De mythe van Mithras

Mithras doodt de stier op een reliëf uit Aquileia (Louvre, Parijs)

Om redenen die ik nooit heb kunnen doorgronden, trekt de Romeinse god Mithras allerlei misverstanden aan. Nee, het is geen Perzische cultus. Ze gebruikt slechts wat Perzische vormen. Nee, de cultus verspreidde zich niet van het oosten naar het westen. Ze verschijnt vrij abrupt rond het jaar 100 na Chr. in alle delen van het Romeinse Rijk tegelijk. Nee, Mithras was niet vooral populair in de legerkampen, zoals De Blois en Van der Spek schrijven in Een kennismaking met de oude wereld. Van de ruim 1100 vereerders die we kennen, zijn er ongeveer 130 soldaat. Dat wil zeggen: ten opzichte van de normale verhouding van burgers en soldaten in onze inscripties zijn de laatsten juist ondervertegenwoordigd. (Alleen in Britannia komt het aantal militaire vereerders uit boven de 20%.) Nee, de tempel in Elst is weliswaar ondergronds, maar was niet gewijd aan Mithras. Heus, nee, de cultus van Mithras is nooit een echt alternatief voor het christendom geweest. Nee, de christenen namen 25 december als feestdatum niet over van de Mithras-vereerders. En ook niet het idee van een opstanding uit de dood.

Oké, die laatste bewering is een tikje te snel. Het probleem is: we kennen de mythe van Mithras niet. Wellicht is ze opgeschreven geweest, maar zo’n tekst is niet overgeleverd. Dus misschien was er wél een scène waarin de god uit de dood opstaat. Als je iets niet kunt onderzoeken, kun je niks uitsluiten. Alles is mogelijk als niets kan worden onderzocht.

Lees verder “De mythe van Mithras”

3500 jaar Sint-Joris (1)

Sint-Joris (muurschildering uit Bahdidat)

Draken bestaan niet en drakendoders bestaan dus evenmin. En toch hebben we een verhaal over Sint-Joris die een draak versloeg en een prinses bevrijdde. Dat moet ergens vandaan zijn gekomen.

De meest invloedrijke versie zal die zijn uit de Gulden Legende, een collectie christelijke heiligenlevens die rond 1260  is samengesteld door Jacob van Voragine, de aartsbisschop van Genua. Ik citeerde die al eens op deze blog. Als de heilige Georgius, zoals Joris in het Latijn heet, ergens in Libië een prinses wil bevrijden en daartoe ten strijde trekt tegen een waterdraak, beschermt hij zichzelf met een kruisteken, velt zijn lans en verwondt het ondier. Daarop beveelt hij de prinses de draak met haar ceintuur aan te lijnen en “als een goed afgerichte hond mee de stad binnen te brengen”. Bij het zien van het monster willen de bewoners vluchten naar de nabijgelegen bergen, maar Georgius legt hun uit dat God hem heeft gezonden om hen te bevrijden van het kwaad en dat ze zich alleen maar hoeven laten dopen. Als ze dat doen, zal hij de draak alsnog doden. En zo geschiedt: twintigduizend mensen bekeren zich tot het christendom, Joris doodt het ondier en er zijn vier span ossen nodig om het kadaver de stad weer uit te krijgen.

Lees verder “3500 jaar Sint-Joris (1)”

Paideia

Seneca en Sokrates, vertegenwoordigers van twee volken met een gedeelde cultuur (Altes Museum, Berlijn).

Wat is een Romein? Ik heb over die vraag wel vaker geblogd. Je kunt het definiëren als een bewoner van Rome of als iemand die het Romeins Burgerrecht heeft – en daarmee is meteen aangegeven hoe problematisch het is te spreken over antieke steden. De stedelijke gemeenschap woonde immers niet per se op één plek. Ook factoren die wij zelf beschouwen als belangrijk voor identiteitsvorming, zoals taal, speelden nauwelijks een rol als het ging om het definiëren van een Romein. Veel bewoners van de stad Rome spraken Grieks en in de economisch superbelangrijke oostelijke provincies sprak men Aramees. Een handiger manier om een Romein te definiëren is daarom, zo schreef ik al eerder, om te kijken naar paideia.

