De wereldondergang volgens Johannes

Alexander als kosmokrator: maansikkel, sterren, en hijzelf als zon (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Om mijn wekelijkse stukje over het Nieuwe Testament maar met een gemeenplaats te beginnen: een boodschap bestaat uit een kern en een omhulsel. Als ik zeg “de zon komt op”, weet u perfect wat de boodschap is: het is licht aan het worden. Dat is de kern. Tijdens onze conversatie delen we daarnaast een omhulsel van culturele noties. U en ik weten bijvoorbeeld allebei dat het niet letterlijk de zon is die opkomt, maar de aarde die roteert onder een statische zon. Het omhulsel bevat dus de notie dat we de woorden “de zon komt op” niet letterlijk mogen nemen, ja dat het tegengestelde wordt bedoeld van wat feitelijk is gezegd.

Een van de problemen van de oudheidkunde is dat we het omhulsel niet goed kennen. Daarom is een antieke tekst nooit zomaar een antieke tekst. Daarom ook kun je nooit zomaar woord-voor-woord vertalen.

Lees verder “De wereldondergang volgens Johannes”

Culturele toe-eigening

Monet, La Japonaise

Culturele toe-eigening: ineens was die term er, althans voor mij, twaalf jaar geleden, toen een Nederlandse zangeres een Indiaanse verentooi wilde dragen bij het Eurovisie-songfestival. Ze zou zich iets hebben toegeëigend uit een cultuur die niet de hare was. Het was een soort klacht waarvan ik nooit eerder had gehoord.

Daar zijn verklaringen voor. De eerste is: er zijn machtige en minder machtige culturen en omdat ik behoor tot een wat machtigere cultuur, ben ik er minder op gespitst dat het verkeerd is als iemand uit een machtige cultuur iets toe-eigent uit een minder machtige cultuur. Vandaar dat ik er nooit van had gehoord. Met die verklaring neem je de constatering serieus, maar ik vind het wat makkelijk aan te nemen dat machtigere culturen per se insensitief zijn. Makkelijk vind ik ook een andere verklaring voor mijn onwetendheid: dat je zegt dat het overnemen van dingen uit andere culturen het wezen is van beschaving. Dan maak je je met een dooddoener af van het verwijt. Dat is dus ook wat al te gemakkelijk.

Lees verder “Culturele toe-eigening”

Het einde van de wereld

Twee jaar geleden blogde ik over de Tweede Brief van Petrus. Het detail dat ik eruit lichtte was de spot die voor de eerste christenen moet hebben behoord bij de dagelijkse ervaringen. Wie gelooft in de terugkeer van een messias en het einde van de wereld, krijgt natuurlijk opmerkingen te horen. “Nou, waar blijft ’ie dan, die gekruisigde praatjesmaker van je?”noot 2 Petrus 3.4; Lucianus documenteert “gekruisigde praatjesmaker”. Je leest in 2 Petrus wat een christelijke visser, huisvrouw of timmerman zo nu en dan hoorde. Speelse plagerijen, zeker, en we moeten het niet groter maken dan het is, maar ook goedmoedige plagerijtjes voorzien iemand van een etiket dat zo iemand in tijden van vervolging stigmatiseert. Een geintje is leuk, maar leuk is niet altijd geinig.

Het einde van de wereld

Aan de voorspelling van de Eindtijd in 2 Petrus is echter veel meer te ontdekken. Het ziet er niet best uit. Dit is een anti-schepping, een omgekeerd Genesis.

De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde en alles wat daarop gedaan is verdwijnt. noot 2 Petrus 3.10; NBV21.

Lees verder “Het einde van de wereld”

Een christelijke utopie

De christelijke utopie: een gemeenschappelijke maaltijd van zeven leerlingen en een leraar; ik mag hopen dat ook de twee bedienden iets te eten kregen (Catacomben van Domitilla, Rome).

