Algiers 1830

Ik heb eerder geschreven over de Barbarijse Staten en verteld dat hun reputatie als piraten eigenlijk onverdiend was. Ze deden wél aan kaapvaart, dus het in oorlogstijd beroven van vijandelijke koopvaardijschepen. Dat was lange tijd volkomen normaal; in een ander blogje schreef ik over de joodse kapers die tijdens de Spaanse Successieoorlog namens de Staten-Generaal de Caraïbische wateren onveilig maakten voor Spaanse schepen. Kaapvaart begon als er oorlog uitbrak, was gereguleerd met kapersbrieven en hield op zo gauw er een vredesverdrag was – en zo simpel was het.

Voor de Barbarijse leiders – de Ottomaanse pasja van Tripoli, de Ottomaanse bey van Tunis en de Ottomaanse dey van Algiers – was kaapvaart een verdienmodel, mogelijk doordat er altijd wel ergens een Europese oorlog was waarin men partij kon kiezen. Men beroofde schepen en zette de bemanning in als slaven, net zo lang tot die werden vrijgekocht. Een en ander paste bij het islamitische ideaal dat het geloof moest worden verspreid, maar deze religieuze motivatie was allang ondergeschikt aan de commerciële. Kaapvaart was voor de Barbarijse Staten overigens niet de belangrijkste economische activiteit. Soms leed men er zelfs verlies op, want goedkoop waren de kaapschepen niet, en handel was altijd profijtelijker. Algiers, met de agrarische rijkdom van de Hautes Plaines, leverde bijvoorbeeld graan aan Frankrijk, zodat de twee landen elkaar al in de achttiende eeuw goed kenden.

Lees verder “Algiers 1830”

Algiers 1808

Boutins landkaart van Algiers (noord is rechts)

Begin 1808 stond Napoleon op het hoogtepunt van zijn macht. Hij had de Rijnbond gesticht, hij had bij Jena het onoverwinnelijk geachte Pruisen verslagen, hij had goede hoop met het Continentaal Stelsel de Engelsen eindelijk op de knieën te drukken, hij had met Rusland het vredesverdrag van Tilsit gesloten. Tijd dus om op weg te gaan naar nieuwe veroveringen.

Napoleon liet zijn oog vallen op de Barbarijse Staten, zeg maar het huidige Marokko, Algerije, Tunesië en Libië. Ik blogde er al eens over. Het doel was om de Middellandse Zee tot een Franse binnenzee te maken. Bijkomend voordeel was dat hij zich kon presenteren als bestrijder van de Barbarijse kapers, die christelijke zeelieden gevangen namen en tegen hoge losgelden weer vrij lieten. In april 1808 vroeg Napoleon zijn minister van Marine of er een haven aan de Algerijnse kust was waar een eskader veilig beschermd zou kunnen landen zonder gevaar te lopen te worden aangevallen door een overmacht van vijandelijke schepen. Verder wilde de keizer weten in welk seizoen ziektes het minst te vrezen waren en welk het klimaat het geschiktst was.

Lees verder “Algiers 1808”

De Maghreb in de Middeleeuwen

Maquette van Qal’at Bani Hammad (Museum van Sétif)

Ik heb weleens de indruk dat oudheidkundigen die zich bezighouden met de Lage Landen in de Romeinse tijd, de seizoensmigratie onderschatten. Voor de Maghreb geldt het omgekeerde: er bestaat een neiging om de mobiliteit van de bevolking te overschatten. Heel veel Berbers waren sedentair – en dat al eeuwenlang. De Griekse onderzoeker Herodotos vermeldt het in de vijfde eeuw v.Chr.noot Herodotos, Historiën 4.187.

Het beeld van een grotendeels nomadische bevolking zal in de hand zijn gewerkt doordat een andere Griekse geschiedschrijver, Polybios, de Numidische koning Massinissa presenteert als De Grote Civilisator. Dat “Numidiërs” bedrieglijk veel lijkt op νομάδες zal ook een rol hebben gespeeld. En tot slot: toen de Fransen zich eenmaal van Algerije meester hadden gemaakt, kan het hun wel goed zijn uitgekomen de nadruk te leggen op nomadisme. Dat gold in Europa als minder beschaafd en dus konden de Fransen denken dat ze de bewoners van de Maghreb voor hun eigen bestwil hadden onderworpen. Ik heb eerlijk gezegd geen idee of het echt zo is gegaan, maar zou het me kunnen voorstellen.