Paideia

Dat is, volgens het handboek van Luuk de Blois en Bert van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, de “Latijns-Griekse elitecultuur” van mensen met “dezelfde geestelijke bagage van populaire moralistische noties en allerlei hellenistische filosofische richtingen”. Meer in het bijzonder betekende dit ook dat je, als je op het hoogste stedelijke of provinciale niveau wilde meedraaien, minimaal beschaafd Latijn of Grieks moest spreken, en liever nog allebei. Je moest je klassieken kennen en kunnen citeren.

Lees verder “Paideia”

De farizeeën in context

De farizeeën stonden aan de wieg van het jodendom van de synagogen, zoals deze in Sepforis

Dit is de laatste van drie blogs over de farizeeën. In het eerste behandelde ik hun geschiedenis en in het tweede hun opvattingen. Daarmee ga ik nu verder.

Twee beweringen van Josephus zijn dat de farizeeën sober leefden en dat ze grote invloed hadden op de gewone mensen. Het eerste kan best waar zijn, maar je denkt niet meteen aan een sobere levenswijze als je in het Evangelie van Johannes leest dat farizeeën bedienden uitsturen om zaken te regelen (Jh 7.32, 7.45).

Josephus’ andere opmerking, dat de farizeeën populair waren bij de gewone mensen, lijkt niet onjuist maar is selectief, omdat vaststaat dat leden van de beweging ook de hoogste posities bekleedden: we lezen over farizeeën die spreken met de hogepriester, we treffen farizeeën aan als leden van hoge raadscolleges en we lezen hoe ze het Sanhedrin samenroepen. Er is zelfs een hogepriester van wie aannemelijk is dat hij tot de beweging behoorde, Gamaliëls zoon Jezus. Dit alles wil niet zeggen dat de farizeeën niet populair waren bij gewone mensen, maar dat dat ze tevens goed lagen bij andere bevolkingsgroepen.

Lees verder “De farizeeën in context”

De ideeën van de farizeeën

Zoals Jezus de beroemdste Jood is, zo is Paulus de beroemdste van alle farizeeën (Catacombe van Petrus en Marcellinus)

Ik vertelde twee weken geleden over de geschiedenis van de farizeeën. Het is tijd eens te kijken naar hun opvattingen. Dat is nog niet zo makkelijk want uit het farizeïsme is weliswaar het rabbijnse jodendom voortgekomen, dat farizese opvattingen documenteert, maar ook aanpaste. We kunnen de getuigenissen uit de Mishna, Tosefta en Talmoed niet zo maar gebruiken om de voorgeschiedenis van het rabbijns jodendom te schetsen.

Een complexe voorgeschiedenis. Ik schetste vorig keer fasen van afsplitsing, invloed, oppositie en macht, terwijl van de twee hoofdstromingen alleen het huis van Hillel – ofwel de helft van de farizese ideeën – de catastrofe van 70 na Chr. overleefde.

Lees verder “De ideeën van de farizeeën”

De vuurtoren van Alexandrië

Maquette van de Vuurtoren van Alexandrië (Dieter Cöllen)

De Vuurtoren van Alexandrië is een van de beroemdste bouwwerken uit de oude wereld. Het is een van de zeven wereldwonderen en er is zowaar iets van over, wat je niet kunt zeggen van pakweg het beeld van Zeus in Olympia. Dat de Hangende Tuinen van Babylon zelfs nooit hebben bestaan, ook niet in een andere Mesopotamische stad, zullen we maar buiten beschouwing laten.

De opdracht tot de bouw van het monument in Alexandrië werd in 299 v.Chr. gegeven door koning Ptolemaios I Soter. De architect heette Sostratos. Twintig jaar later wijdde Ptolemaios’ zoon en opvolger Ptolemaios II Filadelfos de vuurtoren in. Het monument wordt vaak de Faros genoemd, naar het eiland waarop het is gebouwd. In allerlei romaanse talen betekent het woord faro nog altijd vuurtoren.

Lees verder “De vuurtoren van Alexandrië”

Cicero (5): De nalatenschap

Ook in het Grieks-Egyptischtalige Egypte las men Cicero. Dit is een fragmenten van zijn redevoering voor Plancius (Neues Museum, Berlijn)

[Laatste deel van een vijfdelige reeks over de wijze waarop de Romeinse senator Cicero de Griekse filosofie voor zijn landgenoten ontsloot. Het eerste deel was hier.]