Het zou in de rede hebben gelegen als ik vandaag zou bloggen over Pinksteren, maar daar heb ik het al vaker over gehad (namelijk hier) en ik heb geen zin in herhaling. Nadat de auteur van Handelingen heeft verteld over die gebeurtenis, de komst van de Heilige Geest dus, presenteert hij een lange toespraak van Petrus, en vervolgens is er een beschrijving van het leven van de eerste christenen.

Ze wijdden zich trouw aan het onderricht dat de apostelen gaven, aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed. De vele tekenen en wonderen die de apostelen verrichtten, vervulden iedereen met ontzag. Allen die tot geloof gekomen waren, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten hun eigendommen en bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde. Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk.noot Handelingen 2.42-47; NBCV21.

Lees verder “Een christelijke utopie”

De joodse Diaspora (2)

Joods grafschrift uit Rome (Museo nazionale delle terme, Rome)

In het vorige stukje noemde ik de plaatsen waar aan het begin van de jaartelling Joden leefden. Dat was eigenlijk in de hele antieke wereld.

Variatie

Het gaat om groepen wier interne autonomie door het Romeinse Recht werd erkend, wat ook logisch was, want men kon alleen leven naar de eigen regels als de rest van de stedelijke gemeenschap daar een beetje rekening mee hield. Flavius Josephus biedt een opsomming van de rechten die Julius Caesar in een dozijn steden verleende aan de Joodse minderheden.

Ik gebruik tot nu toe de hoofdletter J, want tot nu toe ging het nauwelijks om religie. Maar de verspreiding van het volk betekende wel dat variatie ontstond in de joodse godsdienstige gebruiken en ideeën. Er waren allerlei afwijkingen van wat in het moederland gangbaar was. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat Diaspora-Joden tijdens de sabbat vastten, wat mogelijk een manier was om in een overwegend niet-Joodse omgeving de spijswetten en sabbatsrust enigszins in acht te nemen. Later zou men in Rome het paaslam slachten zoals men dat in Jeruzalem had gedaan toen de tempel er nog stond, hoewel deze gewoonte in Judea was afgeschaft.

Lees verder “De joodse Diaspora (2)”

De joodse Diaspora (1)

De synagoge van Sardes, een belangrijk centrum in de Diaspora

Binnenkort is het Pinksteren en ongetwijfeld zal in de kerken een beroemde passage worden voorgelezen uit de Handelingen van de Apostelen. Context: het is de tijd van het Wekenfeest (Sjavoeot) en de Heilige Geest daalt in Jeruzalem neer op Jezus’ leerlingen, die voortaan in alle talen van de wereld kunnen spreken – een omgekeerd Babel. De omstanders zijn verbaasd:

“Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? Parthen, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, mensen uit Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Kyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.”noot Handelingen 2.7-11; NBV21.

Lees verder “De joodse Diaspora (1)”

Jona en de pompoen

Jona onder de wonderboom (Sarcofaag, Römisch-Germanisches Zentralmuseum, Mainz)

Het bijbelse verhaal van Jona en de walvis was al heel populair onder de eerste christenen. Het is een zeer beeldend verhaal, dat samenhangt met de idee van de wedergeboorte, een belangrijk christelijk thema. Aangezien veel christenen uit eenvoudige milieus kwamen, konden zij niet lezen, en kenden zij de bijbel alleen mondeling of van afbeeldingen. Mozaïeken, sarcofagen en muurschilderingen beelden vaak het verhaal uit van Jona die door een grote vis werd opgeslokt en uitgespuwd. Af en toe wordt hij echter ook zittend of liggend onder een prieel afgebeeld. Dit deel van het verhaal is minder bekend en heeft betrekking op de volgende bijbelverzen:

Nadat Jona Nineve had verlaten, was hij aan de oostkant van de stad gaan zitten. Hij had er een hut gemaakt om in de schaduw af te wachten wat er met de stad zou gebeuren. Nu liet de HEER God een wonderboom opschieten om Jona schaduw boven zijn hoofd te geven en zijn ergernis te verdrijven. Jona was opgetogen over de boom. Maar de volgende morgen, bij het aanbreken van de dag, liet God de boom door een worm aanvreten, zodat hij verdorde.noot Jona 4.5-7; NBV21.

