MoM | Pastafari

Gedoe bij de Technische Universiteit Delft. Geohydroloog Michael Afanasyev wil zijn proefschrift verdedigen in een piratenpak omdat dit zo hoort volgens zijn religie, de Kerk van het Vliegende Spaghettimonster. De Volkskrant legt het u in detail uit. Afanasyev meent dat als andere gelovigen zich mogen bedienen van de symbolen van hun religie, dat ook geldt voor pastafari’s als hij. De Volkskrant legt uit dat voor pastafari’s piraten

… goddelijke wezens zijn, waarbij ‘het opwarmen van de aarde, aardbevingen, orkanen en andere natuurrampen allemaal directe gevolgen zijn van het afnemende aantal piraten sinds 1800.’ Volgens de aanhangers is dat verhaal niet vreemder dan dat van een man die water in wijn veranderde of een god die de zee in tweeën spleet.

Los van de in Delft actuele vraag of religieuze symbolen gewenst zijn bij een promotieplechtigheid: de geciteerde vergelijking van twee verhalen is vreemd.

Lees verder “MoM | Pastafari”

Siegfried, de MacGuffin

Hagen en Gunther (Alte Nationalgalerie, Berlijn)

Of we het nu hebben over de Ilias, over het Wilhelmus, over de eed van Von Stauffenberg c.s. of over Spiderman: steeds opnieuw vernemen we dat mensen die verkeren in een geprivilegieerde positie verplichtingen hebben. De homerische helden, Willem de Zwijger, de Duitse aristocraten en Peter Parker weten dat with great power also comes great responsibility. Maar wat als dat je eigen ondergang betekent?

Die vraag komt aan de orde in het tweede deel van het Nibelungenlied. Dat begint met een uitnodiging die koning Etzel stuurt aan de Bourgondiërs in Worms. Koning Gunther wil de invitatie aannemen, al was het maar om zo zijn zuster Kriemhild terug te zien, die met Etzel is getrouwd. Gunthers leenman Hagen geeft goede raad: zijn koning moet niet gaan, want Kriemhild zou weleens wraak kunnen nemen voor de moord op haar eerste echtgenoot, Siegfried. Hagen kan het weten: hij was de dader en handelde om de eer van zijn eigen koningin en van koning Gunther te redden.

Lees verder “Siegfried, de MacGuffin”

Aion

Aion-mozaïek (Munchen, glyptotheek)

Het bovenstaande mozaïek fotografeerde ik in de glyptotheek, het sculptuurmuseum, van München. Dat is een van de mooiste collecties ter wereld, maar wat dat mozaïek er doet, weet ik ook niet: te midden van alle standbeelden valt het wat uit de toon. Je zou het hebben verwacht in de nabijgelegen Antikensammlung. Het is echter de moeite waard. Het is gevonden in Sentinum in Umbrië, een op zich onbeduidend stadje dat beroemd is omdat de Romeinen er in 295 v.Chr. een belangrijke veldslag wonnen.

De afbeelding is van een type waarvan er in de derde eeuw n.Chr. dertien gingen in het Romeinse dozijn. Rechtsonder zit een vruchtbaarheidsgodin met vier kinderen, die de jaargetijden representeren. Verder ziet u Aion staan, de personificatie van de eeuwigheid, met een soort hoepel in de hand waarop de tekens staan van de dierenriem. Kortom, een afbeelding van de eeuwige wederkeer der seizoenen.

Lees verder “Aion”

De val van Nineveh

De laatste verdedigers van Nineveh

Hoe het Assyrische Rijk precies ten onder is gegaan, er is niemand die het weet. Onder koning Esarhaddon had het nog Egypte onderworpen, onder Aššurbanipal bloeide het wereldrijk, maar vanaf diens dood kampte het met steeds meer problemen: onrust in het binnenland, onrust in Babylonië, onrust aan de grenzen. De Egyptenaren en Babyloniërs wisten onafhankelijk te worden en de laatsten bestreden hun voormalige meesters, daarbij geholpen door de Meden uit het Zagrosgebergte. De stad Aššur viel in 614, Nineveh twee jaar later, en in 610 kwam er ook een einde aan de laatste Assyrische burcht in Harran.

