die op het Sprekerspodium heen en weer liep en tijdens het spreken zijn toga van zijn schouder wierp … Bovendien intimideerde Gaius zijn gehoor met een spreekstijl die op het pathetische af hartstochtelijk was, maar hanteerde Tiberius een stijl die mild was en gericht op het wekken van mededogen. Tiberius’ woordkeuze was correct en goedverzorgd, die van Gaius meeslepend en briljant.noot Ploutarchos, Tiberius Gracchus 2.2-3; vert. F.J.A.M. Meijer en J.A. van Rossum.

Lees verder “De Rostra”

De Dei Consentes

De porticus van de Dei Consentes (rechts), met links de Saturnustempel en vooraan de tempel van Vespasianus

Een van de opvallendste en tegelijk minst bekende monumenten van het oude Rome is te zien op de oostelijke helling van het Capitool, vanaf het Forum Romanum bezien recht achter de Tempel voor Saturnus en voor de massieve bogen van het gebouw dat bekendstaat als Tabularium. Of die laatste naam verdiend is, is een andere kwestie. Maar het gaat me vandaag om bovenstaand portiek. Het was gewijd aan de Dei Consentes, wat een andere naam was voor de twaalf Olympische goden. Die klinken ons vertrouwd in de oren en ook er zijn meer cultusplaatsen voor dit dozijn bekend, zoals het Dodekatheon van Barcelona. Desondanks is de verering van deze twaalf redelijk zeldzaam in de antieke cultuur.

De Romeinen hebben de cultus voor dit twaalftal ingevoerd in 217 v.Chr., aan het begin van de Tweede Punische Oorlog. Hannibal was de Alpen overgestoken, bedreigde Italië en de schrik zat er goed in. De geschiedschrijver Titus Livius vertelt dat aan de eerste plechtigheid alleen mensen mochten deelnemen die enig bezit hadden en dus zorg droegen voor het algemeen welzijn. De logica van het “dus” was dat alleen mensen met eigen land krijgsdienst deden en belasting betaalden. Van de armen, die ten tijde van oorlog niets – althans geen land – hadden te verliezen, werd niet verwacht dat ze oprecht bezorgd zouden zijn om de openbare orde en vrede:

Lees verder “De Dei Consentes”

Juvenalis over Rome: meer overlast

Een lid van de Romeinse ordetroepen (Nationaal Museum, Rome)

In het vorige blogje introduceerde ik de Derde Satire van Juvenalis (ca.60 – ca.135), waarin de dichter het leven hekelt in de woonwijken van Rome. Het door Juvenalis opgevoerde personage had een hekel aan buitenlanders, maar dat was niet zijn enige bezwaar tegen de grote stad. In het vervolg beschrijft Juvenalis de rest van de stedelijke ellende, zoals het lawaai. De vertaling is van Marietje d’Hane-Scheltema.

…Het volk
lijdt hier, ja sterft aan slaapgebrek, een kwaal
die gepaard gaat met slechte spijsvertering
en zuur en maagkramp, omdat huuretages
geen slaap gedogen. Nachtrust is in Rome
slechts rijkelui gegund. Vandaar die kwalen…
Het wielgeratel in de kronkelstraten,
het schelden van het opgepropt verkeer
houdt Jan en alleman wakker.

Lees verder “Juvenalis over Rome: meer overlast”

Juvenalis over Rome: vreemdelingenhaat

Grafsteen van Habib, zoon van Annubat, uit Palmyra; let op de Aramese tekst (Via Appia, Rome)

Rome was een smerige grote stad, zoals ik in het vorige stukje aangaf. De problemen waren, om zo te zeggen, objectief groot. Een ander probleem was meer een kwestie van perceptie: niet iedereen was blij met het multiculturele karakter van de grote stad. Met een woord van de Leuvense onderzoeker Maarten Larmuseau: het centrum van het Romeinse Rijk was gekoloniseerd vanuit de periferie.