Lees verder “Jona en de pompoen”

De synagoge

Palestijnse synagoge (Museumpark Orientalis)

In het Nieuwe Testament, waarover ik op zondag vaak blog, wordt bijna zestig keer gesproken van synagogen. Ze heetten destijds ook wel proseuche, wat zoiets betekent als “gebedshuis”. Zulke plaatsen van samenkomst waren in vrijwel elk dorp te vinden en in de grote steden waren er diverse. Alleen al in Rome waren er minimaal twaalf.

Ontstaan

Uit de Late Oudheid kennen we allerlei synagogen, vaak met mozaïeken, maar we zouden meer willen weten over de tijd die eraan vooraf is gegaan. Lange tijd was daarover weinig bekend. Wat logisch is, want het zal oorspronkelijk zijn gegaan om kamers in de huizen van vermogende mensen. We weten bijvoorbeeld dat zo rond 100 v.Chr. de vroege farizese leider Jose ben Joëzer zijn leerlingen voorhield dat hun huis een ontmoetingsplaats moest zijn van wijzen.noot Mishna, Abot 1.4. Zolang de synagogen in woonhuizen waren, zijn ze vanzelfsprekend niet zo makkelijk archeologisch te identificeren. We weten dan ook niet zeker waar de synagoge is ontstaan. Je leest weleens dat het was in de Diaspora, dus buiten het land van Israël, maar dat is dus niet te bewijzen.

Lees verder “De synagoge”

Hoe Matteüs Marcus bewerkt

Het Meer van Galilea

Een van de bekendste verhalen uit het Nieuwe Testament is dat over Jezus die over het water wandelt. Zulke natuurwonderen behoren tot het standaardrepertoire van antieke charismatische wijsheidsleraren. De pointe is dat zulke lieden meer inzicht hadden in de aard van de werkelijkheid dan anderen, en daardoor wonderlijke dingen konden doen. Wie met gezag sprak, bewees het door met een scheermes een aambeeld doormidden te snijden, vuur te spugen, boeien van zich af te schudden of over water te lopen.

De anekdote over de over het water wandelende messias is overgeleverd door zowel Marcus als Johannes, wat betekent dat ze twee keer is geattesteerd en vermoedelijk een redelijke ouderdom heeft. Ook omdat de twee evangelisten het verschillend vertellen. Hier is Johannes’ versie.

Lees verder “Hoe Matteüs Marcus bewerkt”

Barnabas, de leviet van Cyprus

Recent mozaïek van Barnabas (Kykkosklooster)

De vier cirkels rond Jezus waren – zoals ik al eens heb uitgelegd – zijn algemene publiek, de leerlingen, de Twaalf en de groep die bekendstaat als de Apostelen. Die laatsten, een stuk of zeventig in getal, zond hij twee aan twee uit. De groep bleef na Jezus’ dood bestaan en belichaamt zo de continuïteit van een plattelandsmessias naar de jonge kerk. Er waren vermoedelijk echtparen bij; we kennen althans een apostel die Junia heette.

Barnabas de Leviet

Toen Paulus zich, na een wonderlijke gebeurtenis op de weg naar Damascus, had bekeerd, ging hij zichzelf apostel noemen (althans in zijn brieven; de Handelingen zijn op dit punt terughoudender). Zijn reisgenoot zou Barnabas zijn, een volgeling van het eerste uur, toen de christenen (net zoals de sekte van de Dode-Zee-rollen) nog alles gemeenschappelijk hadden bezeten.

Lees verder “Barnabas, de leviet van Cyprus”