Romeinse dakpannen en boze geesten

Dakpan van XXX Ulpia Victrix (Expositieruimte Zwammerdam)

Bij Zwammerdam is een Romeins fort opgegraven. Het is beroemd omdat er ook zes schepen zijn gevonden, waaraan deze website is gewijd. De bovenstaande dakpan komt uit het eigenlijke fort en lijkt op het eerste gezicht een naar rechts puntende drietand te tonen. Gaan we naar links, dan is de stok van de drietand echter wel wat vreemd gevormd. Het zijn namelijk letters, maar ze staan in spiegelbeeld. Van rechts naar links staat er LEG XXX. Ofwel: het was een legionair van het Dertigste Legioen uit Xanten die deze dakpan heeft gebakken.

Romeinse dakpannen

Dat is gebruikelijk. De soldaten hadden allerlei civiele taken, waarvan het ophalen van de belastinggelden de voornaamste maar niet de enige was. In de buurt van Bonn werkten legionairs in een steengroeve, elders legden ze wegen aan en er zijn allerlei steen- en tegelbakkerijen bekend. En vaak zetten de makers de naam van hun legeronderdeel op hun producten.

Lees verder “Romeinse dakpannen en boze geesten”

Factcheck: De dood van Alexander

Alexander (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Wat gebeuren moest, gebeurde. Toenemende mobiliteit maakt dat ziekten zich makkelijker kunnen verspreiden. En ook: als het warmer wordt, kunnen ziektekiemen zich verspreiden naar andere gebieden. Is het niet omdat bacteriën extra ruimte krijgen waarbij ze zich senang voelen, dan is het omdat de dragers van virussen die ruimte krijgen. Kortom: niemand zal verbaasd zijn dat het westnijlvirus nu in Nederland is, zoals De Volkskrant bericht.

In zijn stukje meldt journalist Tony Mudde ook dat er een beruchte theorie is dat het westnijlvirus Alexander de Grote doodde. Keurig met een linkje erbij dat u brengt bij uitleg waarom het onzin is. Want dat is het. De theorie is destijds gepubliceerd om mee te surfen op de publiciteitsgolf rond de film van Oliver Stone en diende, naar het schijnt, vooral fondsenwerving voor een lab. Wetenschappelijk is het quatsch en dat was van begin af aan duidelijk. In mijn boek over Alexander heb ik er geen woord aan besteed. De tegenargumenten waren dan ook, om een gepaste metafoor te gebruiken, dodelijk.

Lees verder “Factcheck: De dood van Alexander”

Driemaal goed en kwaad

Mesopotamisch gebed: degene die iets bij de goden gedaan wil krijgen, links, roept zijn beschermgodin aan, die een tweehoofdige godheid laat spreken tot de wijsheidsgod Enki. Achter Enki een van de Zeven Wijzen. Rolzegelafdruk, nu in het Louvre, Parijs.

Ex Oriente Lux (“het licht komt uit het oosten”) is de vereniging die de inzichten die oriëntalisten en egyptologen opdoen, wil delen met het grote publiek. Ze doet dat onder meer met een tijdschrift, Phoenix, en met lezingen. Afgelopen zaterdag waren er drie in Rotterdam, gewijd aan het thema van goed en kwaad. Ondanks alle coronamaatregelen was het even boeiend als het gezellig was.

Het jodendom

De eerste spreker was Klaas Smelik, die ons vanuit Gent toe-zoomde over goed en kwaad in de Bijbel. Zoals iedereen weet – en anders kijkt u maar naar het klassieke filmpje hieronder – constateert God in het scheppingsverhaal bij herhaling dat de wereld goed, ja zeer goed was. Tov, op z’n Hebreeuws. Nu kan het Opperwezen dat wel zeggen van zijn eigen werkstuk, maar het is natuurlijk ook waar dat het bestaan van het kwaad een spijkerhard gegeven is. Heeft God dat dan ook geschapen?

