De Thraciërs (4)

Seuthes III (Archeologisch museum, Sofia)

[Dit is het vierde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Lysimachos

Zoals ik in het vorige blogje al aangaf, slaagde de Macedonische officier Lysimachos er in de jaren na de dood van Alexander de Grote (323 v.Chr.) niet in om de Odrysische leider Seuthes III te onderwerpen. De Macedoniërs imiterend stichtte ook Seuthes een stad die hij naar zichzelf noemde, Seuthopolis. (De resten ervan bevinden zich op de bodem van een stuwmeer in de Vallei van de Thracische Koningen.) De Panagyurishte-schat, die in Macedonië niet zou hebben misstaan, dateert uit deze jaren en bewijst dat de Thracische elite culturele aansluiting zocht bij de Grieks-Macedonische wereld.

Pas na een decennium lijkt Lysimachos de situatie meester te zijn geweest; Seuthes erkende hem als heerser, maar bleef zelf aan en lijkt nog rond 295 in leven te zijn geweest. Seuthes’ graf is teruggevonden in de Vallei van de Thracische Koningen en is interessant omdat het bronzen hoofd van Seuthes III ritueel is begraven in de toegang. Het lichaamloze hoofd doet denken aan de mythe dat het lichaamloze hoofd van Orfeus bleef zingen: een soort minachting voor de dood.

Lees verder “De Thraciërs (4)”

De werken van Herakles (3)

Herakles en Hippolyte (Musée de Mariemont, Morlanwelz)

[Derde van vijf blogjes die Dieter Verhofstadt schreef over de traditie van de Twaalf Werken van de halfgod Herakles. Het eerste blogje was hier.]

Hellenistische mythografie

Een belangrijke schakel tussen de in het vorige blogje beschreven poëtische traditie over Herakles en de latere mythografie vormt de vijfde-eeuwse auteur Hellanikos van Lesbos. In zijn genealogische en chronografische werken, waaronder de Atthis (een geschiedenis van Athene), behandelde hij Herakles niet als epische protagonist, maar als een iemand die is ingebed in dynastieke en lokale geschiedenis. Hoewel Hellanikos geen expliciete lijst of systematische behandeling van de werken van Herakles biedt, documenteert hij varianten en afwijkende tradities, vooral in genealogische en regionale details. Deze manier van ordenen – zonder harmonisering – leverde latere mythografen het materiaal waarmee ze selecties en canonieke structuren konden vormen. Bovendien draagt Hellanikos bij aan een bredere geografische contextualisering van Herakles’ daden: spelen diens eerste werken zich nog af op de Peloponnesos, dan is de uitwijking naar omringende streken een teken van een verder uitdijende Griekse invloedssfeer.

In de derde eeuw v.Chr. verschijnt het hellenistische epos van Jason en de Argonauten, opgetekend door Apollonios van Rhodos. Bij hem vinden we verwijzingen naar de hydra, het zwijn, de gordel, de appels en de vogels.noot Hydra: 4.1393. Zwijn: 1.122. Gordel: 2.774. Appels: 4.1393. Vogels: 2.1074. Opvallend genoeg zijn dat, afgezien van de hydra, werken die in andere bronnen ontbreken. Herakles neemt in dit gedicht tijdelijk de leiding van de Argonauten op zich, maar verlaat hen spoedig weer om zich aan zijn echte taak te wijden. De twaalf werken dienen als achtergrond voor de Argonauten, als een zich parallel voltrekkende mythe.

Lees verder “De werken van Herakles (3)”

De polybolos

Polybolos (Museum für antike Schifffahrt, Mainz )

Het bovenstaande apparaat is een reconstructie van een antieke polybolos, wat Grieks is voor “veelwerper”. Het is een soort repeteergeweer, alleen lost het geen kogels maar pijlen. Het apparaat zou zijn ontworpen door een verder niet goed bekende, aan het begin van de derde eeuw v.Chr. op het eiland Rhodos werkzame ingenieur Dionysios van Alexandrië. We kennen zijn uitvinding alleen indirect, uit een beschrijving door Filon van Byzantion, die later leefde in dezelfde eeuw en ook de oudst bekende beschrijving van een watermolen heeft gegeven. Diens beschrijving van de polybolos was voorzien van illustraties, wat een reconstructie mogelijk maakt.

Nu stuiten de experimenteel archeologen bij vrijwel elke reconstructie op het probleem dat de informatie nooit helemaal duidelijk is. Het is niet anders dan de bouwtekening van een IKEA-kast: je staat weleens te kijken wat de tekenaar, ook al deed ’ie het nog zo goed, eigenlijk kan hebben bedoeld. Dan kun je twee dingen doen: antieke informatie zoeken bij antieke ingenieurs die verwante zaken beschreven, of kijken wat praktisch is. Een Brits team, werkzaam voor het TV-programma MythBusters, koos voor het laatste; het team van het Museum für antieke Schifffahrt in Mainz ging te rade bij de Romeinse ingenieur Vitruvius, die in de eerste eeuw v.Chr. conventionele pijlenschieters beschreef. De beide reconstructies ontlopen elkaar niet veel.