Die feiten staan vast, maar niemand weet waarom het zo liep. Het helpt niet dat we voor deze periode van verval minder bronnen hebben. Imperial overstretch kan een factor zijn geweest voor de neergang van Assyrië. Dat het rijk sowieso nooit meer is geweest dan een plundermachine, zal ook een rol hebben gespeeld. In elk geval: in 612 was het voorbij.

Lees verder “De val van Nineveh”

Nobel streven (3)

Ik ben geen mediëvist en ook geen neerlandicus. Verwacht van mij geen inhoudelijk oordeel over Nobel streven, het onlangs verschenen boek van Frits van Oostrom dat ik al voor u samenvatte en waarover ik al opmerkte dat de auteur zo mooi uitlegt wat hij aan het doen is. Dit keer nog wat andere gedachtes die bij me opkwamen en die minder te maken hebben met Nobel streven dan met het feit dat het een boek is. Boeken zijn problematisch als medium om aan een groot publiek wetenschappelijke inzichten over te dragen. We leven immers in een tijd waarin iedereen zijn informatie zoekt op het wereldwijde web.

Ik heb al eens eerder uitgelegd dat het boek alleen nog een meerwaarde heeft als het de ongedifferentieerde nevenschikking van het internet weet te overstijgen. Het heeft geen zin een biografie te schrijven van deze of gene Romeinse keizer, aangezien vrijwel alle informatie al online is te vinden. Wat we wél zoeken is een overzicht van de Griekse literatuur of een boek over de wijze waarop archeologen van vondsten komen tot conclusies. Of een overzichtswerk dat de geschiedenis van Egypte opnieuw onderhanden neemt, de eerste geschiedenis van het Aramees of een overzicht van de omgang met de Oudheid in de Renaissance: boeken die iets bieden wat je niet vindt op het internet.

Lees verder “Nobel streven (3)”

Taparet

Sarcofaag van Taparet (Medelhavsmuseet, Stockholm)

Sarcofagen als de bovenstaande zijn niet zeldzaam. Elk museum met een egyptologische collectie heeft er wel ergens een staan. Deze staat in Stockholm en in ons Rijksmuseum van Oudheden staat de grafkist van Wahibra-Emakhet.

Deze sarcofagen dateren uit wat egyptologen de “late tijd” noemen en die naam spreekt boekdelen. In de negentiende eeuw, toen in Europa het nationalisme en imperialisme hoogtij vierden, waren de egyptologen vooral geboeid door de tijd waarin een puur-Egyptische cultuur had bestaan en het land een imperium had bezeten in Voor-Azië. Toen die Aziatische gebiedsdelen verloren waren gegaan en de Egyptische heersers kwamen uit Libië, Nubië, Assyrië en Perzië, was voor de toenmalige egyptologen de sjeu eraf: dit was een tijd van verval of op zijn best een nabloei. In het museum in Cairo is deze periode nog altijd buitengewoon stiefmoederlijk bedeeld en ik ben niet optimistisch over het nieuwe museum.

Lees verder “Taparet”

Nobel streven (1)

Ik geloof dat Marcel Hulspas op Sargasso de eerste was die wist te melden dat het nieuwe boek van Frits van Oostrom, Nobel streven, ronduit geweldig is. Het boek bevat, zoals de ondertitel ietwat hijgerig maar adequaat samenvat, Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode, die u zo rond het jaar 1400 moet plaatsen. Ik heb het boek in één adem – nou vooruit: in twee treinritten Amsterdam-Leeuwarden – uitgelezen.

Hulspas had er overigens wel wat op aan te merken. Hij vond dat de wereld rondom Jan van Brederode in Nobel streven wat karig aan bod kwam en meende bovendien dat Van Oostrom het verhaal te lang had voortgezet na de dood van Van Brederode. Grappig genoeg zie ik het precies andersom. Ik vind dat er wel wat minder middeleeuwse context in had gemogen – het boek had dertig pagina’s korter gekund – en ik hecht juist de meeste waarde aan het eerste van de twee hoofdstukken die volgen op de dood van Van Brederode. Maar in elk geval ben ik het eens met Hulspas: Nobel streven is een geweldig boek en daarom zal ik er drie stukjes aan wijden. Ik begin met een typering.

Lees verder “Nobel streven (1)”