Een leeuwenjacht uit Uruk

Koninklijke jagers (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

Nog maar eens, na die mooie vaas, een plaatje van een leeuwenjacht uit Uruk. Het reliëf met twee jagers is ongeveer even oud als de vaas en gemaakt van zwart graniet. Dat gesteente komt in Mesopotamië nergens voor en moet zijn geïmporteerd uit bijvoorbeeld de omgeving van Natanz in Iran. Het oogt op het eerste gezicht wat primitief, maar let eens op de boogschutter onderaan, die zijn schouders heeft opgetrokken, zoals je doet als je een pijl aanlegt. En kijk eens hoe levensecht die drie leeuwen opspringen.

De vraag wat het voorstelt is misschien verkeerd gesteld. Mensen maken dingen omdat ze die mooi vinden en het hoeft niet per se iets voor te stellen. (Mij persoonlijk stoort het altijd een beetje als een museumgids, uiteraard met de beste bedoelingen, een kunstvoorwerp meteen gaat uitleggen en je niet eerst even tijd laat om het op je te laten inwerken.) Tegelijk: mensen herkennen vormen en maken die na. De vraag wie deze twee jagers zijn, is wel degelijk legitiem. Het is dan opvallend dat hij kapsel heeft en een wat lang gewaad zoals we kennen van vorsten uit deze tijd.

Lees verder “Een leeuwenjacht uit Uruk”

De Warka-vaas

De Warka-vaas (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

Ik blogde al over de grote stad Uruk, tegenwoordig Warka, waar de overgang van Neolithicum naar geschiedenis is gedocumenteerd in niet minder dan achttien strata, d.w.z. de lagen die archeologen onderscheiden binnen een opgraving. In stratum III (ofwel de late Jemdet Nasr-periode ofwel het slot van de Prehistorie ofwel als de eerste geschreven teksten opduiken ofwel tussen 3100 en 2900 v.Chr. ofwel in de tijd waarin ze in Drenthe hunebedden bouwden) vonden de opgravers de bovenstaande vaas, die bijna een meter hoog is. Het kalkstenen kunstvoorwerp is te zien in het Nationaal Museum van Irak in Bagdad.

Plundering

U kent dat museum vermoedelijk wel omdat het in 2003 is geplunderd. De Warka-vaas is toen gestolen. Het voorwerp is later, toen er een amnestieregeling was, in veertien stukken geslagen teruggebracht en vervolgens gerestaureerd. Inmiddels is het terug in het museum. Als het niet zou zijn teruggebracht, was een goede kopie in het Pergamonmuseum in Berlijn alles wat we hadden gehad.

De onderste registers

De afbeelding vertelt veel over het Sumerische wereldbeeld. Helemaal onderaan zien we, ongeveer waar binnenin de vaas het langst het water moet hebben gestaan, allerlei golven. Het is niet moeilijk te raden wat het voorstelt. Daarboven zijn achtentwintig planten afgebeeld, die zijn te identificeren als dadelpalmen en gerst. Om en om.

Lees verder “De Warka-vaas”

De ontdekking van het oudste Irak

‘Ubaid-aardewerk uit Irak (Archeologisch Museum van de Amerikaanse Universiteit in Beiroet)

De eerste opgravers in Irak waren mensen als Botta, die Nineveh ontdekte; Layard, die de Assyrische hoofdsteden opgroef; Koldewey, die hetzelfde deed in Babylon; en Hamdi, die het museum van Constantinopel stichtte. Hun enorme verdiensten staan buiten kijf, want het was bepaald geen sinecure in het zich hervormende Ottomaanse Rijk, zonder heel duidelijke politieke verhoudingen maar vol etnische spanningen, je werk te doen. Al bood die onduidelijkheid ook kansen. Kansen die wij misbruik zouden noemen.

Afgezien van de organisatorische problemen hadden deze archeologen te maken met het feit dat ze hun vondsten alleen konden interpreteren aan de hand van teksten. Die vormden weleens een dwaalspoor, zoals toen Koldewey in Babylon speurde naar Hangende Tuinen die even reëel waren als Diagon Alley in Londen. En dan waren er de dieper liggende lagen, die de allereerste steden documenteerden. Toen schreven de mensen nog niet, dus de opgravers hadden geen idee wat ze opgroeven. Sumeriërs? Nog nooit van gehoord. Ook wisten ze niet hoe oud het spul was dat ze opgroeven. Ze noemden het dus maar “aardewerk zoals gevonden in Nineveh”. Zo ontstond de gewoonte archeologische culturen te vernoemen naar de eerste vondplaats. De La Tène-cultuur is een Europees voorbeeld en Andronovo is een Aziatisch voorbeeld.

