Barmhartige en andere samaritanen (1)

Altaar uit Sichem (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

U kent de samaritanen – met een kleine letter graag – van de gelijkenis over de barmhartige samaritaan. U weet wel: de evangelist Lukas vertelt over een reiziger die op weg van Jericho naar Jeruzalem in de handen van rovers valt. Uitgeschud ligt hij langs de weg. Een leviet en een priester laten hem voor dood liggen maar een passerende samaritaan neemt zijn verantwoordelijkheid wel. Het is een wondermooi verhaal over beschaving: dat je iemand die niet tot je eigen groep behoort, erkent als medemens. Misschien komt het door deze elegantie dat je niet herkent hoe absurd het eigenlijk is. Geen rover kan de weg van Jericho naar Jeruzalem onveilig hebben gemaakt. Het was een van de drukste en best bewaakte straten in Judea.

Joden en samaritanen

Maar daarover wilde ik het niet hebben. Het gaat om de vraag wat de samaritaanse geloofsgemeenschap nu eigenlijk is. Samaritanen lijken op joden, maar er zijn enkele verschillen, waarvan sommige heel oud.

  • Eén: samaritanen denken dat de tempel niet in Jeruzalem zou moeten staan, maar op de berg Gerizim nabij Sichem (het huidig Nablus);
  • Twee: samaritanen geloven dat hun lijn van priesters de legitieme is, in tegenstelling tot de lijn van priesters in Jeruzalem;
  • Drie: samaritanen aanvaarden alleen de wet van Mozes (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium) als gezaghebbend. Van deze boeken hebben ze ook een iets andere tekst.
  • Vier: samaritanen erkennen dus de profeten en de geschriften niet als gezaghebbend.

Lees verder “Barmhartige en andere samaritanen (1)”

Antieke migraties en migranten (2)

Het negentiende-eeuwse beeld van de deelnemers aan de Grote Volksverhuizingen (Heldenplatz, Wenen)

[Voor het eerste deel van deze reeks over antieke migratie: hier.]

De migratie van namen

Je kunt niet zeggen dat de verplaatsing van een naam met bijbehorende Traditionskern voldoende bewijs is voor migratie. Het probleem is dat die namen óf niet bijster consistent zijn óf niets zeggen. De naam “Vandalen” betekent zoiets als “zwervers” (vgl. to wander) en deze groep staat eveneens bekend als Lugii, Asdingen, Hasdingen en Silingen. Het is wat moeilijk op deze wijze een scherp beeld te krijgen.

Of neem de Goten. Hun naam migreerde van de Oostzee naar het zuidoosten en dat past bij het archeologisch bewijs. Er zijn namelijk nauwe banden tussen enerzijds de Wielbark-cultuur aan de Weichsel in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling en anderzijds de derde/vierde-eeuwse Tsjernjachovcultuur in Oekraïne en de Santana de Mureş-cultuur in Roemenië. Een denkbaar scenario is dat de Goten naar het zuidoosten trokken, dat ze na enkele plundertochten in de derde eeuw werden verslagen, en toen door keizer Aurelianus de Romeinse provincie Dacië kregen toegewezen. Eén groep vestigde zich daar en stond sindsdien bekend als Tervingi (“bosmensen”). De elite liet zich de Vesi noemen, “de edelen” of “de wijzen”. De andere groep bleef achter in Oekraïne en noemde zich “steppemensen” ofwel Greutungi, maar ook Ostrogoti, “de schitterende Goten”. (De “Oost-Goten” en de “West-Goten” die u kent uit Asterix zeggen meer over Fransen die zóveel houden van Duitsland dat ze willen dat er wel twee van zijn.)

Lees verder “Antieke migraties en migranten (2)”

Antieke migraties en migranten (1)

Een laatantieke ruiter keert terug (Sânnicolau Mare-schat, Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Migratie, dat mensen met een bepaalde identiteit elders gaan wonen bij mensen met een andere identiteit, is momenteel een belangrijk oudheidkundig thema. Eerlijk is eerlijk: dat is soms gemakzuchtig inhaken op de actualiteit. Migratie heeft immers problematische kanten die momenteel de aandacht trekken en er zijn oudheidkundigen die het belang van hun vak denken te kunnen tonen door erop te wijzen dat je ook in de Oudheid migratie had. Dan toon je je eigen irrelevantie want je loopt aan achter wat anderen belangrijk vinden in plaats van je eigen kwaliteiten te tonen. Het is zoiets als tijdens een pandemie beweren dat je ook in de Oudheid epidemieën had. Gelukkig is er ook een minder zelfdestructieve reden om je met migratie bezig te houden: de DNA-revolutie.