Lees verder “De polybolos”

Een vaas die fluit

Een fluit in de vorm van twee kruikjes, versierd met een panfluitist; Vicus-cultuur (Musée du Quai Branly, Parijs)

De trouwe lezers van deze blog weten dat ik een groeiende belangstelling heb voor Precolumbiaans Amerika, dus de Nieuwe Wereld vóór Columbus. Natuurlijk is dat eigenlijk dezelfde interesse als mijn belangstelling voor de Oudheid of het Midden-Oosten: een andere wereld die je dwingt na te denken over de wereld waarin je zelf woont. Mijn groeiende belangstelling voor Precolumbiaans Amerika is echter ongestructureerd. Ik lees weleens wat, maar ik ben nooit in Mexico of Peru geweest, en moet het vooral doen met wat ik oppik in volkenkundige musea.

In het Musée du Quai Branly in Parijs zag ik voorwerpen die ik maar zal aanduiden als fluitende vazen. Ze bestaan uit twee kruikjes, waarvan de een open is en de ander gesloten, zij het dat die uitloopt op een fluit. Die is vaak versierd en kan dan bijvoorbeeld de vorm hebben van een mannetje of een vogel of iets anders. De twee vaasjes zijn verbonden door een buisje. Als je nu water giet in het open vaasje, loopt het door het buisje naar het andere kruikje, waar het de lucht wegperst door de fluit. Je kunt die fluitende vazen ook een beetje schudden, dan maken ze (denk ik) korte piepgeluiden.

Lees verder “Een vaas die fluit”

Het mausoleum van Belevi

Sculptuur uit het mausoleum van Belevi

De geschiedenis van de opvolgers van Alexander de Grote, de zogeheten Diadochen, is eigenlijk iets te complex. Zijn voornaamste officieren raakten eerst slaags over de vraag als regenten moesten optreden voor Alexanders zwakbegaafde broer, en belandden vervolgens in een reeks oorlogen, waarin de koninklijke dynastie steeds meer op de achtergrond raakte en vervolgens de rijkseenheid verloren ging. De oorlogen gingen net zo lang door tot al het door Alexander op de Perzen veroverde edelmetaal was uitgegeven aan soldij.

De beslissende slag was daarom die bij Ipsos, in 301 v.Chr., want daarna was er geen geld meer. Voor enige tijd lagen de grenzen vast: een machtig rijk in Egypte voor Ptolemaios I Soter, een immens Aziatisch rijk voor Seleukos I Nikator, in het aloude Macedonië een rijk voor Demetrios de Stedendwinger en in Thracië en Klein-Azië een rijk voor Lysimachos. In de meeste geschiedenisboeken staat het allemaal nog beknopter, want voor vrijwel alle doelen die je als auteur wil bereiken, kun je makkelijk twee decennia overslaan en doorgaan naar het eindresultaat.

Lees verder “Het mausoleum van Belevi”

Het Comitium in Rome

Opgraving onder het Comitium

Wie de Senaatszaal verliet, kwam op het Comitium. Na de renovatie door Julius Caesar en Augustus was van het oorspronkelijke plein, dat ten tijde van de Republiek ruimte had geboden aan de Volksvergadering, weinig over. Destijds hadden om het ronde terrein, dat een doorsnede had van vijfentwintig meter, lage tribunes gestaan en eretekens voor verdienstelijke mensen en de profetessen die Sibillen werden genoemd. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere stuitte op een vermelding van nog twee beelden:

Ik heb ontdekt dat aan weerszijden van het Comitium beelden van Pythagoras en Alkibiades hebben gestaan, omdat de Delfische Apollo ons tijdens de Samnitische Oorlog gelastte op een opvallende plaats standbeelden op te richten van de machtigste en de verstandigste onder de Grieken. Ze hebben er gestaan totdat de dictator Sulla het Senaatsgebouw vergrootte tot op die plaats. Het is overigens wonderlijk dat de vroede vaderen Pythagoras hoger aansloegen dan Sokrates, die door dezelfde god toch als meest verstandige is aangewezen, dat ze Alkibiades verdienstelijker vonden dan zoveel anderen, en dat ze iemand hoger achtten dan Themistokles, die machtig én verstandig was.noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 34.26.

