Consuls en suffeten

Een suffeet (Nationaal Museum, Tripoli)

De hoogste magistraten in de Romeinse Republiek waren de twee consuls. Hun naam is weleens in verband gebracht met een werkwoord dat zoiets betekent als “samen dansen”, wat dan een verwijzing zou zijn naar een krijgsdans. Misschien is het waar, misschien is het niet waar, en in elk geval is het niet de oudste aanduiding. Ze heetten oorspronkelijk iudices, “rechters”.

Hun ambt is ontstaan, of gegroeid, in de verwarde jaren rond 506 v.Chr. (510 volgens de onjuiste Varroniaanse chronologie). We hebben een verslag in het geschiedwerk van Titus Livius, die vertelt dat koning Tarquinius Superbus in opspraak raakte door een seksschandaal waarbij zijn zoon was betrokken, en dat de Romeinen de koninklijke familie verdreven. Een van de leiders van de opstand was Lucius Junius Brutus, die eerst een andere leider van de opstand uitschakelde, daarmee feitelijk de alleenheerschappij vestigde, en korte tijd later sneuvelde. Op dat moment lijken de Romeinen te hebben gekozen voor twee iudices die één jaar zouden regeren.

Lees verder “Consuls en suffeten”

De laatste jaren van Julius Caesar (1)

Julius Caesar (Altes Museum, Berlijn)

Een paar maanden geleden rondde ik de reeks over Julius Caesar af, en verschillende mensen suggereerden me er een boek van te maken. De substantie van het boek was immers daar. Ik aarzelde. De gimmick van die blogreeks was dat ze “in real time” was en in een boek zou die meerwaarde wegvallen. Desondanks  besloot ik een boek te wijden aan de laatste jaren van Julius Caesar. Zo gaat het ook heten: De laatste jaren van Julius Caesar. Dat is de werktitel althans. De ondertitel is Het ontstaan van een Mediterraan wereldrijk (zie de Lex Roscia voor uitleg).

Maar het heeft even geduurd voor ik wist hoe ik een boek kon schrijven dat niet overbodig zou zijn. Er zijn immers al genoeg boeken over Caesar. Ook over de burgeroorlog die hij ontketende, is meer dan voldoende gepubliceerd. En zeker niet door de geringste auteurs! De grote bouwmeesters waren het wetenschappelijke team van Napoleon III, en verder Theodor Mommsen en Ronald Syme. Waar grote bouwmeesters de hoofdlijnen schetsen, is werk voor metselaars en timmerlieden, die ik hier niet allemaal zal opsommen maar die eigenlijk alles hebben gezegd wat er te zeggen valt.

Lees verder “De laatste jaren van Julius Caesar (1)”

Marcus Antonius en de Mommsenthese

Zegelring met het portret van Marcus Antonius (British Museum, Londen)

Voor zover ik weet – of beter: ik heb geen zin om het na te trekken – is de Nobelprijs voor de Letteren maar tweemaal gegeven aan een geschiedwerk. (Dat zegt veel over de verschraling van de humaniora, maar dat terzijde.) De laatste keer telt bovendien niet mee. Toen werd de onderscheiding verleend aan Winston Churchill en dat was evident politiek. Tot overmaat van ramp bleek een fors deel van zijn oeuvre het werk van ghost writers. Feitelijk is de Nobelprijs voor de Letteren dus slechts één keer uitgereikt voor de geschiedschrijving, en dat was in 1902 aan de Duitse historicus Theodor Mommsen. Hij nam het initiatief tot het Corpus Inscriptionum Latinarum, schreef een Römisches Staatsrecht (nog altijd hét standaardwerk) en voltooide vier delen van een Römische Geschichte. Een samenvatting in één band is antiquarisch volop leverbaar en je hoeft maar een paar bladzijden te lezen om te weten: dit is klasse.

Mommsens centrale gedachte, weleens aangeduid als de Mommsenthese, is dat de Romeinen traditionele vormen gebruikten voor revolutionaire innovaties. Het bekendste voorbeeld is de monarchie van keizer Augustus, die werd uitgedrukt in republikeinse staatsrechtelijke termen, zodat “herstel van de republiek” feitelijk “einde van de republiek” betekende. Andere voorbeelden zijn de Tetrarchie en de kerkelijke innovaties in Nikaia. Ik vond eergisteren nog een mooi voorbeeld.

