Het is vandaag 1689 of 1688 jaar geleden dat in het Lycische havenstadje Myra de bisschop overleed. Wat deze Nikolaas van Myra overkwam tijdens zijn hemelvaart, is ronduit spectaculair, maar ik heb het al eens verteld. Vandaag wil ik het hebben over de christelijke gemeenschap die nu op zoek moest naar een nieuwe leider.
Verdeeld en vervolgd
Dat zal een kleine gemeenschap zijn geweest. In de derde eeuw, voordat keizer Constantijn de Grote de christenen tot eenheid dwong, was Christus op allerlei manieren vereerd geweest. Voor de meeste Romeinen – en dus ook voor de bewoners van Myra – was hij een van de vele goden die niet behoorden bij de officiële cultus, maar die je erbij kon nemen als dat je zo uitkwam.
Nikolaas van Myra redt drie onschuldigen het leven (Antivouniotissa-museum, Korfu)
Nikolaas, de bisschop van de Lycische havenstad Myra, is overleden op 6 december in een onbekend jaar in de vierde eeuw. Dat weten we zeker. Hij is vermoedelijk geboren in Patara, dat iets westelijker ligt. Wanneer hij het levenslicht zag, weten we niet, maar de kerk viert het op 29 juli. (Sint-Nikolaas heeft elk jaar vier feestdagen en de verklaring leest u hier.) En er is zowaar een nieuwtje over de hoogwaardige bisschop: de Italiaanse onderzoeker Gerardo Cioffari, die zijn leven heeft gewijd aan de wetenschappelijke bestudering van de Nikolaas-traditie, heeft een plausibele theorie over het sterfjaar van Nikolaas van Myra geformuleerd. Er is nog geen officiële publicatie, dus ik zeg het allemaal met een slag om de arm.
Het verhaal van de drie officieren
Maar eerst even dit. De oudste bron over het leven van bisschop Nikolaas is de Praxis de stratelatis, wat je kunt vertalen als “het avontuur van de officieren”. De tekst werd tot voor kort rond 400 gedateerd, maar allerlei details, zoals de plaatsnamen in Myra en de namen van functionarissen, blijken accuraat en daarom is nog niet zo lang geleden aannemelijk gemaakt dat de tekst rond 337 moet zijn geschreven. Een Engelse vertaling van die zogeheten “eerste recensie” is hier. In sommige handschriften vinden we een andere versie, die een iets uitgebreider slot bevat, toegevoegd door de auteur zelf.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer twee stukjes waarmee je de Oudheid wel in het nieuws wil hebben en twee stukjes hoe het niet moet. Eerst het slechte en dan het goede nieuws.
***
Nikolaas van Myra
Op 6 december was het een kleine 1700 jaar geleden dat Nikolaas, bisschop van Myra ontsliep. En omdat over de hele wereld mensen de heilige vereren, is dat voor archeologen in Demre, zoals Myra nu heet, een buitenkans om naar publiciteit en fondsen te hengelen. Zo komt het dat er elk jaar wel een vondst wordt gemeld die zou bewijzen dat Nikolaas’ gebeente nog in Myra rust (en niet in 1087 is overgebracht naar Bari). Zo toont het museum in Antalya botfragmenten, hadden we een paar jaar geleden deze holle claim, die daarna werd herhaald, en was er nu deze flauwekul.
[Dit is het laatste van vijf blogjes over Lycië; het eerste was hier.]
Na 168 v.Chr. was Lycië (landkaart) weliswaar onafhankelijk, maar het behoorde wel tot de Romeinse invloedssfeer. Echt onafhankelijk was het niet. Het kreeg te lijden tijdens de Eerste Mithridische Oorlog (89-85), toen koning Mithridates VI van Pontos alle Romeinse bezittingen in Klein-Azië aanviel. Toen de oorlog voorbij was, reorganiseerde Rome de politieke landkaart. Diverse steden in het binnenland, zoals Oinoanda, hoorden voortaan bij Lycië. Faselis werd weliswaar nog een tijdje bezet door de Cilicische Piraten, maar die vormden geen partij voor de Romeinse generaal Pompeius de Grote, die in 67 v.Chr. het Nabije Oosten opnieuw reorganiseerde.
Een paar jaar later bezocht de Romeinse politicus Cicero Lycië en beschreef het gebied als een “Griekenland”. Dit suggereert dat de bovengenoemde fantastische verhalen inmiddels algemeen werden beschouwd als nauwkeurige beschrijvingen van de begindagen. De Romeinse politicus merkte ook op dat de Lyciërs, als ze aan het einde van hun toespraken zijn, dichtbij het zingen komen.nootCicero, Orator 18.57.
[Dit is het vierde van een vijftal korte blogjes over Lycië; het eerste was hier.]
De onafhankelijkheid van Lycië (landkaart) is eigenlijk nooit meer hersteld en de plaatselijke cultuur begon te verdwijnen in de late vierde eeuw. De jongste Lycische inscriptie is geschreven in het laatste kwart van die eeuw. Toen het Perzische Rijk na 338 v.Chr. begon te desintegreren, werden de Lyciërs niet opnieuw zelfstandig, maar onderworpen door de Macedonische koning Alexander de Grote, die in de winter van 334/333 door het land marcheerde. Er was lokaal verzet, maar Alexanders ondercommandant Nearchos maakte daaraan een einde.
