De nachtwacht van Oxyrhynchos heeft een verzoek aan de politie. Om bewustzijn voor het belang van hun opgraving te creëren, zorgden Grenfell en Hunt ervoor dat ook musea buiten Oxford beschikking kregen over delen van het materiaal. Daarom is dit verzoekschrift te zien in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.
Mijn vorige blogje over Oxyrhynchos rondde ik af met een opmerking over het kadaster. Dat was een voorbeeld van een administratief document. Daarover nu het een en ander.
Het dagelijks leven
Uit Oxyrhynchos kennen we belastingaangiften, vergunningen, een beschrijving van restauratiewerkzaamheden, aktes, regelgeving, het rapport van een lijkschouwer, verzoekschriften, notulen van rechtszaken, aantekeningen van een volkstelling, juridische paperassen, een verslag van werkzaamheden aan de afwateringskanalen en documenten met betrekking tot de graanuitdeling aan de armen. Een apart genre is de acclamatie, waarmee de volksvergadering of een andere samenkomst van burgers loftuitingen richtte tot de gezagsdragers.
Ook in Oxyrhynchos las men Sallustius’Oorlog tegen Jugurtha (Neues Museum, Berlijn)
In het vorige stukje vertelde ik iets over de werkzaamheden van Bernard Grenfell en Arthur Hunt aan het begin van de vorige eeuw in Oxyrhynchos. Ze slaagden erin vele tienduizenden papyri te bergen voordat ze unprovenanced op de zwarte markt zouden komen, waar ze geen wetenschappelijke waarde meer zouden hebben. In dit tweede blogje iets meer over wat de betekenis is van hun vondsten. Eerst het christelijke materiaal dat de belangstelling van de opgravers het meeste had, daarna de rest.
Christelijke teksten
Tot op heden zijn uit Oxyrhynchos vijftien fragmenten uitgegeven van het Evangelie van Mattheüs en veertien van het Evangelie van Johannes. De andere canonieke evangeliën, Marcus en Lukas, zijn met elk twee exemplaren vertegenwoordigd en dat is dus minder dan de tien exemplaren van de Herder van Hermas, een christelijke tekst die nooit tot de canon is gerekend maar in Oxyrhynchos dus goed was vertegenwoordigd. Hier hebben we een doorkijkje naar een pluriform christendom uit de periode voor er behoefte was aan orthodoxie.
(Tussen haakjes: een van de twee Marcus-fragmenten is de beruchte Eerste-eeuwse Marcus. U zult zich herinneren hoe Dirk Obbink een bevriende oudheidkundige manipuleerde om de prijs op te drijven.)
Een bewoner van Oxyrhynchos, afgebeeld met schrijfgerei (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Nou blog ik afgelopen laatst over de Kopten en noem ik in dat stukje Oxyrhynchos, maar ik heb nog nooit over Oxyrhynchos geblogd! Tijd voor wat background repair.
Geschikte plek
Ik noemde al dat de Oxfordgeleerden Bernard Grenfell (1870-1926) en Arthur Hunt (1871-1934) er vanaf 1896 een soort noodopgraving deden. Ze wilden, voordat plunderaars het materiaal unprovenanced op de markt gooiden, papyri bergen. Unprovenanced papyri hebben immers geen wetenschappelijke waarde. Papyri zijn eenvoudig te vervalsen – ik schreef er elders meer over – en zulk materiaal kan dus vals zijn. De waarde ervan is even groot als die van een laboratoriumproef waarvan de opstelling niet is genoteerd.
Reliëf uit Oxyrhynchos, vijfde eeuw (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Hé, heb ik nog nooit geblogd over de Kopten? Heb ik echt nog nooit geschreven over die fascinerende laatantieke beschaving? Daar moet rap verandering in komen. Eerst maar eens een woord over de wijze waarop ze in West-Europa in beeld zijn gekomen. Helaas niet om wie ze zelf waren, maar om iets dat voor Europeanen interessant was (zoals ook ik vooral over ze schrijf omdat ze relevant zijn voor mijn blog). Daarna hebben we het over zaken als hun taal en literatuur. Morgen behandel ik dan het christendom, de kunst en de wijze waarop ze zijn gemarginaliseerd.
