De Iberiërs (3)

Iberisch grafmonument (Archeologisch museum, Madrid)

[Laatste van drie blogjes over de bewoners van Zuidoost-Spanje in de tweede helft van het eerste millennium v.Chr. Het eerste was hier.]

Rijk en arm

Een van de manieren waarop de rijke Iberiërs zich van hun arme landgenoten onderscheidden, was de monumentale grafsculptuur. Vanaf het begin, dus zeg maar vanaf pakweg 550 v.Chr., toonden voorname families hun welvaart met opvallende gedenktekens langs de toegangswegen tot de Iberische steden. Ze hadden allerlei vormen en zijn opgegraven in alle delen van de huidige regio’s Valencia en Murcia. Gaandeweg ontstonden ware dodensteden, keurig geordend, alsof het de steden waren van de levenden. Er was dan een hoofdstraat voor de graven van de voornaamste mensen, met haaks daarop zijstraten voor de bijzettingen van minder vermogende stedelingen.

De voornaamste graven – te zien in bijvoorbeeld de musea van Madrid en Elche – zijn werkelijk fantastisch. Er zijn torens en pilaren, er zijn afbeeldingen van wilde dieren en mythologische figuren. Misschien moesten die tevens tonen hoe de mensheid de natuur had overmeesterd en was gaan beheren. Zeker is dat niet, maar ik noem het omdat het ook een mogelijke interpretatie is van oudere stèles, waarover ik binnenkort eens zal bloggen.

Lees verder “De Iberiërs (3)”

De granaatappel

Granaatappel

De granaatappel is een van de bekendste mediterrane vruchten en komt, zoals zo veel mediterrane gewassen, eigenlijk uit het Midden-Oosten. Wilde granaatappels werden al in de Steentijd geplukt, maar de echte teelt dateert van pakweg 3000 v.Chr. en vond (voor zover bekend) voor het eerst plaats op de Iraanse hoogvlakte. Een half millennium later staan granaatappels vermeld op kleitabletten, en weer een millennium later was de vrucht bekend aan de opvarenden van het schip waarvan het wrak bij Uluburun is teruggevonden. De boeren op Cyprus en de Peloponnessos kenden de granaatappel in de dertiende eeuw v.Chr., en de Feniciërs brachten de vrucht in de IJzertijd naar het westen.

De Romeinen noemden de vrucht dan ook granatum Punicum, wat zoiets wil zeggen als “Fenicische vrucht vol pitjes”. Ook malum Punicum is gedocumenteerd, “Fenicische appel”. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere meende dat het eten van de vrucht goed was voor de gezondheid: volgens hem was het sap goed voor het gehoor, genas het zweren en steekpuisten, verdreef het lintwormen, hielp het tegen diarree en tegen rode vlekken op de handen.noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 23.109. Het was bovendien een afrodisiacum.

Lees verder “De granaatappel”

De Muur van Antoninus Pius (2)

Het badgebouw van Castlecary aan de Muur van Antoninus Pius.

[Dit is het laatste van twee gastblogs die Arnold den Teuling schreef over zijn bezoek aan Schotland en de Muur van Antoninus Pius. Het eerste was hier.]

Op mijn tocht naar het noorden ben ik heel veel cairns, restanten van huizen uit de ijzertijd, sporen van Picten, Kelten, Vikingen en tenslotte Engelse veroveraars tegengekomen, met als hoogtepunt de laat-neolithische nederzetting Skara Brae op Orkney. Daar schrijf ik later nog eens over.

Bovendien waren er op diverse plaatsen sporen van de activiteiten van Gnaeus Julius Agricola uit de jaren 77-84, dus nog ver vóór de Muur van Hadrianus. De zgn. Gask-linie ter hoogte van Crieff bestond uit tenminste zeventien uitkijkposten die op een tot anderhalve mijl van elkaar lagen, dit keer zonder tussengelegen wal. Ook sporen van een expeditie van keizer Septimius Severus rond 210 zijn bewaard gebleven.

Lees verder “De Muur van Antoninus Pius (2)”

Een wierookbrander uit Cádiz

Fenicische wierookbrander (Archeologisch museum, Cádiz)

In het najaar van 2023 bezocht ik Cádiz, ooit de Fenicische stad waar het handelsnetwerk van de Middellandse Zee contact maakte met het handelsnetwerk van de Atlantische kusten. Hier moet tin uit Armorica zijn overgeslagen op schepen die voeren naar de Mediterrane havens. In het museum van Cádiz zag ik bovenstaande wierookbrander, die afkomstig zou zijn uit de tempel van de liefdesgodin Astarte. De datering, kort voor 600 v.Chr., biedt een mooie aanwijzing voor de verspreiding van de gewoonte om in tempels wierook te branden.