Lees verder “Driemaal goed en kwaad”

Oost-Groningen (strokarton)

Ooit was dit de laatste strokartonfabriek van Nederland (Oude Pekela)

Onlangs blogde ik over mijn lagere school in de Apeldoornse nieuwbouwwijk Zevenhuizen. Daar had ik natuurlijk ook aardrijkskundeles, waarbij we de Nederlandse provincies moesten leren. Van Groningen herinner ik me de zeehaven van Delfzijl, het kort daarvoor afgesloten Lauwersmeer, de scheepswerven van Hoogezand-Sappemeer, de gasbel bij Slochteren (inclusief bodemdaling – rond 1975 al bekend) en de ontginningen voorbij Veendam. En verder waren er producten met mysterieuze namen als aardappelmeel en strokarton. Het beroemde liedje Oost-Groningen van Drs.P. had voor mij dus een hoge herkenningswaarde.

Een week of wat geleden ben ik naar het Veenkoloniaal Museum te Veendam gefietst. Dat is een opvallend leuk museum en beslist de moeite van uw bezoek waard. Ik was vooral onder de indruk van de expositie over schippersvrouwen. Ik meende te weten dat het tegen eind negentiende eeuw een bron van trots was als een gezin voldoende inkomsten had om de vrouw des huizes vrij te stellen van betaald werk, en dat het behoorlijk taboedoorbrekend was dat rijkere vrouwen (zoals een Mina Kruseman) juist wél gingen werken. De zelfverzekerde Oost-Groningse schippersfamilies waren, zo leerde ik, een uitzondering. Misschien is het geen toeval dat Aletta Jacobs kwam uit Sappemeer. Hoe dat ook zij, de schippersfamilies waren rijk genoeg om de echtgenotes van de opvarenden niet te hoeven laten werken, maar toch was een derde van de schepelingen vrouw. Prachtige foto’s trouwens. Maar goed, ik kwam voor het strokarton.

Lees verder “Oost-Groningen (strokarton)”

De Valtherbrug

Het veengebied waar de Valtherbrug lag, zoals het er nu uitziet

Ik blog nu al dagen over de Mediterrane wereld, dus we moeten eens rap overschakelen naar onze eigen contreien. Naar het Drentse dorpje Valthe om precies te zijn, waar in de Romeinse tijd een enorm bouwwerk was te vinden, de zogeheten Valtherbrug. Dit was een van hout gemaakte weg door het veengebied dat de grens vormt tussen oostelijk Drenthe en het zuidoosten van Groningen. Hoewel waterbouwkundig ingenieur J.W. Karsten geldt als degene die de weg in 1818 heeft ontdekt, waren het turfstekers die hem er al een jaar eerder op hadden geattendeerd. U ziet het parcours hier.

Knuppelweg

Houten veenwegen waren niet zeldzaam. Ze zijn al aangelegd in het vierde millennium v.Chr. en werden nog steeds gebouwd in de zeventiende eeuw. Na Christus wel te verstaan. De Romeinen noemden ze pontes longi, “lange bruggen”, en hebben ze aan het begin van de jaartelling gebouwd over de moerassen rond Münster. In het Nederlands heten ze ook wel knuppeldam of knuppelweg. Kortom, niets bijzonders allemaal, maar de Valtherbrug is wel érg lang: twaalf kilometer van Valthe richting Ter Apel. Er moeten 50.000 bomen voor de aanleg zijn geveld. Dat riep aan het begin van de negentiende eeuw nogal wat vragen op, want wie konden dit in vredesnaam hebben gebouwd? En waarom?

Lees verder “De Valtherbrug”

Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?

De doornenkroning (Praetextatuscatacombe, Rome)

De allereerste zin van een artikel dient om de aandacht te trekken. De auteur mag het even scherp zeggen; de nuances komen verderop wel. Maar dan moet de auteur die nuances wel tonen. En het is ook fijn als de eerste zin niet zó overdreven is dat de lezer meteen afhaakt. Dit gaat verkeerd in Marije van Beeks artikel “De ongeloofwaardige witheid van Jezus”, onlangs in Trouw.

Op de eerste afbeeldingen die van Jezus gemaakt zijn, in de eerste eeuw, is hij een witte man.

Dit is klinkklare onzin. Het probleem is niet alleen de datering. Het gaat ook om de verkeerde typering van de eerste afbeeldingen. Als we afzien van de Palatijnse spotcrucifex, waarop een gekruisigde ezel is te zien die misschien wel en misschien niet een afbeelding is van de executie van de messias, is de beroemdste Jood aller tijden aanvankelijk gewoon afgebeeld geweest zoals alle ingezetenen van het Romeinse Rijk. Ietwat gebruind, zeker niet als een moderne Noordwest-Europeaan.

Lees verder “Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?”

MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Lees verder “MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen”

U houdt van de Oudheid: wat te lezen, wat te doen?

Domitianus (Altes Museum, Berlijn)

Het laatste stukje in mijn reeks over de Week van de Klassieken zal ik niet wijden aan een gebeurtenis die op deze datum plaatsvond, al zijn er teksten over de troonsbestijging van keizer Domitianus of de inwijding van de Grafbasiliek in Jeruzalem. Het leek me zinvoller u wat boeken aan te raden. Welke auteurs zou u, als u de afgelopen week belangstelling hebt gekregen voor de Oudheid, met plezier en vrucht kunnen lezen?

Om te beginnen

Ik ken twee auteurs om mee te beginnen. De eerste is Herodotos, wiens Historiën een panorama bieden van de wereld rond het oostelijk Middellandse Zee-gebied. De rode draad is het conflict tussen de Grieken en de Perzen. Hij biedt echter veel meer. Zo is er uitleg van de manier waarop de Egyptenaren mensen mummificeren, oosterse sprookjes, een beschrijving van de Euraziatische steppe, goudrovende mieren en vliegende slangen. De vader van de journalistiek heeft menig goed verhaal te vertellen en het fijne is dat je er zonder al te veel voorkennis aan kunt beginnen. Beste vertaling is deze Engelse.

Lees verder “U houdt van de Oudheid: wat te lezen, wat te doen?”

WvdK | De slag bij Marathon

De slag bij Marathon (Brescia, Museo Sta Giulia)

[In het jaar 490 v.Chr. staken de Perzen de Egeïsche Zee over, bezetten de eilanden en landden bij de Griekse stad Eretria, die ze verwoestten. Daarna staken ze over naar het dorpje Marathon, van waaruit ze naar Athene zullen hebben willen oprukken. Wat hun verdere plannen waren, is niet bekend: we kunnen ze hooguit afleiden uit wat de Perzen feitelijk deden, wat veronderstelt dat wat ze deden ook was wat ze planden. In elke oorlog is nu juist dat weinig plausibel. Feit is in elk geval dat de Atheners op 12 september de Perzen versloegen, vandaag dus 2509 jaar geleden. 

Voor de betekenis van het gevecht: hier. Het verslag van de slag bij Marathon is van Herodotos van Halikarnassos en wordt hier geboden in de vertaling van Hein van Dolen.]

De opstelling van de Atheners bij Marathon leidde ertoe dat de frontlinie aan hun kant even breed was als die van de Perzen; daardoor was zij in het centrum maar enkele rijen diep. Op dit punt was het leger het meest kwetsbaar, terwijl de beide vleugels juist sterk bezet waren.

Lees verder “WvdK | De slag bij Marathon”

WvdK | De slag in het Teutoburgerwoud

Reconstructie van het antieke landschap bij Kalkriese, de locatie van een van de gevechten in het Teutoburgerwoud: moeras vooraan, palissade van het Romeinse kamp achteraan

[De slag in het Teutoburgerwoud is een van de beroemdste gebeurtenissen uit de Oudheid. Een van de bronnen is het in het jaar 30 n.Chr. door de Romeinse officierVelleius Paterculus gepubliceerde historische zakboekje, waarin hij de wereldgeschiedenis samenvatte. Ook de gebeurtenissen in het Teutoburgerwoud komen aan bod. Paterculus was bevriend met keizer Tiberius (ze hadden samen gevochten in het Midden-Donau-gebied) en een ooggetuige van de regering van keizer Augustus. Zijn verslag van de slag in het Teutoburgerwoud gaat terug op andere ooggetuigen.

Over de betekenis van de Romeinse nederlaag zijn lange tijd te stellige uitspraken gedaan. Dit was echter niet het moment waarop Duitsland werd geboren. De Romeinen gaven hun posities op de oostelijke Rijnoever pas later op. Hier is een alweer wat ouder stukje waarin ik het een en ander bij elkaar plaats.]

***

Tiberius had de Pannonische en Dalmatische oorlog nog maar net afgerond toen, nog geen vijf dagen nadat hij die enorme onderneming tot een goed einde had gebracht, de ongelukstijding uit Germanië kwam: Varus dood, drie legioenen, evenveel eskadrons en zes cohorten afgeslacht. Het was alsof de enige gunst die het Noodlot ons bewees, eruit bestond dat deze slag ons niet werd toegebracht terwijl onze leider elders bezig was. Zowel de oorzaak van de ramp als de persoonlijkheid van de gouverneur vragen om een toelichting.