Vreemdelingenhaat

De Romeinse satiricus Juvenalis (ca.60 – ca.135) presenteert in zijn Derde Satire iemand die moeite heeft met al die buitenlanders. De vertaling is van Marietje d’Hane-Scheltema.

“Ik aarzel niet er recht voor uit te komen
dat ik vooral één mensengroep ontwijk,
de lievelingen van het rijke Rome:
die Griekse droesem, waar die stad van ons
verziekt van is – en veel meer buitenlanders!”

Lees verder “Juvenalis over Rome: vreemdelingenhaat”

Leven in het oude Rome

Maquette van een Romeinse flat uit Ostia (Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

Wie Rome heeft bezocht – en ik denk dat heel veel lezers van deze blog er wel eens zijn geweest – heeft gestaan bij de steile trap naar de Santa Maria in Aracoeli, bovenop het Capitool. Aan de voet ervan is de bakstenen ruïne te zien een oud Romeins flatgebouw. Drie verdiepingen steken boven de grond uit, twee liggen onder het straatniveau. Wat overigens veel zegt over de overstromingen van de rivier de Tiber voordat deze eind negentiende eeuw werd gekanaliseerd. Op de onderste verdieping van het oude gebouw waren vrijwel zeker winkeltjes gevestigd, daarboven waren woonhuizen en op de zolder woonden sloebers in kamers zonder ramen.

In onze tijd zou de gemeente overbevolkte flats zonder aansluiting op de riolering en met raamloze bovenverdiepingen onbewoonbaar verklaren, maar in de Oudheid golden ze als redelijk onderkomen voor de stedelijke bevolking. Vitruvius, de auteur van een Handboek bouwkunde, was enthousiast:

Lees verder “Leven in het oude Rome”

De Europese canon (26-30)

De Capitolijnse Musea

Het zevende blogje in de reeks over de Europese historische canon behandelt het tijdperk van de revoluties, zeg maar de achttiende eeuw.

Het museum

Periode: 1734

De Capitolijnse Musea in Rome gelden als het oudste museum ter wereld, al waren er natuurlijk altijd rijke mensen met mooie verzamelingen, die ze graag aan anderen toonden. De collectie op het Capitool, waar het Romeinse stadhuis staat, gaat terug tot 1471, toen paus Sixtus IV een paar bronzen beelden schonk aan de stad. Daar kwam sindsdien een enorme collectie standbeelden en inscripties bij.

Wat in 1734 nieuw was, was dat de stad het museum open stelde voor het publiek. Kunst was niet langer iets van de eigenaren, maar werd het gemeenschappelijk bezit van de mensheid. Het museum bestond ooit uit één vleugel naast het raadhuis, daar kwam al snel een tweede vleugel bij; in de twintigste eeuw annexeerde het museum een aangrenzend paleis en de laatste uitbreiding is een ondergrondse corridor onder het stadhuis. Het beroemdste stuk op het Capitool is de middeleeuwse wolvin.

Lees verder “De Europese canon (26-30)”

Het Palladium

Palladium (Altes Museum, Berlijn)

In Jan van Akens recentste roman Het xoanon zitten wappies achter het Palladium aan, een oud beeld van de godin Athena dat, als het gevonden kan worden, de wereldgeschiedenis misschien een andere loop kan geven. Dat beeld was volgens de antieke bronnen afkomstig uit het oude Troje en belandde uiteindelijk, na wat omzwervingen, in Constantinopel.

Of beter, een van die beelden belandde in Constantinopel. Er zijn er minstens zestien geweest, die alle dienden als een soort talisman die deze of gene stad moest beschermen. We weten van elf Griekse en vijf Italische steden dat ze een Palladium bezaten.

