De Mainzer Beobachter (de echte)

Je heb bloggers en bloggers. Sommigen beperken zich tot één hoofdthema, anderen schrijven over alles wat maar bij ze opkomt. Je moet eens weten hoeveel van die laatsten ergens in hun CV schrijven dat ze over alles een mening klaar hebben liggen. Zou Multatuli in onze tijd leven, hij zou hebben behoord tot die tweede categorie: iemand die over elk onderwerp wel een opiniërend stukje kon schrijven. Pak van Sjaalman.

Dat werd begin 1866 wat lastig, omdat hij gedwongen was Nederland te verlaten. Of beter: hij was wegens openlijke geweldpleging (“het moedwillig toebrengen van slagen … waardoor geene ziekte of beletsel van te werken van langer dan 20 dagen is ontstaan”) veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf en voelde zich te goed om die uit te zitten. Omdat hij, gevlucht naar het Rijnland, geld nodig had, ging hij stukjes schrijven voor de Opregte Haarlemsche Courant: vrij uitgebreide, redelijk betaalde samenvattingen van wat de Duitse kranten zoal te melden hadden. Broodschrijverij dus.

Lees verder “De Mainzer Beobachter (de echte)”

De paasdatum in het jaar 30 (2)

Bij gebrek aan paas-ikoon geef ik u een ikoon die goede vrijdag voorstelt. Heilig Kruis-klooster, Omodos.
Bij gebrek aan paas-ikoon geef ik u een ikoon die goede vrijdag voorstelt. Heilig Kruis-klooster, Omodos.

Zoals ik al beschreef, kampen we met elkaar tegensprekende bronnen. Zoals altijd in de oudheidkunde. Dat is de gewoonste zaak ter wereld. We kennen ook twee elkaar uitsluitende verhalen over de Atheense tyrannendoders, we weten de namen van diverse verraders die de Perzen de weg om Thermopylai zouden hebben gewezen, we bezitten vier of vijf beschrijvingen van het visioen van Constantijn (al tijdens zijn leven), we beschikken over elkaar tegensprekende beschrijvingen van de slag bij Kadesj, we kennen uit de Griekse literatuur twee sterfdata voor Alexander de Grote (die allebei onjuist bleken) en zo voort en zo verder. Zoals bijna altijd is een beredeneerde hypothese in de oudheidkunde het hoogst haalbare.

In dit geval zijn er vooral praktische bezwaren tegen het verhaal van Marcus. Het is bijvoorbeeld niet bijster aannemelijk, denken we te weten, dat de Joodse leiders iemand konden arresteren, getuigen tegen hem konden oproepen, een verhoor konden organiseren en de gearresteerde konden uitleveren in de nacht waarop iedereen Pesach vierde. En denk eens aan die wonderlijke episode dat Pilatus de gewoonte heeft een gevangene vrij te laten en dat het volk kiest voor Barabbas. Als zo’n gebruik heeft bestaan – er is discussie over – had het uitsluitend zin zo’n kerel vrij te laten om hem in staat te stellen het paasmaal te gebruiken. Dat pleit toch echt meer voor Johannes dan voor Marcus.

Er zijn meer argumenten, zoals de plaatsing van Marcus’ tijdsbepalingen, die een late aanpassing van de tekst lijken te zijn – maar ik laat de vormkritiek even wat ze is. Waar het om gaat is dat de meeste wetenschappers kiezen voor het verslag van Johannes. Daaruit volgt dat Jezus stierf in een jaar waarin 14 nisan viel op een vrijdag. Dat was in de jaren 30 en 33 het geval en de eerste datum past beter bij wat bekend is over de duur van Jezus’ optreden: dat zal zo rond 28 n.Chr. zijn begonnen en eerder twee of drie dan vijf of zes jaar hebben geduurd. De Joodse autoriteiten verhoorden de messias dus op donderdag 6 april in de avond en de Romeinse autoriteiten executeerden de koning der Joden op vrijdag 7 april 30. Beide procedures waren juridische schertsvertoningen.

****.

En nu ik toch aan het corrigeren ben: ik schreef dat Baruqa de weergave was van een West-Semitische naam, misschien zelfs de Hebreeuwse naam Baruch. Dat laatste, zo hoor ik, is toch niet mogelijk. Dan zou het met een /k/ en niet met een /q/ gespeld moeten zijn geweest. Ik meende dat gutturalen in de Semitische talen vrij eenvoudig uitwisselbaar waren en heb hier nooit vragen over gehad, maar ik zat blijkbaar verkeerd. Hierop komt echter nog een vervolg.

Rest me u vandaag een mooi, zonnig Paasweekend te wensen.

De paasdatum in het jaar 30 (1)

Romeinse soldaten bespotten Jezus (Catacomben van Praetextatus, Rome; tweede eeuw)
Romeinse soldaten bespotten Jezus (Catacomben van Praetextatus, Rome; tweede eeuw)

Al tijden ligt er op mijn bureau een aantekening dat ik een fout moet herstellen die ik een tijdje geleden heb gemaakt. Ik ben er een paar keer op gewezen, moest er even rustig voor zitten om te doorgronden hoe het ook alweer zat en vervolgens vond ik die rust niet werkelijk. (Zo liggen er ook nog vier interviews te wachten en ruim honderd mailtjes.) Nu ik ziek ben, heb ik het betreffende blogstukje aangepast en dat was weleens tijd ook, want het ging om een fout die ik vorig jaar met Pasen heb gemaakt en die ik dus een jaar heb laten liggen.