Een lijst van buitenlandse heersers geeft een beeld van de volgende, chaotische fase van de Lycische geschiedenis. Na de dood van Alexander in 323 werd het gebied achtereenvolgens geregeerd door zijn generaal Antigonos, door Ptolemaios I Soter (vanuit Egypte), door een broer van Kassandros van Macedonië, en vanaf 275 door de zoon van Ptolemaios, Ptolemaios II. De Ptolemaiën regeerden bijna een eeuw lang over Lycië, maar in 197, tijdens de Vijfde Syrische Oorlog, nam de Seleukidische koning Antiochos III de Grote de macht over. Die verloor hij echter weer tijdens de Syrische Oorlog tegen de Romeinen, die in 188 de regio toewezen aan hun bondgenoot Rhodos.
[Dit is het derde van vijf korte blogjes over Lycië; het eerste was hier.]
Ik liet u in het vorige blogje achter met de Perzische verovering van Lycië (landkaart), rond het midden van de zesde eeuw v.Chr. Na Xerxes’ mislukte expeditie naar Griekenland maakten de Griekse steden in Azië zich onafhankelijk, en ook enkele Karische en Lycische havensteden sloten zich aan bij de nieuwe Atheense alliantie, die was gericht tegen Perzië en Sparta.
Dit suggereert dat deze Lyciërs ongelukkig waren met de Perzische heerschappij, maar het is ook mogelijk dat een Atheens leger hun tot overgave heeft gedwongen. We weten zeker dat de Atheense admiraal Kimon rond 468 v.Chr. in de regio actief is geweest; ik blogde al eens over de slag bij Eurymedon. Er moeten echter meer soortgelijke expedities zijn geweest, die we niet kennen doordat we zo weinig bronnen hebben.
Ik kreeg de vraag voorgelegd wat je op een reis door Turkije kunt bekijken. Wat valt er zoal te zien? Simpel, denk je, maar het antwoord, oef, dat is lastig. Het probleem is dat Turkije asociaal veel erfgoed bezit. Elke antieke cultuur heeft er sporen nagelaten en vervolgens waren en de Byzantijnen, de Seljuken en de Ottomanen. Er is dus gewoon teveel om te bekijken. Ik zal daarom niet één maar vijf overzichten geven, waarbij ik aanteken dat mijn laatste bezoek aan dat mooie land alweer enige tijd geleden is. Achtereenvolgens: de westkust (vanmorgen en vanmiddag), het centrum (zaterdag), het oosten (volgende week woensdag) en Istanbul (donderdag). U krijgt in totaal vijftien maal werelderfgoed te zien. Fasten your seatbelts, here we go.
Lycië
Mijn eigen eerste bezoek aan Turkije begon op de luchthaven van Dalaman, waar we een auto huurden. Het is een mooi vertrekpunt voor een bezoek aan Lycië. Dat is het bergachtige zuidwesten van Turkije, met een rotsige kust en enkele havensteden, die bloeiden doordat er nauwelijks alternatieve aanlegplaatsen waren. Want de kust was dus rotsig. Beroemd zijn de Lycischerotsgraven.
Nog even over de relieken van Sint-Nikolaas dus, waarvan afgelopen zondag een piepklein deel vanuit de Egmondse Abdij is overgebracht naar de Amsterdamse Nikolaasbasiliek. Of dat bot echt is, is volkomen irrelevant. Een heilige staat voor een waarde – in dit geval: het is goed te geven aan wie niets kan teruggeven – en al het overige is geneuzel. Een weldenkend mens heeft het er niet over. Of besteedt het uit aan bloggers.
Scepsis
Broeder Adelbert, de reliekenbeheerder en huisblogger van de abdij van Egmond, heeft echter aangegeven in te staan voor de authenticiteit van de relikwie. Dat maakt mijn historische belangstelling wakker. Religieus geloof is immers één ding, wetenschap een ander ding. Je moet sterk staan om iets als “het is echt waar” te zeggen wanneer dat irrelevant is. Dan word ik nieuwsgierig.
Nog even over de resten die Sint-Nikolaas op aarde achterliet toen hij opsteeg naar de hemel – een verhaal waarover we het al eerder hebben gehad en dat we nu kunnen laten rusten, al is het nog zo mooi. We hebben het dus over Nikolaas’ gebeente.
Relikwieën over de hele wereld
Nog even herhalen: de ketterpletter is vermoedelijk in 342 of 343 begraven in een kerk aan de rand van de havenstad Myra. Die kerk is later herbouwd en in 1087 hebben mensen uit Bari daarvandaan de relieken meegenomen. Later gaven ze zo nu en dan botten mee aan bevriende steden. Het is dus mogelijk dat er een rib is terechtgekomen in de Egmondse Abdij, maar daarvoor zie ik, zoals ik gisteren schreef, zo snel geen aanknopingspunt in de bronnen van het latere graafschap Holland. Er zijn ook botfragmenten elders terechtgekomen, zoals in Venetië. De fragmenten in de Duitse keizerstad Worms zijn in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. En een stukje van het bekken van Sint-Nikolaas zou zijn beland in Lyon.
Het Sinterklaasjournaal besteedt er geen aandacht aan, maar er is nieuws over Sint-Nikolaas, goedheiligman, ketterpletter, bisschop van Myra alsmede beschermheilige van Amsterdam. Het nieuws: zondag zal een stukje van een van zijn ribben worden overgebracht naar de Amsterdamse Nikolaasbasiliek. Het botfragment is afkomstig uit de Abdij van Egmond.
Is dat botje echt?
Het is verre van mij daar de draak mee te steken. De verering van Sint-Nikolaas staat voor een waarde die minimaal overweging verdient: dat het goed is te geven aan mensen die niets terug kunnen geven. Daarom, zo lezen we in de Nieuwe Catechismus (vraag 25), geeft Sinterklaas aan kleine kinderen en is het een feest voor volwassenen. De vraag of het Egmondse botmateriaal werkelijk afkomstig is van de op 6 december 342 ontslapen bisschop, is niettemin een legitieme.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.