Dacia Felix: de Geten

De godin Bendis op een panter (Rogozen-schat, Archeologisch museum, Vratsa)

De expositie die ik vanmorgen beschreef, “Racines, les civilisations du Bas-Danube” in het Grand Curtius-museum in Luik, is het oudere zusje van de tentoonstelling “Dacia Felix” in het Gallo-Romeins museum in Tongeren. Waar het verhaal in Luik eindigt in de Vroege IJzertijd, daar neemt Tongeren de draad op door de geschiedenis van het Beneden-Donau-gebied te vertellen van de Late IJzertijd tot en met de Romeinse onderwerping van wat destijds Dacië heette.

Het is het verhaal van allerlei volken die naar de regio trokken en een gedeelde kunststijl hadden, met allerlei diermotieven. De Thracische stam der Geten stamde af van de eerste golf van Indo-Europese bewoners, die in het vierde en derde millennium v.Chr. westwaarts waren gekomen vanuit het huidige Oekraine; de Grieken arriveerden in de zevende eeuw op Zwarte Zee-kust; de Skythen behoorden tot een meer oostelijke groep Indo-Europees-sprekenden en trokken in de zesde eeuw vanuit Centraal-Azië richting Karpaten; de Kelten zakten ergens in de vierde eeuw v.Chr. vanuit het westen de Donau af. Uit dit alles ontstond het volk van de Daciërs, dat in de vroege tweede eeuw na Chr. door de Romeinse keizer Trajanus werd onderworpen. De huidige taal van de regio, het Roemeens, stamt af van het Latijn.

Lees verder “Dacia Felix: de Geten”

De Avaren

Laten we er kort en duidelijk over zijn: de Avaren zijn een van de allerbelangrijkste spelers geweest in de geschiedenis van Europa. Ruim een kwart millennium, laten we zeggen van 550 tot 800 ofwel van Justinianus tot Karel de Grote, beheersten ze het centrum van het werelddeel, ruwweg van wat nu Oostenrijk heet tot halverwege Bulgarije. Een supermacht. We kunnen er echter even kort en duidelijk over zijn dat wat we over hen weten, omgekeerd evenredig is aan hun belang. Kortom, een vrijwel vergeten koninkrijk of (zoals ze het zelf noemden) khaganaat.

Het standaardwerk over de Avaren is al sinds jaar en dag – nou ja, eigenlijk bedoel ik sinds 1988 – Die Awaren. Ein Steppenvolk im Mitteleuropa, 567-822 n.Chr. van de Weense historicus Walter Pohl. Ik heb het boek jaren bezeten, las het ooit voor een kwart, verloor de draad, hernam de lectuur, heb het in Boedapest in een hotel laten liggen en vergat het daarna. Ik heb die omissie goed kunnen maken nu enkele maanden geleden een verbeterde, Engelse versie is verschenen: The Avars. A Steppe Empire in Central Europe, 567-822.

Lees verder “De Avaren”

De Armeense genocide: De jaren van Abdulhamid

De achtergrond bij de Armeense genocide: Armeniërs als percentage van de Ottomaanse bevolking, gebaseerd op de officiële volkstelling en cijfers uit tsaristisch Rusland. Er zijn drie concentraties: het oostelijke (Russische) deel, het deel rond het Van-meer, en in het zuidwesten het voormalige Kruisvaardersstaatje Cilicisch Armenië. (klik=groot)

Genocide is een berucht lastig te definiëren misdrijf, maar in elk geval hebben we te maken met een door een overheid – een koning, een generaal, een staat – geplande, systematisch uitroeiing van een groep onderdanen of een als vijandig beschouwde buitenlandse groep. De mensen worden zonder onderscheid gedood: mannen, vrouwen en kinderen. Ook culturele uitingen worden vernietigd. Alle definities – de Wikipedia biedt een overzicht – dateren van 1944 of later en zijn bedoeld om juridisch vat te krijgen op het fabrieksmatige doden van joden, een misdrijf dat in omvang en technologie zonder parallel is maar vergelijkbaar met eerder uitroeiingen. Zoals de Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Het land van de Armeniërs was in 1639 door de Ottomaanse Turken en de Safavidische Perzen verdeeld en het laatste, oostelijke, deel was in 1827 in handen gekomen van de Russen. Het is de sinds 1991 zelfstandige republiek. Het westelijke, Ottomaanse, deel van Armenië bestaat niet langer.