Lees verder “De ontdekking van het oudste Irak”

De Amorieten

De Amoritische stadspoort van Ebla

“Aan het begin van het tweede millennium”, zo schrijven Luuk de Blois en Bert van der Spek in hun handboek Een kennismaking met de oude wereld, “kwamen in Mesopotamië twee staten tot ontwikkeling die de volgende vijftienhonderd jaar een hoofdrol zouden blijven spelen, namelijk Assyrië en Babylonië.” Over deze staatsvorming (of beter: staats-her-vorming, want er waren al staten) zeggen ze ook dat de Amorieten een rol speelden, een volk van herders dat al eerder vanuit het westen was gekomen.

Nomadische volken komen en gaan in de geschiedenis. Zo’n stamsamenleving clustert rond een leider, blijft bij elkaar, verplaatst zich, valt weer uit elkaar, herclustert. Soms kan de naam eeuwenlang bestaan terwijl de samenstelling van de groep volledig is veranderd. Dat lijkt hier ook het geval te zijn geweest. Voor de klerken van Sumer, Akkad en de Syrische stad Ebla waren de Amorieten oude bekenden; in Mesopotamië was hun naam vrijwel synoniem voor westerling.

Lees verder “De Amorieten”

Het oosterse wereldrijk

Akkadisch overwinningsreliëf (Louvre, Parijs)

In mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag de vraag: kan het niet simpeler met al die rijken uit de Brons- en IJzertijd? De Egyptische geschiedenis is vrij overzichtelijk verdeeld in drie “rijken”, wat tussentijden en nog een Late Periode, maar het Nabije Oosten is een vrij complexe afwisseling van Sumeriërs, Akkadiërs, Babyloniërs (oud-, midden-, nieuw-), Assyriërs (oud-, midden-, nieuw-), Elamieten, Meden, Achaimenidische Perzen, Seleukiden, Parthen en Sassanidische Perzen. En daarna dus de Kalifaten van Damascus en Bagdad. Nogal complex.

Het oosters wereldrijk

Bij inleidend onderwijs zeg ik altijd “het oosters wereldrijk” en dat lijkt me een toegestane vereenvoudiging, vergelijkbaar met de “vier vegen” om de geschiedenis van alle volken van Centraal-Azië samen te vatten. Het idee dat er één koning voor de hele wereld moest zijn, heeft eerbiedwaardig oude wortels; de stedelijke infrastructuur bleef eeuwenlang bestaan; literatuur en talen waren al even duurzaam. Het is niet verkeerd al die “rijken” op te vatten als dynastieën in hetzelfde grote koninkrijk. (Eigenlijk zijn het etnoklassen die toevallig niet aan de onderkant maar aan de bovenkant van de samenleving zitten; ik laat dit even wat het is.) Tot de enorme etnische veranderingen ten tijde van de Mongolenstorm was er nogal wat continuïteit.

Lees verder “Het oosterse wereldrijk”

Mitanni

Hurritische brief, gevonden in Tell Brak (Syrië; Museum van Deir ez-Zor)

In mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, laten we de Midden-Bronstijd achter ons en gaan we naar Mitanni. Als ooit het cliché “vergeten koninkrijk” van stal mocht worden gehaald, dan wel bij dit rijk. Het is in feite weinig meer dan een naam, een handvol archeologische resten en wat linguïstische hypothesen. Maar goed. We kunnen altijd de verschillende soorten informatie combineren en wanneer die elkaar bevestigen, kunnen we er misschien op vertrouwen niet ver van de historische waarheid te zijn.

Eerst maar dit: het is zo goed als zeker dat het centrum van Mittanni ergens aan de bovenloop van de rivier de Khabur lag, dus in het land tussen de Eufraat en de Tigris. De hoofdstad Waššukanni en de belangrijke steden Kahat en Taide zijn nog niet geïdentificeerd, maar het is redelijk zeker dat ze ergens in het zuidoosten van Turkije of het oosten van het huidige Syrië moeten liggen.

Lees verder “Mitanni”

De Midden-Bronstijd

Mentuhotep II, de grondlegger van het Middenrijk (Louvre, Parijs)

In de reeks over het handboek Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek moeten we het eens hebben over het tweede millennium. Er is een klimaatcrisis geweest en nu bevinden we ons in de Midden-Bronstijd, die we in Egypte associëren met het Middenrijk en in Mesopotamië met het Oud-Babylonische Rijk en het Oud-Assyrische Rijk. Het is ook de periode waarin de Indo-Europees-sprekenden Anatolië binnendringen en zich vestigen in de stad Hattusa, waaraan ze de naam Hittieten ontlenen.

Vroeg, Midden, Laat

Eerst een woord over de nomenclatuur. De populaire natuurmetafoor dat alle dingen ontstaan, groeien, bloeien en teloor gaan is klassiek-Grieks. Ze is te vinden bij onder andere Aristoteles. Antieke kunsthistorici gebruikten het beeld om de neo-klassieke stijl aan te duiden: na de klassieke periode was het vroege hellenisme een soort dood geweest. “Cessavit deinde ars,” schrijft Plinius, “de kunst hield toen op te bestaan”. Daarna bloeide ze echter weer op met die neo-klassieke kunst.