Deugdzaam of niet, Cicero is zelf niet op een prettige manier aan zijn eind gekomen. Zijn politieke betrokkenheid werd hem op het laatst fataal.

De dood van Cicero

In Rome had Julius Caesar een staatsgreep uitgevoerd en de macht gegrepen. Hij had de absolute bevoegdheden die bekend staan als dictatuur. Er waren al eerder dictators geweest in Rome, waarna het normale bestuur telkens was hersteld. Van Caesar werd steeds duidelijker dat hij geen afstand meer zou doen van zijn macht. Als generaal had hij bovendien andere machtsmiddelen. Het was angstaanjagend.

Lees verder “Cicero (5): De nalatenschap”

Een geschiedenis van de farizeeën

Een geleerde met een boekrol (Catacombe van Petrus en Marcellus, Rome)

In het Nederlands is “farizeeër” een scheldwoord. Dat komt door een donderpreek in het Evangelie van Matteüs 23, waarin Jezus uithaalt naar de farizeeën en schriftgeleerden van zijn tijd, die hij typeert als obstakels, hypocrieten, muggenzifters en huichelaars. Laat “adderengebroed” even op u inwerken om te realiseren hoe beledigend die term is.

Het is al sinds de negentiende eeuw bekend dat de scheldkanonnade nooit in deze vorm kan zijn uitgesproken. Het is materiaal uit Matteüs’ bewerking van de bron-Q. De erop gebaseerde beeldvorming is echter blijven bestaan. De Joodse auteur Flavius Josephus helpt ook al niet: de man had een diepe afkeer van alles wat vies, voos en farizees was en hij laat zich in zijn Joodse Oorlog eigenlijk systematisch negatief over hen uit. Pas later, toen hem duidelijk moet zijn geworden dat het toekomstige jodendom een farizees karakter zou krijgen, konden er een paar aardige woorden vanaf, zoals de opmerking dat hij zich liet inspireren door de farizese voorschriften (Uit mijn leven 12). Hier staat het tegengestelde van wat er lijkt te staan: hij zegt hier dat hij een sadducee was, want zoals Josephus zelf ergens laat vallen volgden de sadduceeën doorgaans de farizese halacha.

Lees verder “Een geschiedenis van de farizeeën”

Cicero (4): De deugd

Cicero (Capitolijnse Musea, Rome)

[Vierde deel van een vijfdelige reeks over de wijze waarop de Romeinse senator Cicero de Griekse filosofie voor zijn landgenoten ontsloot. Het eerste deel was hier.]

Voor zijn beschrijving van de deugd grijpt Cicero terug op Plato. Die noemde wijsheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid de kardinale deugden. Wijsheid is de deugd van het verstand, of van de heersers. Moed is de deugd van het temperament, of de ordehouders. Matigheid is de deugd van het lichaam, of van het volk. En rechtvaardigheid ontstaat als die elementen met elkaar in evenwicht zijn. Een handeling is volgens deze filosofie pas goed als ze vanuit deze deugden wordt verricht. Geen enkele mag ontbreken. Overweeg in dat kader eens de volgende stellingen:

Lees verder “Cicero (4): De deugd”

Cicero (3): Eclecticisme

De Leidse “Cicero” (Rijksmuseum van Oudheden)

[Derde deel van een vijfdelige reeks over de wijze waarop de Romeinse senator Cicero de Griekse filosofie voor zijn landgenoten ontsloot. Het eerste deel was hier.]

Skeptisch platonisme

Als jongeman was Cicero filosofisch geschoold in het skeptisch platonisme, zoals ook Karneades had verdedigd. Het blijkt ook uit zijn werk. Niet voor niets schrijft hij in de vorm van pleidooien en dialogen. Alles wat hij beweert trekt hij ook weer in twijfel. Vooral bij de stoïcijnse veronderstelling dat alles wat verschijnt fundamenteel redelijk en goed is, zet hij zijn vraagtekens.

Daarbij pleit hij voor een pragmatische houding, en in die lijn is hij er niet vies van een beetje rondshoppen bij de verschillende Griekse filosofische stromingen. Elementen daaruit zet hij in waar hij ze toepasselijk acht. Dit zien we vooral in zijn grote, tweedelige werk over zijn ideale staat: De re publica en De legibus. Dit werk is het toppunt van eclecticisme.

Lees verder “Cicero (3): Eclecticisme”