Lees verder “De Armeense genocide: De jaren van Abdulhamid”

Basiliscus

Inscriptie ter ere van generaal Basiliscus (Museum van Plovdiv)

In het museum van het Bulgaarse Plovdiv mag je, om redenen die vermoedelijk alleen de directie begrijpt, niet fotograferen. Gelukkig geldt dat verbod niet in het parkje dat dient als museumtuin. Ik bekeek bovenstaande steen destijds vluchtig, lang genoeg om te zien dat er twee talen en twee handschriften op staan en te concluderen dat ’ie op de foto moest. Dat was dat. Onlangs las ik de tekst ook en toen bleek dat dit toch wel iets bijzonders was.

Als je goed kijkt naar de onderste helft, zie je dat die ooit eveneens beschreven is geweest. De maker heeft een standbeeldsokkel met een oude inscriptie genomen, de letters weggebeiteld en er iets nieuws op gezet. Helemaal bovenaan deze stenen palimpsest is nog iets in het Grieks blijven staan, Ἀγαθῇ τύχῃ, een aanroep van het geluk die je op talloze antieke teksten vindt. En dan komt het!

Lees verder “Basiliscus”

De Indo-Europese migraties

Antropomorfe stèle uit Plachidol, geassocieerd met Indo-Europees-sprekenden die op zoek waren naar koperaders (Nationaal Historisch Museum, Sofia)

Zoals ik gisteren vertelde, is de vraag waarom de Indo-Europese talen op elkaar lijken, in een kwaad licht komen staan doordat de nationaalsocialisten zich meester maakten van de hypothese dat de veronderstelde Urheimat, waar de Indo-Europeanen hadden gewoond voor ze naar alle windstreken waren gemigreerd, had gelegen op de Noordduitse Laagvlakte. In de nationaalsocialistische interpretatie waren de oerbewoners van dat gebied (de “Ariërs”) autochtoon, onvermengd met migranten die bij hen waren komen wonen, raszuiver en daardoor in allerlei opzichten briljant.

Er was een tweede reden waarom het onderzoek stokte. Weliswaar betwijfelde niemand dat de Indo-Europese talen op elkaar leken doordat ze afstamden van één oertaal, maar men had domweg onvoldoende gegevens om daarover werkelijk uitspraken te doen. Zoals we zagen, probeerde men eerst aan de hand van de gedeelde woordenschat enkele aspecten van het thuisland te reconstrueren – er waren bepaalde dieren en gewassen geweest, men had de ploeg gekend en men had er met karren gereden – en was zo’n reconstructie in principe archeologisch toetsbaar.

Lees verder “De Indo-Europese migraties”

Opnieuw Aquilius

Medaillon van Aquillius van VIII Augusta (Valkhof Museum, Nijmegen)

Een tijdje geleden blogde ik over het medaillon dat u hierboven ziet. Het voorwerpje is gevonden op het Kops Plateau in Nijmegen en ik vertelde dat deze vermoedelijk het eigendom is geweest van een centurio – eigenlijk: een primus pilus, de oppercenturio – Gaius Aquilius die ook door de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus wordt genoemd.

De identificatie is belangrijk. De aanwezigheid van een centurio uit het Achtste Legioen Augusta – zie de inscriptie; dat het gaat om een centurio, blijkt uit het vishaakje > links op de derde regel – op het Kops Plateau werpt namelijk nieuw licht op het Romeinse beleid vóór de Bataafse Opstand. Tacitus, die causaliteit uitsluitend plaatst op individueel niveau, presenteert het alsof de opstand ontstond door toedoen van Julius Civilis, die de onrust door rekruteringspraktijken voor zijn eigen doeleinden benutte. Vervolgens was de Romeinse reactie inadequaat door – opnieuw een op individuen gebaseerde analyse – falend leiderschap. (Dat de troepensterkte met 75% was afgenomen, lijkt Tacitus niet te deren.)