Lees verder “De Maghreb in de Middeleeuwen”

De snelle arabisering van de Maghreb

Maghrebijnse munt, vroege achtste eeuw (Raqqada, Kairouan)

[Laatste van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Er is een wonderlijk verschil tussen landen als Syrië en Egypte enerzijds en de Maghreb anderzijds: in de oostelijke landen bleef, toen de Arabieren kwamen, de laat-Romeinse bevolking nog lange tijd herkenbaar, terwijl ze in de Maghreb snel verdween. Anders geformuleerd: in de Levant (en ook op het Iberische Schiereiland, trouwens) waren nog eeuwenlang niet-Arabisch sprekende, joodse of christelijke groepen aanwezig, maar in de Maghreb was dat fors minder. Waarom?

Steden en nomaden

Het kan samenhangen met de inbedding van de steden in het grotere economische systeem. In het Nabije Oosten waren de steden oeroud en was de hele sociaal-economische wereld gebaseerd op steden. In Tunesië, Algerije en Marokko waren de Fenicische en Numidische steden weliswaar ontstaan vóór de Romeinen, maar pas groot gemaakt toen de Romeinen begonnen met de systematische kolonisatie van de Hautes Plaines. Ze waren veel minder dominant en met de demografische neergang van de Late Oudheid verschoof het economisch zwaartepunt naar de nomadische Berbers.

Lees verder “De snelle arabisering van de Maghreb”

Koningin Kahina

Émile Vernet-Lecomte, Femme berbère (1870); in Algerije vaak gebruikt als portret van Kahina

[Zesde van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Met de val en verwoesting van Karthago, waarover ik schreef in het vorige blogje, kwam een einde aan de Byzantijnse aanwezigheid in Ifriqiya. Als er verder naar het westen al vlootsteunpunten zijn geweest, zijn die snel daarna opgegeven. Alleen rond de Straat van Gibraltar heerste nog de al genoemde exarch Julianus, die feitelijk een post-Romeins staatje voor zichzelf was begonnen tussen het Rijk van Toledo en de Berbers van het huidige Marokko. De Byzantijnen waren dus verdwenen, maar hun Berber-bondgenoten waren er nog, en zij zetten de strijd tegen de Arabische veroveraars voort.

Kahina

Hun leider was koningin Kahina. Rond haar bestaat een hoop moderne legendevorming: ze was een tovenares, een profetes wier voorspellingen opvallend vaak uitkwamen, een feministe, voorbeeld voor het verzet tegen koloniale mogendheden (lees: Frankrijk), heldin in het Berber-verzet tegen de Arabieren, Afrikaanse heerseres, joodse verzetsstrijder. Dat laatste gaat terug op een opmerking van de veertiende-eeuwse geleerde Ibn Khaldun, die in haar naam het Hebreeuwse woord cohen (“priester”, Arabisch kahin) herkende, maar de meeste hedendaagse geleerden vermoeden dat ze een christelijke Berber-prinses was die haar positie tevens te danken had aan het feit dat ze getrouwd was geweest met een van de laatste Byzantijnse bestuurders.

Lees verder “Koningin Kahina”

Het einde van Karthago

De haven van Karthago

[Vijfde van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Terwijl de Arabische legers oprukten naar Marokko, overleed kalief Yazid I, en gedurende anderhalf jaar was onduidelijk wie de macht zou overnemen. In 685 trad Abd al-Malik aan, die u kunt kennen als de bouwer van de Rotskoepel in Jeruzalem. Pas in 688 kon een nieuw Arabisch leger naar Ifriqiya komen, gecommandeerd door de stokoude Zuhayr ibn Qays, een van de metgezellen van de profeet Mohammed. Kusayla, de leider van het laatste verzet, realiseerde zich dat het door hem bezette maar niet ommuurde Kairouan niet te verdedigen was en trok zich daarom terug naar de westelijke bergen, waar Zuhayr hem werd versloeg en doodde.

Zuhayr kreeg de kans echter niet om zijn gezag in Ifriqiya afdoende te consolideren, want kort na de overwinning kreeg hij het bericht dat de Byzantijnen in de tegenaanval waren gegaan en de Cyrenaica hadden aangevallen. Zijn aanvoerlijnen waren dus afgesneden. Hij haastte zich terug en kwam om het leven in een gevecht met de Byzantijnse soldaten.

Lees verder “Het einde van Karthago”

Uqba ibn Nafi al-Fihri (2)

Byzantijnse versterkingen in Lambaesis

[Vierde van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Het was in het nog jonge Kalifaat niet ongebruikelijk dat succesvolle generaals werden weggepromoveerd of gearresteerd vóór ze een eigen machtsbasis hadden die een bedreiging voor de kalief kon worden. Dat overkwam ook Uqba ibn Nafi al-Fihri, die door een nieuwe gouverneur werd gevangengenomen.