Lees verder “Marcus Antonius en de Mommsenthese”

Voor-westerse geschiedenis (13) het ritme

De Romeinse kalender, beginnend op 1 maart (Archeologisch museum, Sousse)

Je hoort natuurlijk te zeggen dat de Griekse poëzie begon met het hoogtepunt, de Ilias, maar om eerlijk te zijn heb ik meer plezier beleefd aan de Werken en Dagen van Hesiodos. In zo’n 800 regels biedt het leerdicht, dat vermoedelijk iets jonger is dan de homerische poëzie, om te beginnen enkele mythen over het moeilijke leven in de voor-westerse wereld. Het idee dat er ooit een gouden eeuw was maar dat we inmiddels leven in een tijd van ijzer, is hier te vinden. Vervolgens legt Hesiodos uit hoe men, ondanks de moeilijkheden die inherent zijn aan het leven in deze wereld, toch succes kan hebben – mits men de eigen boerderij op orde heeft.

Eerste goede raad: zorg dat je een huis, een ploeg en een vrouw hebt – en die vrouw moet een slavin zijn, je echtgenote komt later nog wel. Daarna biedt Werken en Dagen een overzicht van de boerenkalender. Hier is een vrij bewerkt overzicht.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (13) het ritme”

Paleis Het Loo

Een beschilderd bord met Paleis Het Loo

Toen in 1979 het bestaan van een bastaardzoon van prins Hendrik bekend werd, grapten Apeldoorners dat de oud-hovelingen van paleis Het Loo er alleen in Apeldoorn al vier kenden. Apeldoorners herinnerden ook dat koningin Wilhelmina eens een soldaat had beloond voor opvallende plichtsbetrachting. En Apeldoorners wisten dat Wilhelmina, toen onduidelijk was of haar echtgenoot Hendrik was overleden, opperde een krat bier naast het sterfbed te zetten: “Als die er morgen nog staat, is ’ie dood.” Er was, toen ik in Apeldoorn woonde, nogal wat oral history over de bewoners van paleis Het Loo.

Niet alles was waar, maar het Apeldoorn waar ik opgroeide, hield van het paleis. Een speels grapje was altijd mogelijk. Een leuk gebruik was dat mensen die daar in de buurt kwamen wonen, van de buurtvereniging een bos margrieten kregen. Dat die later verpieterden, lag voor de hand.

Lees verder “Paleis Het Loo”

De Cyrenaica (2)

Apollonia (Cyrenaica)

[Dit is het tweede en laatste blogje over de Cyrenaica.]

Een tijd zonder geschiedenis

De Perzen veroverden Egypte in 525 v.Chr. en lijken daarna de Cyrenaica te hebben onderworpen. Uit de Historiën van Herodotos van Halikarnassos zouden we afleiden dat het gebeurde rond 513, maar zoals zo veel dateringen is ook dit jaartal niet zo zeker als het lijkt. Het is onduidelijk of de Achaimeniden daadwerkelijk de regio hebben beheerst: ze lag immers ver weg. Het is in elk geval waarschijnlijk dat de Cyrenaica haar zelfstandigheid herwon toen koning Xerxes de perifere rijksdelen opgaf. In elk geval moeten de steden van de Cyrenaica na de onafhankelijkheid van Egypte in 404 autonoom zijn geweest.

Lees verder “De Cyrenaica (2)”

De Cyrenaica (1)

Het slangenheiligdom van Slonta

De Cyrenaica was een van de belangrijkste én onbekendste regio’s uit de oude wereld. Hier lag een van de belangrijkste Griekse steden: Kyrene, het Latijnse Cyrene, met een beroemde joodse gemeenschap, een eigen filosofische school en handelscontacten in alle richtingen. Eigenlijk zou iedereen met hart voor de oude wereld deze stad moeten bezoeken – en ook het heiligdom van Slonta, de diverse havensteden en de kerkjes met hun mooie Byzantijnse mozaïeken. Gegeven de huidige politieke situatie – in de Cyrenaica heerst de militie van Khalifa Haftar – zal de onbekendheid nog wel even duren. Een blogje is misschien nuttig.