Lees verder “Opnieuw Aquilius”

Pre-proto-Italo-Kelt

Stèles als deze uit Nevsha, gevonden langs de wegen naar de koperaders, documenteren de westelijke migratie van de Proto-Italo-Kelten Nevsha (Archeologisch Museum van Varna)

De Yamnaya- of Kuilgrafcultuur, die u ergens tussen 3600 en 2300 v.Chr. moet plaatsen in wat nu Oekraïne en zuidelijk Rusland heet, geldt momenteel als de “Urheimat” van de volken die een Indo-Europese taal spreken. Daar duidt niet alleen het taalkundige maar ook het archeologische bewijsmateriaal op. Sinds een jaar of wat is er ook genetisch bewijs, waarbij ik aanteken dat veel nog onduidelijk is, dat elke onderstaande zin in feite een hypothese is en dat de vele migraties die blijken te hebben plaatsgevonden, de onderzoekers hebben verbaasd.

De Yamnaya-mensen kenden de ploeg zodat ze aan akkerbouw konden doen, maar ze hadden ook het paard gedomesticeerd en wisten hoe ze een kar moesten bouwen, zodat ze ook heen en weer konden trekken. De Yamnaya-cultuur breidde zich dan ook gestaag uit.

Lees verder “Pre-proto-Italo-Kelt”

Het koningsgraf van Seuthes III

Seuthes III (Archeologisch museum, Sofia)

Zoals de trouwe lezers van deze kleine blog zich wellicht herinneren, was ik vorig jaar in Bulgarije. Een klein land dat na de val van de Muur zijn economie heeft moeten aanpassen, vervolgens nog eens moest aanpassen aan zijn toetreding tot de EU, en inmiddels weer moet aanpassen omdat een van de voornaamste afnemers van zijn agrarische producten Syrië was. Een land ook met opvallend veel archeologisch erfgoed – Thracisch, Grieks, Romeins, Middeleeuws, you name it – dat het ook maar weer moet zien te beheren.

Het is dus alleszins begrijpelijk dat het soms niet gaat zoals je zou willen. Zoals in dit bericht valt te lezen, is het Thracische graf van Golyamata Kosmatka ingestort. De twintig meter hoge heuvel is inmiddels een meter lager. Arbeiders hebben uit de gang die de ingang verbindt met de twee grafvertrekken zo’n vijf kubieke meter aarde weggehaald.

Lees verder “Het koningsgraf van Seuthes III”

Grafsteen

Grafsteen uit Mesambria
Grafsteen uit Mesambria

Nog maar eens een plaatje uit Bulgarije. Dit reliëf komt uit het Archeologisch Museum in Burgas, wat een beetje raar is omdat het is opgegraven in Nesebar, dat een eigen archeologisch museum heeft. Soit. Te zien is een jonge vrouw, overleden in de derde eeuw na Chr., die muziek maakt met castagnetten. Let op het linkerbeen (voor u rechts): dit is iemand die niet stil kan blijven staan. Haar naam was Agasikleia.

Het is een grafreliëf waarvan er dertien in een dozijn gaan, maar er is toch iets bijzonders mee aan de hand – althans, iets dat wij bijzonder vinden. Haar vader heette Noë ofwel Noach. Hij was vrijwel zeker joods. De enige anderen die zo’n naam zouden kunnen hebben waren christenen, en die waren niet bijster geïnteresseerd in de held van het Zondvloedverhaal.
Lees verder “Grafsteen”

Johannes de Doper

john_the_baptist_1360-1280_byzmus_theski2
Johannes de Doper: fresco uit 1380-1360, nu in het Byzantijnse Museum van Thessaloniki

Sozopol ligt in het oosten van Bulgarije, aan de Zwarte Zee, in een zó toeristische streek dat de vraag zich onontkoombaar opdringt wat Gerd Leers in vredesnaam heeft bewogen om uitgerekend hier een villa te kopen. Er zijn enkele mooie stadjes, maar verder bestaat de kuststrook uit een eindeloze reeks hotels. “In de communistische tijd stonden er hier vijftig,” hoorde ik ergens vertellen, “en daarna kapten ze het groen en toen was er ruimte voor honderdvijftig.”

Het voordeel van het massatoerisme is dat er geld is om monumenten prachtig op te knappen, enkele mooie musea te bouwen en archeologisch onderzoek te doen. Zo ook op het eilandje ten noorden van de stad, waar in 2011 opgravingen plaatsvonden in het klooster van Sveti Ivan, ofwel Sint-Jan, ofwel Johannes de Doper. Daarbij werden mensenbotten gevonden waarvan men onmiddellijk beweerde dat die waren van de boetgezant.

Lees verder “Johannes de Doper”