Door het onderzoek naar antiek DNA en het isotopenonderzoek wordt duidelijk dat de mensen vroeger buitengewoon mobiel waren, minimaal in sommige regio’s en tijdperken, wat betekent dat ideeën veel breder konden circuleren dan wel aangenomen is geweest. Wie een Latijnse tekst interpreteert, kan niet langer om Aramese parallellen heen, om het samen te vatten. Ons vak staat op de grondvesten te trillen en om die reden was “Van heinde en verre” in 2019 het thema van de Week van de Klassieken.

Maar migratie was al eerder een thema: in de negentiende eeuw. Omdat de toenmalige noties nog steeds circuleren, vandaag twee “Methode op Maandag”-stukjes over die materie.

Lees verder “Antieke migraties en migranten (1)”

Dierenbotten uit Carnuntum

Na afloop van een jachtpartij in het amfitheater worden de kadavers geruimd. Eén beer geeft zich nog niet gewonnen. Dit reliëf komt uit Kibyra en is nu in de Archeologische Musea van Istanbul.

Even ten oosten van Wenen ligt Carnuntum. Een Romeinse legioenbasis zoals er wel meer zijn: een groot fort, een rivierhaven, een stad ernaast, een residentie voor een bestuurder, heiligdommen. Het Veertiende Legioen Gemina, hier gestationeerd, had het allemaal. En wat zo aardig is: het is nauwelijks overbouwd, zodat de plek een archeologische vindplaats hors catégorie is.

Momenteel doen bioarcheologen onderzoek naar het amfitheater bij het fort, waar de botten zijn gevonden van de dieren die daar in de Late Oudheid in de arena zijn omgebracht. U denkt nu aan leeuwen, maar daarvan zijn geen resten gevonden. De archeologen hebben wel een door honden aangevreten panterbot aangetroffen, maar het is onduidelijk of de panter het in de arena heeft moeten opnemen tegen wilde honden of wolven, of dat het kadaver voor de honden is geworpen. Was de panter een exoot, de rest van de dieren was inheems: beren, herten, wolven, bizons en wat everzwijnen. Na de jachtpartijen in de arena gingen ze allemaal naar de slager, die het vlees verkocht en de botten dumpte. Zie het plaatje hierboven.

De slager slachtte verder varkens (daarover binnenkort meer), schapen, paarden, ezels, kippen, ganzen, hazen en een enkele geit. De opgravers vonden ook visgraten en de botjes van raven, kraaien en kauwen. Kortom, afgezien van de panter waren het allemaal inheemse dieren, wat misschien een aanwijzing is voor de regionalisering van de Romeinse economie in de Late Oudheid. Er was echter nóg een exoot.

Lees verder “Dierenbotten uit Carnuntum”

De Romeinse Maas

De Maas bij Chokier

De vallei van de Maas, Mosa in het Latijn, vormde het kerngebied van de Romeinse aanwezigheid in het noorden van Gallië, Gallia Belgica. Ik heb het dan met name over het gebied tussen pakweg Namen en Maastricht, waar een heel gevarieerde economie moet hebben bestaan. Maar eerst iets over de rivier zelf.

Een bron over een bron

De Maas wordt verschillende keren in de bronnen genoemd, hoewel meestal in het voorbijgaan. En soms ook gewoon onjuist. Julius Caesar is de eerste die er iets meer over zegt en dat is meteen onjuist: hij schrijft dat de Maas ontspringt in de Vogezen, maar in feite liggen de bronnen westelijker, niet ver van Domrémy, het dorpje waar eeuwen later Jeanne d’Arc geboren zou worden en haar visioenen zou krijgen. Vermoedelijk verwarde Caesar de Mosa met de Mosella, het Maasje ofwel de Moezel.

Lees verder “De Romeinse Maas”

De gesel Gods (1)

Reliëf van elf goden, een heros en keizer Theodosius uit Efese (Archeologisch Museum, Selçuk)

Omstreeks 500 zag de politieke landkaart van Europa er totaal, maar dan ook totaal anders uit dan een eeuw daarvoor. Het Griekssprekende deel van het Romeinse Rijk was intact gebleven, maar in het Latijnsprekende westen bestond het imperium niet langer. Rome was nog altijd een aanzienlijke stad, maar geen schaduw van de metropool die het ooit was geweest. Elders was het niet anders: de steden waren kleiner geworden. Italië werd bestuurd door de Ostrogoten; de Visigoten hadden zich gevestigd in Aquitanië en Spanje; in Gallië hadden de Franken hun macht vanaf de Rijn uitgebreid tot aan de Loire.