Ik had destijds een reeks stukjes over het Lijdensverhaal en stelde in dit deel de vraag op welke datum Jezus stief. Was dat:

  • zoals de eerste drie evangeliën beweren, op Pesach (dus op vrijdag 15 nisan)?
  • zoals Johannesevangelie stelt, op de voorbereidingsdag voor Pesach (dus op vrijdag 14 nisan)?

Er zijn nog wat slagen om de arm, maar die zal ik u besparen. In het gewraakte stukje had ik het verkeerd uitgelegd. Nu dan even goed.

Lees verder “De paasdatum in het jaar 30 (1)”

Koepelbouw in Tripoli

Tripoli, Hammam Ezzedine
Tripoli, Ezzedine-hammam

Ik heb weleens een stukje geschreven over de manier waarop men in de Oudheid en Middeleeuwen koepels bouwde. U vindt het hier. Het architectonisch probleem is hoe je een ronde koepel plaatst op een vierkante onderbouw: hoe plaats je een iglo op een kubus? Het gewicht van de koepel rust dan namelijk op precies vier plaatsen, namelijk op de punten waar de onderrand van de koepel rust op de verticale muren. De koepel kan nooit te groot zijn, omdat de kubus dan bezwijkt onder het gewicht van de onvoldoende gesteunde koepel.

De bouwers van het Pantheon in Rome losten het op door een rond gebouw onder de koepel te zetten, maar de gebruikelijke oplossing was een andere. Op de vierkante ruimte werd een achthoek geplaatst, daarop vaak een zestienhoek en daarop soms nog een tweeëndertighoek. De bovenstaande foto, die ik nam in het Ottomaanse Ezzedine-badhuis in de Libanese havenstad Tripoli, toont het mooi: een vierkante rand met daarboven de achthoek. De donkerroze vlakken zijn de trompen, waar de vierhoek overgaat in de achthoek. Zo komen de neerwaartse krachten van de koepel niet alleen op vier punten halverwege de bovenrand van de vier muren, maar ook op de vier hoeken.

Lees verder “Koepelbouw in Tripoli”

Baruqa

De schlemielige resten van de Toren van Babel
De schlemielige resten van de Toren van Babel

Soms herken je in de Oudheid iets uit het heden. Zo hebben in Frankrijk joodse en islamitische leiders hun gelovigen opgeroepen mee te betalen aan de herbouw van de Notre Dame. Niet dat die oproep werkelijk nodig was, want elke Fransman, elke Europeaan heeft deze dagen het gevoel verweesd te zijn, maar dit deed me denken aan een bankafschrift uit Babylonië.

Midden in Babylon verrees de enorme tempeltoren Etemenanki, het “huis van het fundament van de hemel op aarde” dat behoorde bij de hoofdtempel Esagila. Toen koning Nebukadnezzar het monument in de zesde eeuw v.Chr. had vernieuwd, had hij gebluft dat de toren tot in de hemel zou reiken en dat er zóveel bouwvakkers werkten dat alle talen van de wereld bij de bouwput werden gesproken. De joodse auteur van het verhaal van de Toren van Babel schreef een buitengewoon effectieve parodie op ’s konings propaganda.

Lees verder “Baruqa”

Eshmun, Hermes, Asklepios

Munt uit Lepcis Magna (British Museum, Londen)

Ik ben ziek dus ik geef u vandaag alleen even een plaatje van een munt uit Lepcis Magna met daarop de god Eshmun, die dit keer (als ik de uitleg in het British Museum mag geloven) visueel niet valt te onderscheiden van Hermes maar die in Lepcis de functie had van Asklepios: de godheid waaronder de volksgezondheid ressorteerde.

Het is één van de vele manieren waarop in het Fenicisch/Punische cultuurgebied alle goden dwars door elkaar liepen: de god die in Baalbek werd vereerd, Ba’al Hadad, kon voor de Grieken Apollo en Helios zijn maar ook Zeus. Dit vormt een waarschuwing om niet al te gemakkelijk de attributen van deze of gene godheid te gebruiken om te komen tot een identificatie. Dat betekent overigens tevens dat de identificatie van iemand die lijkt op Hermes als Asklepios óók te gemakkelijk kan zijn.

Lees verder “Eshmun, Hermes, Asklepios”

Olympisch kampioen

Portret van een Olympisch kampioen (Athene, Nationaal Archeologisch Museum)
Portret van een Olympisch kampioen (Athene, Nationaal Archeologisch Museum)

Ik kan het u niet veel klassieker geven dan de kop hierboven, gevonden in de tempel van Zeus in Olympia en tegenwoordig te zien in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene. De man draagt een olijfkrans en dat wil zeggen dat we te maken hebben met iemand die een overwinning heeft behaald bij de Olympische Spelen, de meest prestigieuze van de klassieke Griekse atletiekfestivals. (De drie andere waren in Delfi, op de istmus van Korinthe en in Nemea.) Het moet een breedgebouwde kerel zijn geweest en om die reden hebben kunsthistorici er een bokser in herkend. Misschien is het wel omdat hij een beetje lijkt op de beroemde Bokser van het Quirinaal in Rome: een even onverzettelijke kerel met even onderzoekende ogen.

Ik vind het eerlijk gezegd maar raar om iemands beroep te baseren op zijn uiterlijk. (In elk geval heeft de Poolse zwaargewicht Adam Kownacki niet als eerste bokser de bijnaam “babyface”.) Maar misschien heb ik iets niet goed begrepen, want de man is zelfs geïdentificeerd met een zekere Satyros van Elis, die in 332 en 328 het boksen won. Ik sluit overigens ook niet uit dat die identificatie is gebaseerd op het feit dat de Griekse auteur Pausanias schrijft dat hij in Olympia een door de Atheense bronsgieter Silanion gemaakt portret van die bokser heeft gezien in de Zeustempel.

Lees verder “Olympisch kampioen”