Quintilius Varus stamde uit een eerder beroemde dan adellijke familie. Hij was een zachtmoedig man, rustig in zijn optreden, wat traag van lichaam en geest, meer gewend aan de rust van het kamp dan aan actieve krijgsdienst. Dat hij niet afkerig was van geld, bleek in Syrië, waar hij gouverneur was geweest: arm betrad hij een rijke provincie, rijk verliet hij een verarmd gewest. Eenmaal aan het hoofd van het leger in Germanië geplaatst, verbeeldde hij zich dat de mensen daar – die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden en die zelfs niet te bedwingen waren met geweld – tot beschaving konden worden gebracht door rechtspleging. Met deze intentie trok hij naar het hart van Germanië, waar hij, alsof hij te maken had met mannen die eraan gewend waren van vrede te genieten, de zomer in zijn rechterstoel doorbracht met rechtspraak en het afhandelen van formaliteiten.

Wie hen niet kent, kan zich nauwelijks voorstellen hoe slim in al hun barbaarsheid de Germanen zijn. Ze verzonnen een hele reeks processen, die ze de ene keer lieten escaleren in scheldpartijen, terwijl ze de andere keer de Romeinen dankbaar zeiden te zijn, omdat hun rechtspraak aan scheldpartijen een einde maakte en deze nieuwe en onbekende orde hun woeste volksaard temperde. Wat voordien gewapenderhand was uitgevochten, zou voortaan worden beslist door rechtspraak. Zo bereikten ze dat Quintilius zijn voorzichtigheid liet varen, en dat hij zich eerder recht zag spreken als voorzitter van het hooggerechtshof, dan dat hij zich beschouwde als commandant van een leger aan het Germaanse front.

Nu was er een jonge, sterke edelman, sneller van begrip dan bij de barbaren gebruikelijk is: Arminius, de zoon van de Germaanse heerser Sigimer. Zijn enorme geestkracht straalde van zijn gezicht en uit zijn ogen. Bij de voorafgaande veldtochten was hij onze onvermoeibare bondgenoot geweest, en hij bereikte daarom na het Romeinse burgerrecht ook de rang van ridder. Bijgevolg kon hij, toen de gelegenheid zich voordeed, de meegaandheid van de Romeinse aanvoerder misbruiken voor het plegen van een misdaad. Slim als hij was, zag hij in dat niemand zo eenvoudig te overweldigen is als degene die niets vermoedt, en dat een gevoel van veiligheid maar al te vaak rampen veroorzaakt. Dus maakte hij anderen – eerst slechts enkelingen, later meer – deelgenoot van zijn plannen: hij zei hun dat de Romeinen konden worden overrompeld en wist hun te overtuigen. Hij voegde de daad bij het woord en bepaalde het tijdstip voor de hinderlaag.

Zijn stamgenoot Segestes, een loyale man met een solide reputatie, bracht dit nieuws over met de suggestie enkele personen te arresteren. Het Noodlot beheerste echter Varus’ gedachten en had zijn geest verduisterd. Zo gaat het immers: als een god iemands geluk wil verstoren, tast hij meestal diens oordeelsvermogen aan en bereikt daarmee – en dat is het erge! – dat de gebeurtenis iemands verdiende loon lijkt te zijn, waardoor toeval verandert in schuld. Daarom weigerde Varus Segestes te geloven en verklaarde hij dat hij de vriendschapsbetuigingen van de Germanen beschouwde als een erkenning van zijn verdiensten. Na de eerste waarschuwing was er echter geen tijd meer voor een tweede.

Het verloop van deze afschuwelijke catastrofe wil ik ooit nog in een boek met een gepaste omvang uiteenzetten, zoals anderen dat hebben gedaan. Hier zal ik slechts onder tranen het belangrijkste vertellen. Het leger dat van alle Romeinse troepen als het sterkste, gedisciplineerdste, dapperste en ervarenste gold, is omsingeld door de zorgeloosheid van de generaal, de onbetrouwbaarheid van de vijand en de onrechtvaardigheid van het Lot, zonder dat het een kans kreeg onbelemmerd te vechten – hoe graag het dat ook had gewild – of een uitval te doen. Enkelen hebben zelfs zwaar moeten boeten voor het feit dat ze de wapens opnamen en streden zoals Romeinen betaamt. Omringd door wouden, moerassen en hinderlagen werden ze tot de laatste man afgeslacht door dezelfde vijanden die zij zelf altijd als vee hadden afgeslacht, op zo’n manier dat hun leven of dood afhankelijk waren van Germaanse woede of genade.

