
In het vorige blogje vertelde ik dat Alexander de Grote zich eind november, begin december 332 v.Chr. vrij eenvoudig meester maakte van Pelousion, de oostelijke tak van de Nijl en Heliopolis. Even verderop lag de oeroude hoofdstad Memfis, die de eenheid symboliseerde van Nijldelta en Nijldal. In het deel van het stadscentrum dat bekendstond als Inebu-hedj, “het witte fort”, loste een Macedonisch garnizoen de laatste Perzische troepen af.
Vermoedelijk bleven zij in Egypte en traden ze in dienst van Alexander. Dat deed in elk geval een zekere Doloaspis, een man met een Iraanse naam die door de geschiedschrijver Arrianus ten onrechte wordt aangeduid als Egyptenaar. Na Alexanders vertrek deelde Doloaspis de hoogste macht met Petosiris, de hogepriester van de god Thoth, en toen zijn collega aftrad, werd Doloaspis satraap van zowel Beneden- als Boven-Egypte.









Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.