MoM | Physics of Society (2)

65536 coalities en hun interne frictie. Slechts twee coalities zijn stabiel.

In het eerste stukje legde ik uit dat “physics of society” veronderstelt dat veel menselijke gedragingen zijn te herleiden tot een beperkt aantal regels, die je in een computerprogramma kunt simuleren. Daarmee kunnen ook onverwachte gebeurtenissen worden verklaard. Het gaat hier echter vooral om redelijk alledaagse situaties. Kun je het ook gebruiken op de menselijke geschiedenis? Het antwoord is dat er wel wat mogelijk is en dat je, door zo’n computersimulatie duizenden keren te laten draaien, zou kunnen benaderen welke factoren er werkelijk toe doen. De implicatie is dat je dan ook de toekomst kunt voorspellen en dat voelt intuïtief niet aan alsof dat klopt. Slecht verzonnen science fiction. Misschien is het ook wel zo, maar laten we eerst eens kijken naar wat mogelijk is.

Een mooi voorbeeld is het ontstaan van de allianties die in de Tweede Wereldoorlog tegenover elkaar kwamen staan, zoals deze is beschreven door de Amerikaanse onderzoekers Robert Axelrod en Scott Bennett (“A Landscape Theory of Aggregation“, 1993). Ze gingen ervan uit dat er niet één aantrekkende en afstotende kracht was, zoals in de voorbeelden uit het voorgaande stukje, maar vijf. Elk land kon zich tot een ander aangetrokken voelen (of juist niet) om economische, etnische, ideologische, religieuze en historische redenen. Dit duidden Axelrod en Bennett aan als +1 of -1. Een zesde factor waren grensconflicten, die alleen als -1 konden worden aangegeven. Daarnaast werd de macht van elk land berekend aan de hand van zaken als demografie, militaire kracht en bruto nationaal product.

Lees verder “MoM | Physics of Society (2)”

MoM | Physics of Society (1)

Geschiedenis is méér dan “het ene ding na het andere” of “vroeger zag het er hier zo uit”. Je probeert het verleden ook te verklaren: de diverse gegevens met elkaar in verband brengen dus. Dat kan door via wetmatige verbanden oorzaken aan te wijzen, ongeveer zoals in de natuurwetenschap gebeurt; het kan door oorzaken op te sporen via vergelijkingen; en het kan door je in de mensen van vroeger ein zu fühlen (wat we hermeneuse noemen).

Sinds enkele jaren is er een nieuw type verklaring waarvoor in feite geen naam is. Ik houd niet van het anglicisme “physics of society”, zoals deze verklaringswijze weleens wordt aangeduid, en wat nog erger is: de naam suggereert teveel. In enkele minuten zult u weten dat het niet zo nodig is de natuurkunde erbij te halen. Het verheldert wel iets maar het is niet zo heel erg essentieel. Maar voor we daar zijn eerst iets anders: een vlucht spreeuwen.

Lees verder “MoM | Physics of Society (1)”

Klassieke literatuur (7a): Plinius de Oudere

Portret van een Romein uit de tijd van Plinius de Oudere (Louvre, Parijs)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke wetenschappelijke literatuur.]

Wie begint met de lectuur van antiek wetenschappelijk proza, loopt tegen een dijk van een probleem aan. Wij weten meer dan de oude Grieken en Romeinen. Dat is ook logisch, want wetenschappers bouwen in principe voort op hun voorgangers, corrigeren hun fouten en bouwen het corpus van betrouwbare informatie geleidelijk uit. De huidige problemen – het corpus is te groot, mensen moeten selecteren en zijn manipuleerbaar voor desinformatie, wetenschappers die onvoldoende weten wat ze niet weten – doen er niet aan af dat we nu meer weten dan in de Oudheid en verder zien dan de reuzen op wier schouders we staan, zodat ons oog meteen valt op hun vergissingen.

Lees verder “Klassieke literatuur (7a): Plinius de Oudere”

Herodotos’ halflegendarische volken

Perzisch reliëf van een Nubiër

Een van onhebbelijkheden van antieke auteurs is dat ze bij het schrijven niet het fatsoen hadden rekening te houden met ons. Ik ga niet lang zoeken naar een voorbeeld en neem Herodotos, over wie ik momenteel wel vaker blog, en neem ook Nubië, waarover de al eerder beschreven expositie is in het Drents Museum. Herodotos heeft het evident over Nubië als hij vertelt dat de Perzische koning Kambyses wilde oprukken naar de hoofdstad van een koninkrijk ten zuiden van Egypte. De vraag is welke hoofdstad dat was: Napata of Meroë.