Hun aanvoerder toonde meer moed bij het sterven dan bij het vechten. Naar het voorbeeld van zijn vader en grootvader doorstak hij zichzelf. Van de twee kazernecommandanten gaf de een, Lucius Eggius, een voortreffelijk voorbeeld en de ander, Ceionius, een schandelijk: toen het grootste deel van de troepen was omgekomen, nam hij het initiatief tot overgave. (Blijkbaar wilde hij liever sterven als gevangene dan als soldaat.) Ook Numonius Vala, de onder normale omstandigheden kalme en betrouwbare ondercommandant van Varus, stelde een afgrijselijk voorbeeld: hij vluchtte met zijn eskadrons naar de Rijn en ontnam aan de infanterie zo de dekking door de cavalerie. Zijn vergrijp werd echter door het Noodlot gewroken: hij overleefde degenen van wie hij deserteerde niet en vond de dood als deserteur.

Het halfverbrande lijk van Varus werd door de hysterische vijanden verscheurd. Zijn hoofd werd afgehouwen en naar [de Germaanse leider] Marbod gebracht, die het naar Augustus zond. Ondanks het gebeurde heeft deze het de eer waardig geacht van een familiebegrafenis.

Toen Tiberius van de ramp hoorde, schoot hij zijn vader [keizer Augustus] te hulp. … Uitgezonden naar Germanië verzekerde hij de Gallische provincies, reorganiseerde hij de legers en versterkte hij de garnizoenssteden om daarna … met zijn leger de Rijn over te steken. Daar zette hij een offensief in tegen de vijand terwijl zijn vader en het land al tevreden waren geweest als hij de vijand in bedwang had gehouden. Maar hij drong door tot in het hart van Germanië, heropende de militaire wegen, verwoestte de velden, verbrandde de huizen, verjoeg degenen die zich tegen hem te weer wilden stellen en keerde, zonder noemenswaardige verliezen, terug naar de winterkampen, beladen met roem.

Op deze plaats moet Lucius Asprenas, die diende als onderbevelhebber van zijn oom Varus, met ere worden genoemd. Met de dappere en energieke steun van de twee door hem gecommandeerde legioenen wist hij de [aan de Rijn achtergebleven] niet-actieve legereenheden van deze catastrofe te redden. Door snel op te rukken naar de winterkampen in Neder-Germanië heeft hij het vertrouwen van de wankelmoedige volken aan deze zijde van de Rijn versterkt. (Overigens zijn er die geloven dat hij weliswaar de levenden in veiligheid bracht, maar dat hij de bezittingen van de doden confisqueerde en naar hartenlust erfenissen aanvaardde van degenen die met Varus waren omgekomen.)

Prijzenswaardig was ook de moed van kazernecommandant Lucius Caedicius en degenen die in Aliso door een enorm aantal Germanen werden belegerd. Ze overwonnen alle moeilijkheden, die door het gebrek aan middelen bijna onverdraaglijk en door de kracht van de vijanden nagenoeg onoverkomelijk waren. Met een goed doordacht plan en na kort beraad loerden ze op een kans en verschaften zich gewapenderhand een terugkeer naar hun kameraden.

Uit deze voorbeelden blijkt dat Varus, stellig een serieus man met goede bedoelingen, zijn leven en zijn magnifieke leger eerder verloor door onvoldoende militair inzicht dan door gebrek aan moed bij zijn soldaten. Toen de Germanen de gevangenen mishandelden, verrichtte Caelius Caldus, een jongeman die zijn aloude familie eer aandeed, een heldendaad: hij greep een stuk van de ketting waarmee hij gebonden was en sloeg dat zo hard op zijn hoofd, dat zijn hersens en bloed eruit spatten en hij ogenblikkelijk stierf.

***

[Velleius Paterculus, Romeinse geschiedenis 2.117-120; vertaling Jona Lendering. De (uitgestelde) Week van de Klassieken, met als thema “controverses”, is van donderdag 3 tot en met zondag 13 september.]