Over de oorzaak van het verdwijnen van het Romeinse staatsapparaat in West-Europa wordt al sinds de Oudheid gediscussieerd, maar één ding is zeker: heersers van Germaanse afkomst namen de macht over. De eigenlijke vraag is wat er was veranderd waardoor het mogelijk werd dat kleine groepen krijgers en vluchtelingen een einde konden maken aan de machtigste staat die de wereld ooit had aanschouwd.

Lees verder “De gesel Gods (1)”

Misverstand: Vrouwelijke geestelijken

Hippo Regius, Basiliek

Ik wilde eigenlijk verder werken aan mijn reeks over patronen van misinformatie toen ik dit artikel tegenkwam. Een oudheidkundige heeft  aanwijzingen dat er vrouwelijke geestelijken zijn geweest in de vroege kerk.

New research recently unveiled in Rome suggests women had a greater role in the early church’s ministries and liturgies than previously thought.

Let op dat lamlendige “than previously thought”. “Anders dan aangenomen” is de ergste stoplap uit de wetenschapsjournalistiek.

Lees verder “Misverstand: Vrouwelijke geestelijken”

Het Tiende Legioen Gemina

Hoofd van een legionair met op de helm X G(emina) (Römermuseum, Wenen)

Ik moet nog eens bloggen over de Romeinse officier Velius Rufus, die in het laatste derde van de eerste eeuw een gelauwerde carrière had die hem van de rang van centurio via drie continenten bracht tot in de hoogste bestuursklasse. Die loopbaan is uitzonderlijk omdat ze zo uitgebreid is gedocumenteerd. Van de overgrote meerderheid van de soldatenlevens is veel minder bekend.

Maar toch: ook al zijn hun grafstenen minder informatief, het zijn er wel heel erg veel. Elk jaar tekenden ruim 10.000 Romeinse burgers bij om te gaan dienen in een van de grensprovincies. Voor een garnizoensstad als Nijmegen, waar het Tiende Legioen Gemina was gelegerd, betekende dit dat er elk jaar ruim 350 rekruten van elders bij kwamen.

Lees verder “Het Tiende Legioen Gemina”

Circus

(Amsterdam, Zeedijk)

Het televisieprogramma Het Klokhuis zou eind maart in het Amsterdamse museum Nemo een vragendag hebben georganiseerd, waarbij wetenschappers kindervragen zouden hebben beantwoord. Mijn vriendinnetje E. had inderdaad een vraag: waarom is de letter C in het woord “circus” de ene keer een /s/ en de andere keer een /k/? De redactie vond het leuk genoeg om E. en haar moeder uit te nodigen die vraag in de uitzending te komen stellen.

Door de corona is die uitzending niet doorgegaan maar omdat ik wilde dat E. een antwoord kreeg, ben ik het zelf gaan uitzoeken. Kinderen die nieuwsgierig genoeg zijn om vragen te stellen verdienen serieuze uitleg.

Lees verder “Circus”

Sepforis

De “Mona Lisa van Galilea”, zoals de archeologen een inderdaad beeldschoon mozaïek uit het Huis met het Dionysosmozaïek aanduiden

Op verzoek: een stukje over Sepforis, een van de voornaamste steden in Galilea. De stad ligt op een heuveltop, als een vogel op een tak, en dat verklaart misschien waarom ze “vogelstad” heet. Aardewerkvondsten bewijzen dat er al in de IJzertijd mensen woonden maar het plaatsje wordt niet in de Bijbel genoemd. De eerste monumentale architectuur dateert uit de laatste fase van de Perzische heerschappij, zeg maar de vroege vierde eeuw, als het voornaamste bestuurscentrum in de omgeving Samaria is.

Dat bleef echter niet de belangrijkste stad. In het ingewikkelde krachtenspel van de derde eeuw, waarin de Ptolemaiën en Seleukiden streden om het bezit van wat Hol Syrië heette (zeg maar Libanon en Israël), was de weg van Damascus via het meer van Galilea naar de kust erg belangrijk. Het heuvelstadje was verdedigbaar en bezat goede akkers: het kon beginnen aan een lange bloeiperiode, zeker toen het deel kwam uit te maken van het zelfstandige koninkrijk van de Hasmoneeën. Toen de Romeinen dit in 63 v.Chr. veroverden en in vijf bestuursdistricten verdeelden, was Sepforis een van de hoofdsteden.

Lees verder “Sepforis”