Een overleden hond

Stoffelijk overschot van een hond (Burg Linn, Krefeld)

We moeten Dierendag niet ongemerkt voorbij laten gaan, en dus moeten we het eens hebben over een hond, want dat is toch maar de beste vriend van de mens. Alleen heb ik niet zo’n vrolijk stukje. Het bovenstaande hondje is maar een half jaar oud geworden en het is nogal sneu met hem afgelopen. Of haar – er zijn onvoldoende botten gevonden om te determineren of het een reu of een teef was. Het dier was vermoedelijk mank.

De vindplaats (in Krefeld-Gellep) is heel vreemd: onder een vertrek dat diende om groente, kruiden, fruit en vlas te drogen, zodat er geen schimmel op kon komen. Ook voor het mouten van graan is zo’n droogkamer onontbeerlijk. Onder de droogkamer – ooit heette dat een eest – lag een verwarmingskanaal, ongeveer zoals een Romeinse badinrichting een vloerverwarming had. Zo kon je voedsel drogen zonder het te roken (wat je bij sommige vlees- en vissoorten natuurlijk wel doet).

Lees verder “Een overleden hond”

Perzisch Cilicië

De Perzische satraap van Cilicië (Pergamonmuseum, Berlijn)

[Tweede van drie blogjes over Cilicië, het zuiden van het huidige Turkije; het eerste blogje las u hier.]

Een nieuw koninkrijk

In 612 v.Chr. veroverden de Babyloniërs en de Meden de Assyrische hoofdstad Nineveh. Hilakku, zoals Cilicië op dat moment nog heette, herwon meteen zijn onafhankelijkheid. Vanuit de hoofdstad Tarsos regeerde de Syennesis, zoals de vorst werd genoemd, over zowel het vlakke oosten als het bergachtige, rauwe westen en noorden. De titel van de heerser is de Griekse weergave van het Luwische suuannassaì, wat zoiets wil zeggen als “aan de hond gewijd”. Zoals u al vermoedde heeft het niet ontbroken aan speculaties over de betekenis.

De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos vermeldt de eerste ons bekende Syennesis. Die zou, samen met ene “Labynetos” uit Babylon (waarschijnlijk de latere koning Nabonidus), in 585 v.Chr. als neutrale bemiddelaar de onderhandelingen hebben geleid over een vredesverdrag tussen enerzijds koning Alyattes van Lydië en anderzijds Kyaxares, de leider van de Meden. (Misschien herinnert u zich mijn blogje, twee maanden geleden, over de vreemde veldslag tussen deze twee volken.) De vermelding van deze Syennesis bevestigt dat Cilicië rond 585 onafhankelijk was en niet behoorde tot het Babylonische Rijk van koning Nebukadnezar.

Lees verder “Perzisch Cilicië”

Een hond uit Lesbos

Hond op een wijnvat (Römisches Museum, Augsburg)

Het project Inscriptiones Graecae, een uitgave van alle bekende Griekse inscripties, werd gestart in 1825 en loopt nog steeds. Er zijn nu negenenveertig geografisch geordende delen klaar, maar het eind is nog niet in zicht. Logisch: er duiken nog altijd nieuwe inscripties op. De meeste delen van IG bestaan weer uit meerdere boeken, en de inscripties zijn allemaal genummerd. Een volledige verwijzing naar een inscriptie ziet er dus bijvoorbeeld zo uit: IG XII,2 458. In IG XII staan alle bekende inscripties van de eilanden in de Egeïsche Zee, behalve die van Delos. (Er zijn zoveel Delische inscripties dat daarvoor heel deel XI is gereserveerd.) En ‘onder-deel’ IG XII,2 beperkt zich dan weer tot de inscripties uit Lesbos en Tenedos (dat laatste eiland is het huidige Turkse Bozcaada).

Toevallig is IG XII,2 458 de inscriptie waarover ik het hier wil hebben. Hij is gevonden in Mytilene (het huidige Mitilíni), de hoofdstad van Lesbos. Maar wie hem inderdaad daar (of waar dan ook) aantreft, verdient een eervolle vermelding in de IG. Want IG XII,2 458 is al meer dan een half millennium spoorloos. Voor het laatst gezien omstreeks 1450 door Cyriacus van Ancona.