De achttiende-eeuwse Duitse kunsthistoricus Winckelmann nam het over: de kunst was ontstaan in de archaïsche tijd, bloeide in de klassieke tijd en wat daarop volgde was eigenlijk drie keer niks. De enige hoop voor zijn tijdgenoten was de navolging van de klassieke kunstenaars – en zo ontstond het achttiende-eeuwse classicisme.

Lees verder “De Midden-Bronstijd”

Koning van de vier windstreken

Sumerisch echtpaar (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

Ik blog de laatste tijd over het handboek waarmee ik in mijn eerste jaar aan de universiteit oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. Vandaag een aanvulling waarvan ik denk dat die belangrijk is.

Vroege Staat

Wat we in het vierde en derde millennium hebben gezien, is de groei van een stamsamenleving, waarin verwantschap de belangrijkste vorm van organisatie was, naar een maatschappij die we, met een woord van Hans Claessen, zouden kunnen typeren als “vroege staat”. Het tweede woord is hierbij eigenlijk wat misleidend, want in het bedoelde samenlevingstype vallen staat, koninklijke familie en hofhouding samen. Zoals ik al eens aangaf (maar ik weet niet meer waar), hebben we in het oude Egypte te maken met een één hof, dat zijn middelen van overal betrekt en zo een groot gebied beheerst, en is het verkeerd dit als een koninkrijk te zien. Dat is negentiende-eeuws. Voor Mesopotamië en Perzië geldt hetzelfde.

Lees verder “Koning van de vier windstreken”

Klimaatcrisis, 2200 v.Chr.

Hoe een klimaatcrisis eruit ziet: stofstorm in het noorden van Mesopotamië

In een eerder stukje in mijn reeks over het handboek oude geschiedenis dat ik, in een recente herdruk, aan het lezen ben, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, wees ik erop dat als het boek nu zou zijn opgezet, er geen gescheiden behandeling zou zijn geweest van Egypte in het derde millennium en Mesopotamië in het derde millennium. De Vroege Bronstijd, zoals we deze periode ook wel noemen, veronderstelde handel in tin en netwerken die zich uitstrekten over duizenden kilometers. Hoewel in de twee genoemde regio’s voor ons leesbare schriftsystemen zijn ontstaan die voor ons begrijpelijke talen documenteren, was het Nabije Oosten onderdeel van één groot, vroeg wereldsysteem.

Hypercoherentie

Een systeem dat hypercoherent was geworden. U herinnert zich die term uit de complexiteitstheorie nog van de kredietcrisis van 2008 of kunt haar kennen uit het fijne boek van Eric Cline over het einde van de Late Bronstijd, 1177 BC. Het komt erop neer dat als alles met elkaar vervlochten is, een ramp in één onderdeel onvermijdelijk gevolgen heeft voor de andere delen. Je zou willen dat een van de onderdelen ongeschonden overeind bleef, als een anker voor de andere, maar in een hypercoherent systeem ontbreekt dat. Dat was niet alleen de situatie aan het einde van de Late Bronstijd, maar ook in de tweeëntwintigste eeuw v.Chr.

Lees verder “Klimaatcrisis, 2200 v.Chr.”

Ziggurat

Ur, ziggurat

Het handboek waarover ik elke week een keer blog, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, bevat een tekening van de ziggurat ofwel tempeltoren waarvan u hierboven een foto ziet. Ziggurats zijn het Mesopotamische equivalent van de Egyptische piramiden: grote kunstmatige vierkante bergen van steen. Ze zijn ook ruwweg even oud: ergens in het vroege derde millennium werd begonnen met de constructie van deze monumenten. Anders dan een piramide, die een vorstengraf is, is een ziggurat een tempel; en terwijl de bouw van de piramiden al na twee eeuwen over zijn hoogtepunt was (letterlijk) en rond 1640 v.Chr. helemaal ophield, gingen de Sumeriërs, Elamieten, Akkadiërs, Babyloniërs, Assyriërs de volken op de Iraanse hoogvlakte door met de bouw van tempeltorens tot in de Seleukidische tijd. De foto hierboven toont een hellenistisch monument.

Het woord ziggurat is afgeleid van ziqqurratu, Akkadisch voor “oprijzend gebouw”. Sommige van deze monumenten rezen inderdaad hoog. De tempeltoren die bekend staat als Etemenanki (“Huis van het fundament van de hemel op aarde”) in Babylon was 92 meter hoog. Nog groter was het heiligdom van de god Anu te Uruk, gebouwd in de derde of tweede eeuw v. Chr. De best bewaarde tempeltoren staat in Choga Zanbil in Elam, het huidige Khuzestan in Iran.

Lees verder “Ziggurat”