Lees verder “Het Palladium”

Caesar en de stroopsmeerders

Caesar als halfgod. Een heros heeft natuurlijk geen schoenen nodig. (Archeologisch museum van Zadar)

Als ik u zeg dat het 25 quintilis was en toevoeg dat het was in het jaar waarin Caesar en Lepidus het consulaat bekleedden, en als ik dat omreken naar 26 mei 46 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat dit een stukje is in de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

Hij kwam aan in Rome. Hij zal naar zijn ambtswoning zijn gegaan op het Forum Romanum: hij was immers niet alleen consul, maar ook Romes hogepriester. Zijn echtgenote Calpurnia zal er op hem hebben gewacht. Kleopatra, haar dertienjarige echtgenoot Ptolemaios XIV en haar zoon Caesarion bracht hij onder in een huis aan de Tiber. Ploutarchos vertelt:

Hij hield een trotse rede voor het volk over zijn overwinning. Hij verklaarde dat hij zo’n groot land had onderworpen dat het hun staat jaarlijks 200.000 Attische schepels graan zou leveren en 3.000.000 liter olijfolie.noot Ploutarchos, Caesar 55; vert. Hetty van Rooijen.

Dat was niet onbelangrijk voor een stad die zijn achterland was ontgroeid en was aangewezen op de import van graan om te overleven.

Lees verder “Caesar en de stroopsmeerders”

De joodse Diaspora (2)

Joods grafschrift uit Rome (Museo nazionale delle terme, Rome)

In het vorige stukje noemde ik de plaatsen waar aan het begin van de jaartelling Joden leefden. Dat was eigenlijk in de hele antieke wereld.

Variatie

Het gaat om groepen wier interne autonomie door het Romeinse Recht werd erkend, wat ook logisch was, want men kon alleen leven naar de eigen regels als de rest van de stedelijke gemeenschap daar een beetje rekening mee hield. Flavius Josephus biedt een opsomming van de rechten die Julius Caesar in een dozijn steden verleende aan de Joodse minderheden.

Ik gebruik tot nu toe de hoofdletter J, want tot nu toe ging het nauwelijks om religie. Maar de verspreiding van het volk betekende wel dat variatie ontstond in de joodse godsdienstige gebruiken en ideeën. Er waren allerlei afwijkingen van wat in het moederland gangbaar was. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat Diaspora-Joden tijdens de sabbat vastten, wat mogelijk een manier was om in een overwegend niet-Joodse omgeving de spijswetten en sabbatsrust enigszins in acht te nemen. Later zou men in Rome het paaslam slachten zoals men dat in Jeruzalem had gedaan toen de tempel er nog stond, hoewel deze gewoonte in Judea was afgeschaft.

Lees verder “De joodse Diaspora (2)”

De evocatio van Koningin Juno

Koningin Juno (Villa Giulia, Rome; © Wikimedia Commons | gebruiker Giuseppe Savo)

In het zuiden van het historische centrum van Rome ligt de heuvel Aventijn. Het is tegenwoordig een rustige woonwijk waar betrekkelijk weinig oudheidkundig bodemonderzoek is verricht. Het is echter zeker dat in de buurt van de huidige kerk van Santa Sabina (een van de mooiste kerken van Rome) de oudste tempel heeft gestaan voor de godin die de Romeinen Koningin Juno noemden. Van oorsprong was zij een Etruskische godin die Uni heette; ze gold als zuster en echtgenote van Aplu ofwel Apollo.

Dit heiligdom was aan deze godin beloofd door de Romeinse veldheer Marcus Furius Camillus, toen deze aan het begin van de vierde eeuw v.Chr. op het punt stond de Etruskische stad Veii in te nemen. De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius heeft daarover het volgende te vertellen:

Toen trad de gezagvoerder, na de vogeltekenen te hebben waargenomen, naar buiten en gaf de soldaten de order zich te wapenen. “Onder uw leiding, Pythische Apollo,” sprak hij, “en bezield door uw goddelijke almacht, ga ik nu voorwaarts om de stad Veii te vernietigen; aan u wijd ik een tiende van de buit. En u, Koningin Juno, die nu in Veii woont, smeek ik om, wanneer wij hebben gezegevierd, met ons mee te gaan naar onze stad, die spoedig ook de uwe zal zijn en waar een tempel, uw verheven grootheid waardig, u zal ontvangen.”noot Livius 5.21.1-3; vert. F.H. van Katwijk-Knapp.

Lees verder “De evocatio van Koningin Juno”