De brander is overigens gevonden in wat destijds de branding van de Atlantische Oceaan was. De vermoedelijke verklaring is dat het voorwerp, gewijd aan een godheid, niet zomaar kon worden vernietigd als ze niet langer bruikbaar waren. Het antieke tempelpersoneel groef hiervoor ook wel speciale kuilen.

Lees verder “Een wierookbrander uit Cádiz”

Heliogabalus (3): beleid

Heliogabalus (Espace gallo-romain, Ath)

[Dit is het derde van een achttal blogjes dat Lauren van Zoonen schreef over regering en religie van keizer Heliogabalus. Het eerste is hier.]

Cassius Dio vermeldt slechts één goede daad van keizer Heliogabalus: hij nam nooit wraak op degenen die zijn naam of die van zijn vader hadden besmeurd. Van de andere kant gaf hij zich over aan “de meest beschamende, wetteloze en wrede praktijken”. Hij had zijn karakter natuurlijk van zijn oosterse moeder, Julia Soaemias, een pervers wezen. Zij was de macht achter de troon – en dat zal grotendeels waar zijn – en ze verving allerlei respectabele mannen door wagenmenners, acteurs, mimespelers, slaven, vrijgelatenen en degenen die ’s keizers seksuele verlangens bevredigden. Dat zal overdreven zijn, maar Dio’s onderliggende verwijt, dat senatoren werden benoemd zonder onderscheid te maken in leeftijd, afkomst of fortuin, klinkt authentiek.

Seksualiteit, gender en machtige vrouwen

Cassius Dio en Herodianos tonen zich geschokt door het verwijfde gedrag van de vorst, die zich als man en als vrouw presenteerde en in beide gedaanten allerlei losbandige relaties aanging. Heliogabalus’ verwijfdheid zou blijken uit zijn stem en gedrag. Niet alleen had hij gemeenschap met veel vrouwen, hij vond het ook geweldig om als vrouw op te treden als hij met zijn minnaars lag. Dio insinueert dat de keizer zich vaak als prostituee verkleedde en naar een bordeel ging om zichzelf te verkopen. Deze praktijken vonden plaats in het paleis, omdat de keizer een bordeel liet bouwen dat open was voor vrienden, klanten en slaven.

Lees verder “Heliogabalus (3): beleid”

Het teken van Tanit

Het “teken van Tanit (Bulla Regia)

Vorige week was ik in Bulla Regia, een van de mooiste opgravingen in Romeins Afrika. De rijke mensen bouwden er, zoals ik laatst al vertelde, hun huizen grotendeels ondergronds: koel in de zomer, warm in de winter. Bij het restaurantje zagen we bovenstaand kapiteel, dat daar bij mijn vorige bezoek nog niet stond en afkomstig schijnt te zijn uit de Apollotempel. Het is bijzonder, want tussen de twee ionische krullen (“voluten”) links en rechts staat het zogeheten Teken van Tanit. Je vindt het overal waar de Karthagers zijn geweest en op alle voorwerpen, gemaakt van alle materialen: op de schouders van amforen, op medaillons, in het plaveisel van een huis, op een stèle. Ik had het echter nog nooit gezien op een kapiteel.

Maar wat was dit van teken? We weten het weer eens niet, hoewel er al sinds de negentiende eeuw over wordt gepubliceerd. De naam is in elk geval modern. Ze is gemunt door de Franse oudheidkundige Stéphane Gsell, in het in 1920 verschenen vierde deel van zijn Histoire ancienne de l’Afrique du Nord. Hij noteerde dat het signe de Tanit altijd bestaat uit drie elementen: onderaan een driehoek, daarboven een (incomplete) cirkel, en daartussen een horizontale balk. Al met al lijkt het wat op een persoon in een lange rok met de armen uitgestrekt.

Lees verder “Het teken van Tanit”

De berg van licht: Elagabal

Wijding aan Elagabal uit Augsburg; de man die deze inscriptie liet maken, Gaius Julius Avitus Alexianus, was de grootvader van keizer Heliogabalus.

Elagabal zal voor menigeen een bekende onbekende zijn. Dankzij romans als Louis Couperus’ De berg van licht kunt u hem kennen als oosterse godheid. Verder is hij niet heel bekend. En hij laat zich ook slecht kennen, al staat vast dat het voornaamste heiligdom was in de Syrische stad Emesa, het huidige Homs. De oudste vermelding is een Palmyreense stèle uit de eerste eeuw na Chr., die een Aramese naam weergeeft die “god van de berg” zou betekenen. De berg in kwestie zal wel de citadel van Emesa zijn geweest.