Ontdekking
De Kopten zijn natuurlijk altijd bekend geweest. Het zijn de christenen van het gebied langs de Nijl. In de vijfde eeuw scheidden hun wegen van die van de aanhangers van de Romeinse staatskerk en sindsdien beschouwden Europeanen de Kopten als afgedwaalden. Dat ze Arabisch gingen spreken, zal weinig hebben bijgedragen aan het begrip, want met die taal leken de Kopten op moslims. Hun liturgische taal, die we Koptisch noemen, was echter een voortzetting van het oud-Egyptisch. En dat maakte de Kopten vanaf de achttiende eeuw ineens interessant. Jean-François Champollion zou rond 1822 het Koptisch gebruiken als sleutel bij de ontcijfering van de hiërogliefen en het Egyptisch van de farao’s.
Een jonge Ptolemaïsche heerser, misschien Ptolemaios XIV, de jongere broer en echtgenoot van Kleopatra VII (Kunsthistorisches Museum, Wenen)
[Derde deel van een reeks over de Slag aan de Nijl, waarin Julius Caesar het Egyptische verzet tegen de heerschappij van Kleopatra VII brak. Het eerste deel was hier.]
Met de dood van Ptolemaios XIII was een einde gekomen aan de Alexandrijnse Oorlog. Caesar zal opgelucht zijn geweest. Hij moet hebben geweten van de onrust in het huidige Turkije en Andalusië, hij kan niet hebben geweten dat de Dalmatische problemen inmiddels waren opgelost en moet de ergste vermoedens hebben gehad over de republikeinen die zich in Tunesië verzamelden. Hij had nu tenminste zijn bewegingsvrijheid terug.
De val van Alexandrië
Dat de slag aan de Nijl nooit ver van Alexandrië gestreden kan zijn, blijkt uit het feit dat Caesar nog die middag kon terugkeren naar de hoofdstad van Egypte. We geven het woord weer aan de auteur van De Alexandrijnse Oorlog:
Caesar haastte zich langs de kortste weg over land met zijn ruiters naar Alexandrië en trok als overwinnaar de stad binnen aan de kant die door troepen van de vijand werd bezet. Hij kwam niet bedrogen uit in zijn verwachting dat de vijanden, als ze van dat gevecht hoorden, elke gedachte aan oorlog voeren zouden laten varen. (33; vert. Hetty van Rooijen)
Kleopatra VII, die het meeste profiteerde van de slag aan de Nijl (Koninklijke bibliotheek van België, Brussel)
[Tweede deel van een stuk over de Slag aan de Nijl, waarin Julius Caesar het Egyptische verzet tegen de heerschappij van Kleopatra VII brak. Het eerste deel was hier.]
De anonieme auteur van De Alexandrijnse Oorlog vertelt dat koning Ptolemaios XIII een dorp vóór zijn kamp had versterkt en met een palissades had verbonden met zijn eigen basis.
Bestorming van een dorp
Afgaande op de reconstructie die Kromayer & Veith geven van de slag aan de Nijl, zou dat dorp Abu al-Khazr geweest moeten zijn, maar ik ben niet overtuigd. Hoe dat ook zij, op 6 februari 47 v.Chr., nadat zijn soldaten een dag rust hadden gehad, nam Caesar het dorp stormenderhand in.
Een Bataafse ruiter steekt met twee paarden een rivier over. Gewoon te zien in het Valkhofmuseum, Nijmegen, dus het heeft weinig met de slag aan de Nijl te maken.
Als ik dit blogje over de slag aan de Nijl begin met de constatering dat het 26 maart was in het jaar waaraan Quintus Fufius Calenus en Publius Vatinius als consuls hun naam zouden geven, en als ik dat omreken naar 5 februari 47 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een aflevering van het feuilleton “Wat deed Julius Caesarvandaag gisteren 2069 jaar geleden?”