Lees verder “Een hond uit Lesbos”

De Gallische boerderij

Een Gallische boerderij: reconstructie in de Archéosite, Aubechies.

Een tijdje geleden kocht ik het Dictionnaire de la langue gauloise van Xavier Delamarre en dat heb ik zowaar gelezen. Al eerder blogde ik over de manier van reconstructie, over zomaar wat woorden, over kledingstukken en enkele bekende plaatsnamen. Vandaag neem ik u mee naar een Gallische boerderij.

Om te beginnen hebben we een weide ofwel clunia. Het woord leeft voort in het Iers en enkele andere Keltische talen, en omdat er Griekse en Litouwse parallellen zijn, kunnen we nog wat verder naar terug en een heel oud woord *klopni reconstrueren, wat zoiets betekent als “bewaterd veld”. Plaatsen die naar Gallische weiden zijn vernoemd zijn het Franse Cluny en Clugnat, het Oostenrijkse Clunia, het Britse Clowne en Clunton en nog zo het een en ander van Spanje tot Hongarije.

Lees verder “De Gallische boerderij”

Dierenbotten uit Carnuntum

Na afloop van een jachtpartij in het amfitheater worden de kadavers geruimd. Eén beer geeft zich nog niet gewonnen. Dit reliëf komt uit Kibyra en is nu in de Archeologische Musea van Istanbul.

Even ten oosten van Wenen ligt Carnuntum. Een Romeinse legioenbasis zoals er wel meer zijn: een groot fort, een rivierhaven, een stad ernaast, een residentie voor een bestuurder, heiligdommen. Het Veertiende Legioen Gemina, hier gestationeerd, had het allemaal. En wat zo aardig is: het is nauwelijks overbouwd, zodat de plek een archeologische vindplaats hors catégorie is.

Momenteel doen bioarcheologen onderzoek naar het amfitheater bij het fort, waar de botten zijn gevonden van de dieren die daar in de Late Oudheid in de arena zijn omgebracht. U denkt nu aan leeuwen, maar daarvan zijn geen resten gevonden. De archeologen hebben wel een door honden aangevreten panterbot aangetroffen, maar het is onduidelijk of de panter het in de arena heeft moeten opnemen tegen wilde honden of wolven, of dat het kadaver voor de honden is geworpen. Was de panter een exoot, de rest van de dieren was inheems: beren, herten, wolven, bizons en wat everzwijnen. Na de jachtpartijen in de arena gingen ze allemaal naar de slager, die het vlees verkocht en de botten dumpte. Zie het plaatje hierboven.

De slager slachtte verder varkens (daarover binnenkort meer), schapen, paarden, ezels, kippen, ganzen, hazen en een enkele geit. De opgravers vonden ook visgraten en de botjes van raven, kraaien en kauwen. Kortom, afgezien van de panter waren het allemaal inheemse dieren, wat misschien een aanwijzing is voor de regionalisering van de Romeinse economie in de Late Oudheid. Er was echter nóg een exoot.

Lees verder “Dierenbotten uit Carnuntum”

De Tuinman en de Hond 

Beeld van een hond uit Volubilis (Museum van Rabat)

Ik had Aisopos’ fabel van de Tuinman en de Hond vandaag even nodig en ontdekte dat die op het internet maar op één plek was te vinden. Op de website van de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren vanzelfsprekend. Met dit stukje is deze mooie fabel, naverteld door Arthur van Schendel, is het er voortaan twee keer.

Lees verder “De Tuinman en de Hond “

Byzantijnse krabbel (12): Fabels

Een kwatrijn is een gedichtje van vier regels. De grootmeester van het genre is de middeleeuwse Perzische auteur Omar Khayyam, over wie ik al eens blogde, twee keer zelfs: 1, 2 en nog een derde keer als een bonus die eigenlijk niet over hem gaat. De weinige keren dat ik zelf heb geprobeerd een kwatrijn te schrijven, ontdekte ik dat het moeilijk is een gedachte in precies vier regels te gieten: om echt iets te zeggen, had ik er eigenlijk altijd meer nodig. Sonnetten zijn makkelijker.