Lees verder “Het Comitium in Rome”

Etruskische goden

Aplu (Museo nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome)

Even ten noorden van Rome lag Veii, een machtige Etruskische stad die de Romeinen in 393/392 v.Chr. veroverden.noot En niet in 396, zoals je nogal eens leest. Daarna vielen de kleinere stadjes in de omgeving, die ooit onderworpen waren geweest aan Veii, eveneens in Romeinse handen. Zo ook Falerii, dat zich korte tijd later op nogal bijzondere wijze onderwierp. Een schoolmeester had namelijk een klasje aristocratische kinderen als gijzelaars uitgeleverd aan de Romeinse generaal Camillus, die dit geschenk, dat de oorlog tot een snel einde zou hebben kunnen brengen, had geweigerd, en de schoolmeester geboeid en gegeseld terug had gezonden naar Falerii, met de mededeling dat hij de stad zou nemen “met Romeinse middelen”. De burgers capituleerden ogenblikkelijk: volgens geschiedschrijver Titus Livius omdat ze onder de indruk waren van Camillus’ nobele gebaar, maar je hoeft niet heel cynisch te zijn om te herkennen dat men doodsbang was voor “de Romeinse middelen”.

In Falerii is verschrikkelijk mooie terracotta-sculptuur gevonden, die voor het merendeel is terechtgekomen in de Villa Giulia, het Etruskische museum van Rome. Bovenstaande kop komt uit een tempel die stond op een plek genaamd Sassi Caduti. Dit heiligdom, even ten westen van de acropolis, was gewijd aan de godheid die de Romeinen Mercurius noemden en de Etrusken Turms. Hij was de boodschapper van de oppergod Tinia, beschermde de handel en begeleidde de dode zielen op weg naar de Onderwereld. Bij Sassi Caduti is ook een marktplein gevonden, wat natuurlijk wel zo gepast is voor een god van de handel.

Lees verder “Etruskische goden”

Het alfabet van Numidië

Punisch-Numidische bilingue uit Lixus (Kasbah-museum. Tanger)

Vorige week organiseerde het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden voor de vierde keer de Week van het Oude Schrift. Eerlijk is eerlijk: soms gaan de lezingen minder over schrift dan over de taal of over het geschrevene, maar het is een leuk initiatief, waar ik zo veel mogelijk naar kom luisteren. Zoals afgelopen zaterdag, toen Maarten Kossmann van de Leidse universiteit kwam spreken over het Berber-schrift (“Tifinagh”) en zijn antieke voorgangers.

Allerlei alfabetten

Ik heb die mooie letters – altijd blokletters – in Algerije weleens gezien: bijvoorbeeld uitleg in het Frans, Arabisch en de Berbertaal Amazigh over de persoon van Augustinus, die de Algerijnen zo reapproprieren. Ik zag de karakters ook op verkiezingsaffiches en ik bezit een zwaard met een kwaadafwerende inscriptie, die overigens niemand kan lezen.

Lees verder “Het alfabet van Numidië”

Médracen (Madghacen)

Het Numidische koningsgraf van Médracen

Als we de Griekse geschiedschrijver Polybios mogen geloven, was Numidië lange tijd een volkomen achterlijk gebied, tot koning Massinissa (r.202-148 v.Chr.) opstond en het gebied in hoog tempo moderniseerde. Helemaal onwaar is het niet. Op de koninklijke domeinen werd de graanteelt geïntensifieerd en Numidië begon wijn te exporteren. Massinissa’s hoofdstad Cirta, het huidige Constantine, trok Italische en Griekse migranten aan, en kort na Massinissa’s dood werden de boeken uit de bibliotheken van het in 146 v.Chr. verwoeste Karthago overgebracht naar Cirta. In Polybios’ dagen was de stad inderdaad op weg een centrum van de hellenistische cultuur te worden.

Modernisering

Van de Franse oudheidkundige Stéphane Gsell is de observatie dat Numidië in de loop van de tweede eeuw v.Chr. een grotere vooruitgang boekte dan de door de Romeinen beheerste provincie Africa (zeg maar Tunesië). Daar is weinig aan toe te voegen.

Lees verder “Médracen (Madghacen)”

Titus Livius (3): inhoud

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Derde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

De Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad van Titus Livius was een zeer, zeer ambitieus werk. In totaal verschenen niet minder dan 142 boekrollen. De lengte van zo’n rol kwam overeen met pakweg vijfenzestig bladzijden in een modern pocketboek. De totale lengte van Livius’ geschiedwerk bedroeg dus een slordige 9.250 pagina’s ofwel eenendertig pocketboeken. Hij schreef dit alles in ongeveer vijfenveertig jaar, wat betekent dat hij elk jaar ruim drie rollen of 205 pagina’s publiceerde. Ook met een tekstverwerker is dat alleszins respectabel.

Er zijn twee gevolgen. Eén: dit werk was te groot om volledig tot ons te komen. We hebben alleen nog de boeken 1-10 en 21-45.  Misschien duikt nog eens iets op in de Egyptische woestijn of bij de papyri uit Herculaneum, waar inmiddels een boekrol is geïdentificeerd van een jongere Romeinse geschiedschrijver. Twee: het is duidelijk dat Titus Livius gebruik moest maken van eerdere geschiedwerken en zelden de mogelijkheid had tot archiefonderzoek. Dat had gevolgen, waarover we het nog zullen hebben.

Lees verder “Titus Livius (3): inhoud”