Het land

Ik grijp eerst terug op een eerdere beschrijving van de Mediterrane wereld, waarin ik erop wees dat het een verschrikkelijk verkreukeld landschap is, waarop alleen het lange stuk vanaf de Nijldelta tot en met halverwege Tunesië een uitzondering is. Hier bestaat de kustlijn niet uit rotsige eilanden en bizar gevormde baaien, hier is alles gelijkmatiger. De zee kent hier een stevige zeestroom van west naar oost. Een atmosferische kringloop (de Hadley Cell) maakt de regio echter een nogal droog klimaat heeft. Is noordelijk Afrika een uitzondering op het algemene patroon, dan is de Cyrenaica daarop weer een uitzondering, want hier verheft zich de hoogvlakte van de Gebel el-Akhdar, waarop de noordenwind leeg kan regenen. Allerlei kleine riviertjes stromen uit de bergen naar de zee, waardoor de Cyrenaica behoort tot de meest groene gebieden van de oude wereld. Gebel el-Akhdar betekent dan ook zoiets als “de groene bergen”.

Lees verder “De Cyrenaica (1)”

Gertrude Bell

Gertrude Bell (klik=groot)

En dan ineens sta je, op een wat rommelige ochtend, op het Britse kerkhof in Bagdad. Je ziet het graf van officieren en manschappen die sneuvelden in de Eerste Wereldoorlog, toen de Britten de olievelden in zuidelijk Irak bezetten. De graven zijn wat mottig, niet al te best onderhouden, op één na: het graf van Gertrude Bell. Een gigant. Geboren in 1868, aanwezig op diverse kruispunten in de geschiedenis van het moderne Midden-Oosten. Zelfmoord in 1926, vandaag een eeuw geleden.

Wie was Bell? Ze was een Britse reiziger, auteur, politiek adviseur en archeoloog. En ze hielp bij de vorming van de moderne staat Irak.

Lees verder “Gertrude Bell”

Alexander de Grote in Babylon (4)

Zegel van een Babylonische priester (Louvre, Parijs)

[Laatste van vier blogjes over het verblijf van Alexander de Grote in Babylon. Het eerste was hier.]

De aankomst van de Macedoniërs in Babylon was dus een wetenschappelijke doorbraak zonder weerga, die de Griekse kennis van hemel en aarde aanzienlijk verrijkte. In schril contrast met deze glorieuze gebeurtenis staat het lot van de Babylonische vrouwen. Levend in de stad van Semiramis, over wie de Griekse mannen de geilste gedachtes hadden, ervoeren ze lijfelijk wat zoveel vrouwen in oorlogstijd hebben moeten ondergaan. Het meest schrijnende is het verwijt dat ze de verkrachting aan zichzelf hadden te wijten. Curtius Rufus geeft ze een trap na:

Geen van Alexanders steden is verdorvener in zeden, geen beter toegerust om bovenmatige gevoelens op te roepen en ervoor te bezwijken. Zolang er maar voor schanddaden wordt betaald staan ouders en echtgenoten toe dat hun kinderen en echtgenotes ontuchtige seks hebben met vreemdelingen. Vrouwen wonen daar ook drinkgelagen bij en hoewel ze aanvankelijk netjes gekleed gaan, ontdoen ze zich al gauw van hun bovenkleding. Ik geneer me tegenover mijn lezers te zeggen dat de Babylonische vrouwen zich vervolgens steeds verder onteren en zich uiteindelijk ontdoen van hun meest intieme kledingstukken. Dit walgelijke gedrag is niet alleen typerend voor courtisanes, maar ook voor getrouwde vrouwen en jonge meisjes, voor wie dit alles valt onder de noemer gezelligheid.noot Curtius Rufus, Alexander 5.1.36-38; vert. Daan Stoffelsen..

Lees verder “Alexander de Grote in Babylon (4)”

Alexander de Grote in Babylon (3)

De Ištarpoort (Pergamonmuseum, Berlijn)

[Derde van vier blogjes over het verblijf van Alexander de Grote in Babylon. Het eerste was hier.]

Hoewel de gezaghebber in Babylon, Mazaios, naar de Macedoniërs was overgelopen, waren Alexanders mannen op hun hoede en ze rukten in slagorde op naar de beroemde stad. Het moet hen hebben teleurgesteld dat de muren minder imposant waren dan Herodotos van Halikarnassos had beweerd, maar van de andere kant: ze waren nog nooit eerder in een stad geweest met ruwweg 100.000 inwoners. Ter vergelijking: Athene was half zo groot.

Lees verder “Alexander de Grote in Babylon (3)”