Kusayla

De nieuwkomer, Abu ’l-Muhajir, consolideerde het gezag in Ifriqiya door een verdrag te sluiten met een Berberleider die in de bronnen Kusayla wordt genoemd, mogelijk een weergave van het Latijnse Caecilius of het Berbers Kasil, “luipaard”. Volgens de veertiende-eeuwse geleerde Ibn Khaldun kwam Kusayla uit Tlemcen, in het uiterste westen van het huidige Algerije, terwijl moderne historici hebben geopperd dat het gaat om het niet ver daarvandaan gelegen Altava, dat we in de voorafgaande blogjes al tegenkwamen. De Byzantijnse generaal Gennadius had het daar bestaande koninkrijk weer in het keizerlijke bestel geïntegreerd, maar dat was nu voorbij: Kusayla verruilde zijn christelijke religie voor de islam en vestigde zich in Kairouan.

Lees verder “Uqba ibn Nafi al-Fihri (2)”

Uqba ibn Nafi al-Fihri (1)

Moskee van Kairouan

[Derde van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Ik heb Uqba ibn Nafi al-Fihri (622-683) al eens eerder genoemd: hij is de stichter van de Tunesische stad Kairouan en een voorouder van enkele leiders die een belangrijke rol speelden in de jaren na de Arabische verovering van het Iberische Schiereiland. Uqba is in Nederland niet zo bekend, en een mens hoeft ook niet alles te weten, maar hij is een van de grote namen uit de geschiedenis van de Maghreb.

Eerst even zijn afkomst. Hij was een neef van Amr ibn al-As, een van de gezellen van de profeet Mohammed en de man die in 639-642 leiding had gegeven aan de Arabische verovering van Egypte. Al in 642 was hij doorgestoten naar de Cyrenaica, het noordoosten van het huidige Libië. Amr nam Uqba, die als kind overigens de profeet nog had gekend, met zich mee en wees hem aan als gouverneur van de stad Barka, het huidige El Marj in Libië. Uqba was pas drieëntwintig jaar oud.

Lees verder “Uqba ibn Nafi al-Fihri (1)”

De Maghreb in de Late Oudheid (2)

Het Byzantijnse fort van Madauros

[Tweede van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Ik eindigde mijn vorige blogje over de Maghreb in de Late Oudheid met de onderwerping van het Vandaalse koninkrijk door de Byzantijnse generaal Belisarius in het jaar 533. Hij sloot een verdrag met een Berber-koning genaamd Massonas, die lijkt te hebben geheerst vanuit Altava in het noordwesten van het huidige Algerije. De twee partijen werkten in de volgende jaren samen, onder meer tegen andere groepen Berbers. De Byzantijnen bouwden een reeks forten. In Tunesië is te denken aan Sufetula (Sbeitla), Mactaris (Makhtar) en Ammaedara (Haïdra). In Algerije gaat het om Theveste (Tebessa), Madauros (M’daourouch), Lambaesis (Tazoult), Thamugadi (Timgad), Sitifis (Sétif) en Tipasa. Meer naar het westen ontbreken de forten, omdat het gebied in handen was van de bevriende Berbers van Altava.

Demografische neergang

Wie die forten ziet, valt op hoe klein ze zijn. Ze zijn ook grotendeels gebouwd uit gerecycled ouder bouwmateriaal, vaak de enorme stukken natuursteen waarop inscripties hadden gestaan. (De Byzantijnse forten zijn een paradijs voor epigrafen.) Omvang en bouwmateriaal zullen wel samenhangen met de demografische neergang in Late Oudheid. Het meest opvallende aspect daarvan is de pest-epidemie die uitbrak in 541, maar de neergang had al eerder ingezet.

Lees verder “De Maghreb in de Late Oudheid (2)”

De Maghreb in de Late Oudheid (1)

Latijnse ostrakon uit Timgad, waarin iemand met een Berbernaam een transactie dateert aan de hand van een Vandaalse koning

Toen Augustinus in 430 in Hippo Regius overleed, belegerden de Vandalen zijn stad, die ze kort daarna bezetten. Karthago volgde in 439. Onder leiding van Geiserik stichtten de Vandalen een eigen koninkrijk binnen de grenzen van het aloude Romeinse imperium. De tijden waren aan het veranderen.

Eén van de redenen waardoor het zo ver had kunnen komen, is dat het keizerlijk hof in Ravenna en Constantinopel lang weinig belangstelling had gehad voor de Maghreb. De Duitse oudhistoricus Mischa Meier typeert het als een proces van terugtrekking.

Lees verder “De Maghreb in de Late Oudheid (1)”