Des te knapper vind ik het als iemand in een kwatrijn een compleet verhaal kan vertellen. Dat probeerde de Byzantijnse dichter Ignatios, die het kwatrijn benutte voor het vertellen van fabels: verhaaltjes met een plot en een moraal, en dat in vier zinnetjes.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (12): Fabels”

Een hond in de pot

Hondengraf uit Englum (Wierden-informatiecentrum, Ezinge)

Gistermorgen is de hond van een vriend is overleden. Die vriend woont in een andere stad in een ander land en ik heb het dier nooit gezien, maar ik weet dat het beest met zijn baasje enorme wandelingen maakte naar de haven en het strand, waar het dier dan speelde in de branding. In gedachten kan ik hem zien springen op het schuim, blij blaffend en uitgelaten, zoals honden nu eenmaal zijn.

Honden zijn vrolijk. Het is alsof ze altijd alles wat ze doen het allerleukste vinden wat bestaat. Ik heb weleens mensen ontmoet die bang zijn voor honden, en ik beken dat ik in Griekenland ook liever geen herdershonden ontmoet, en eigenlijk ben ik ook meer een kattenmens, maar dat laat onverlet dat die blije beesten je toch vaak in een goed humeur brengen.

Lees verder “Een hond in de pot”

Dierendag

Reliëf van een everzwijn en een hond (Keulen, Römisch-Germanisches Museum)

1.

Ik was onlangs even in het Römisch-Germanisches Museum in Keulen. Mocht u het niet kennen: haast u, want het sluit op 31 december de deuren voor een vermoedelijk lange verbouwing. Eén van de voorwerpen in de collectie ziet u hierboven: een derde-eeuws Romeins reliëf van een everzwijn en een niet al te grote hond. Het is gevonden in het westen van de stad.

Misschien is dit alles wat er over dit reliëf te zeggen valt: gewoon een mooi stuk beeldhouwwerk, goed uitgevoerd, levensecht, door een maker die wist hoe honden en zwijnen eruitzagen. Iemand die de bomen in de achtergrond handig benutte om het linker van de twee kijvende dieren bijna de helft van het beeldveld te geven en het rechter nog wat kleiner te laten lijken, terugwijkend bovendien, maar wél stevig op de grond.

Lees verder “Dierendag”

Fietsen naar Thessaloniki: Thessalië

Een hellenistische havenstad in Thessalië: nauwelijks zichtbaar op deze foto uit het kartonnen cameraatje, ligt hier Halos.

In 1989 werkte ik een zomer lang op een opgraving van de Rijksuniversiteit Groningen: Halos in Thessalië. Een groot opgraver is aan mij niet verloren gegaan, maar ik heb er veel geleerd en een paar mensen leren kennen die ik nog af en toe tegenkom, dus het is een waardevolle tijd geweest.

Wat minder leuk was, was dat ik er verschrikkelijk slecht sliep. Dat had niets te maken met het hotel in het vissersdorp waar we verbleven, Amaliapoli, of met het werk, mijn kamergenoten of de stress van onbekend werk. Ik lag ’s avonds lang wakker en in de middag duurde mijn siësta nooit lang genoeg. Daardoor was ik vaak een van de eersten die na zijn middagdutje in de lobby van het hotel zijn aantekeningen zat uit te werken. Daarna ging ik aan de baai zitten, meestal met een doos kleurpotloden om tekeningen te maken van de prachtige Pagasitische Golf, met uitzicht op het schiereiland van Magnesia. Dat trok de aandacht van wat meisjes uit het dorp, die vaak een praatje kwamen maken en hun Engels oefenden. Met een van hen bleef ik daarna brieven uitwisselen en tijdens mijn fietstocht in de zomer van 1992 ging ik bij haar langs.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: Thessalië”