Omdat Emesa in de eerste eeuw na Chr. een Arabischsprekende stad was, mogen we aannemen dat een god met een Aramese naam ouder is dan de Arabische aanwezigheid. Lange tijd golden de Arabieren inderdaad als immigranten, maar de afgelopen kwart eeuw is door de bestudering van tienduizenden inscripties duidelijk geworden dat ze al in de Vroege IJzertijd leefden in Syrië en Jordanië. Evengoed moet de verering van Elagabal oeroud zijn. Berggoden waren in Anatolië en de Levant al sinds de Hittitische Bronstijd bekend. Men beeldde zulke godheden vaak af met adelaars – net als Elagabal in de Romeinse tijd.

Lees verder “De berg van licht: Elagabal”

Romeins Palmyra

Een van de triades van Palmyra: Aglibol, Baäl-Šamem en Malekbel (meer; Louvre, Parijs).

In het vorige blogje zagen we dat Tadmor/Palmyra een belangrijke oase was tussen de Eufraat in het oosten en Damascus in het westen. Met de desintegratie van het Seleukidische Rijk, rond pakweg 140 v.Chr., begon de handelsroute door de woestijn aan belang te winnen.

Een mislukte plundering

Een eeuw later, in 41, was de stad welvarend genoeg om de Romeinse aandacht te trekken. De Grieks-Romeinse historicus Appianus schrijft:

Marcus Antonius stuurde een eenheid cavalerie naar Palmyra, dat niet ver van de Eufraat ligt, om de stad te plunderen. De aanleiding was een onbeduidende beschuldiging dat de inwoners, omdat ze zich op de grens tussen de Romeinen en de Parthen bevonden, vermeden hadden partij te kiezen. (Als kooplieden brengen ze de producten van India en Arabië vanuit Perzië en verkopen die op Romeins grondgebied.) In feite was het echter Antonius’ bedoeling zijn ruiters te verrijken. De Palmyrenen waren echter gewaarschuwd en brachten hun bezittingen naar de rivier, stelden zich op de oever op en bereidden zich erop voor iedereen neer te schieten die hen zou aanvallen. De Palmyrenen zijn namelijk ervaren boogschutters. De cavalerie vond dus niets in de stad, draaide zich om en keerde terug, met lege handen en zonder een vijand te hebben ontmoet.noot Appianus, Burgeroorlogen 5.9.

Lees verder “Romeins Palmyra”

De tempel van Elagabal in Rome

De schaarse resten van de tempel van Elagabal

Een van de meest curieuze personen uit de Oudheid was de kindkeizer Heliogabalus (r.218-222). Die heette eigenlijk Varius Avitus Bassianus, maar toen hij eenmaal keizer was, noemde iedereen hem Antoninus. De naam waaronder hij beroemd is geworden, Heliogabalus dus, is een verbastering van de naam van de door hem vereerde Syrische zonnegod Elagabal. Dat is ook al niet de echte naam van die god, want die heette in het Aramees Ila ha-Gabal, “heer van de berg”. De bijnaam Heliogabalus is daarvan dus een verbastering. Weliswaar zou Elagabalus meer voor de hand hebben gelegen, maar met het ietwat onlogische eerste element verwijst de weergave ook naar de Griekse zonnegod Helios.

Kortom: er was een kindkeizer die we gemakshalve Heliogabalus noemen en die vereerde een zonnegod die we Elagabal noemen.

Wie een mooi boek wil lezen over Heliogabalus’ wonderlijke regeringsperiode, kan terecht bij Louis Couperus. Zijn roman De berg van licht (1905) is in feite een omgekeerde Stille kracht: in het laatstgenoemde boek gaat een westerling ten onder in de Oost, in De berg van licht gaat een oosterling ten onder in het Westen. Het is trouwens interessant hoe Couperus een Syrische wereld toont waarin androgyniteit zo niet geaccepteerd dan toch denkbaar was. Wie nu fronst bij non-binariteit, zou eens Couperus kunnen gaan lezen.

Lees verder “De tempel van Elagabal in Rome”

Hathor

Hathor (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Van alle antieke godheden is Hathor een van de bekendere. De kunstenaars van Egypte en Nubië, waar de cultus begon, beeldden haar regelmatig af als koe, vaak ook als een vrouw met een koeienkop, en ook wel als een volledig mens met op haar hoofd een zonneschijf, ingeklemd tussen koeienhoorns.

Het waren allemaal aardse weergaven van Hathor, die onder meer werd vereerd als de hemelkoe. In het antieke wereldbeeld rustte de hemel op vier pilaren, die men in Egypte beschouwde als koeienpoten. De zon, maan en sterren voeren over Hathors buik. De hemelheerseres hield zo het universum bijeen en observeerde het. Ze was tevens de moeder die de schepping voedde. Dit maakte haar tot beschermgodin van alle leven, liefde en vruchtbaarheid.

Lees verder “Hathor”