Zoals we eergisteren zagen was hij, na maandenlang belegerd te zijn geweest in het koninklijk paleis in Alexandrië, eindelijk in staat vrijuit te bewegen, want zijn tegenstanders hadden de blokkade opgeheven. De Egyptische troepen waren namelijk zuidoostwaarts getrokken om het leger van Mithridates van Pergamon, dat Caesar kwam ontzetten, te verslaan vóór het contact kon maken met dat van Caesar. Het Egyptische plan mislukte en Caesar en Mithridates voegden hun legers samen.
Waar dit alles zich afspeelde, we weten het niet. Het moet ergens ten zuidoosten van Alexandrië zijn geweest, dus in de richting van het huidige Cairo. De meanderende Nijl heeft de afgelopen twee millennia immers nogal wat klei afgezet. Kromayer & Veith meenden de diverse locaties nog te kunnen herkennen op Britse landkaarten, maar ik ben wat minder optimistisch over de mogelijkheid de gevechtsplaatsen terug te vinden.
Alsof ik het de laatste weken nog niet genoeg heb gehad over Libanon, waag ik er nog maar eens een stukje aan. Het bovenstaande mozaïek zag ik namelijk in Byblos, toen ik van de kerk van Johannes Marcus afdaalde naar het noordelijke haventje. Het zat gewoon in een muurtje ingemetseld.
Ik kan er nergens informatie over vinden. Het is, zo verzekerde mijn Libanese vriendin en collega Françoise me, niet opgenomen in Nada Helou’s Les mosaiques protobyzantines du Liban (2019), wat zou kunnen betekenen dat het een zeer recente vondst is of een moderne namaak. Dat laatste kan natuurlijk. Maar toch: je zou van iemand die een leuke decoratie laat maken, verwachten dat hij kiest voor iets onbeschadigds. Het eerste kan ook. Ondanks alle ellende is er nog archeologisch onderzoek in Libanon en een door mij geraadpleegde archeoloog herkende zo snel geen sporen die duidden op vervalsing. Ik heb inmiddels wel horen vertellen dat het in een huis is gevonden, maar dat kan ook een valse provenance zijn.
Gem met portret van Caesar (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Als ik u zeg dat het 19 maart was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waaraan, vele maanden later, Quintus Fufius Calenus en Publius Vatinius als consuls hun naam zouden geven, en als ik dat omreken naar 29 januari 47 v.Chr. op onze kalender, dan weet u: het is tijd voor een stukje in het feuilleton “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”
Als u de laatste weken deze reeks hebt gevolgd, dan weet u dat het Egyptische leger van Ptolemaios XIII Caesar in Alexandrië had vast gezet, dat Caesar met moeite zijn aanvoerlijnen had opengehouden en dat een ontzettingsleger onderweg was. Ondertussen verzamelden Caesars tegenstanders zich in Dalmatië en het huidige Tunesië, wankelde het Romeinse gezag in wat nu Turkije heet, was het onmogelijk gebleken in Rome verkiezingen te houden en dreigde opstand in Andalusië.
De vraag is simpel: wanneer regeerde de Egyptische koning Ramses II? De Wikipedia meldt 1279-1213 v.Chr., maar oudere publicaties laten de troonsbestijging plaatsvinden in 1290 of zelfs 1304. Hoe zit dit? En ook: kennen we inmiddels wél de correcte jaartallen?
De hoofdlijn
De chronologie van het Egyptische Nieuwe Rijk is op zichzelf redelijk duidelijk. We weten in welke volgorde de diverse farao’s regeerden en we weten ruwweg hoeveel regeringsjaren elke vorst had. Dat levert een eeuw of zes, zeven op waarin we weten wat eerder en later gebeurde. We hebben dus relatieve dateringen. Wat we echter willen hebben zijn absolute dateringen, dus dateringen aan de hand van een concreet jaartal voor Christus. Grosso modo zijn die ook wel te leveren, want we weten van enkele voorgangers van Ramses II dat ze brieven uitwisselden met koningen uit Babylonië, die we vrij accuraat kunnen dateren. Ik beschreef dat hier. Door deze synchronismen kunnen we die zes, zeven Egyptische eeuwen ruwweg plaatsen en dan is de troonsbestijging van Ramses II ergens tussen 1310 en 1260 v.Chr. Dat is in overeenstemming met koolstofdateringen. Kortom: eigenlijk al heel wat.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.