Napata was de oude hoofdstad, maar na de verwoestingen die koning Psamtek II van Egypte daar had aangericht – ik blogde er onlangs over – verplaatsten de Nubiërs hun residentie naar Meroë. Voor de interpretatie van Kambyses’ beleid scheelt het nogal wat zijn doel was. Rukte hij op naar Napata, dan zette Kambyses het beleid voort van de eerdere koningen van Egypte; was het daarentegen Meroë, dan was het beleid aanzienlijk ambitieuzer, om niet te zeggen irreëel. Er is echter een dieper probleem: Herodotos noemt Kambyses’ vijanden “Ethopiërs”.

Lees verder “Herodotos’ halflegendarische volken”

Het proactieve Driekoningen-stukje

De drie wijzen uit het oosten (Sant’ Apollinare Nuovo, Ravenna)

Zondag is het 6 januari ofwel Driekoningen ofwel Epifanie ofwel een van die momenten waarop kwakhistorici hun kans grijpen om even wat onzin in de krant te krijgen. Het jaar is nog jong, de zaterdagkrant heeft ruimte, de nieuwsredacties zijn nog niet helemaal scherp en oudheidkundigen bijten, anders dan klimaatwetenschappers en artsen, zelden terug als er onzin wordt gedebiteerd. Tijd dus voor weer een proactief stukje – ik las laatst dat er al een vakterm voor zulke voorwaartse verdediging was: prebunking – in de ongetwijfeld ijdele hoop nog wat stommiteiten uit de krant te houden.

Er waren drie koningen

Tweemaal niet waar. Het verhaal over het bezoek van de wijzen uit het oosten is alleen te lezen in het evangelie van Matteüs – en wel hier – en vermeldt (a) geen koningen en (b) geen aantallen. Een onbepaald aantal magoi verschijnt ten tonele, dat is alles. Het aantal van drie is afgeleid van het drietal geschenken (goud, wierook en mirre) maar in de oosterse kerken kunnen het er twaalf zijn. De namen Caspar, Balthasar en Melchior zijn later verzonnen, al zijn ze al te lezen in de laatantieke Sant’ Apollinare in Ravenna. Zie boven. Merk op dat ze geen koninklijke attributen hebben. De koninklijke status zou een toevoeging zijn uit de Middeleeuwen, gebaseerd op Psalm 72.11:

Alle koningen zullen zich voor hem neerbuigen,
alle heidenen zullen hem dienen.

Lees verder “Het proactieve Driekoningen-stukje”

Senkamanisken

Koning Senkamanisken met de dubbele uraeus-slang, die symbool staat voor de heerschappij over Nubië én Egypte

Het bovenstaande portret stelt koning Senkamanisken voor, die van pakweg 640 tot 620 v.Chr. regeerde over Nubië. Als u de kop herkent, is het vermoedelijk omdat het Drents Museum dit beeld gebruikt om reclame te maken voor de expositie over het oude Nubië. Er zit een verhaaltje aan vast.

Zoals ik al eens eerder vertelde, heersten de koningen van Nubië een tijd lang – laten we zeggen van 740 tot 667 – ook over Egypte. De twee rijken hadden veel gemeen, dus heel vreemd was het niet. Het paste ook redelijk in de gedeelde kosmologie, waarin de dingen eigenlijk pas in orde waren als ze met z’n getweeën voorkwamen: een aantredende farao verenigde de twee rijken, waarmee meestal Beneden- en Boven-Egypte waren bedoeld, al was de vereniging van oorsprong die van Hierakonpolis en Naqada (gesymboliseerd door de witte hedjet-kroon en de rode deshret-kroon), en ook al kon de vereniging in wijdere zin ook slaan op de oostelijke en de westelijke oever van de Nijl of op het vruchtbare en het dorre land. Of op Egypte en Nubië. Dit laatste was in elk geval hoe de Nubiërs de universele twee-heid graag uitlegden en daarom droeg de koning, zoals u hierboven ziet, twee uraeus-slangen op zijn diadeem.

Lees verder “Senkamanisken”

Byzantijnse krabbel (12): Fabels

Een kwatrijn is een gedichtje van vier regels. De grootmeester van het genre is de middeleeuwse Perzische auteur Omar Khayyam, over wie ik al eens blogde, twee keer zelfs: 1, 2 en nog een derde keer als een bonus die eigenlijk niet over hem gaat. De weinige keren dat ik zelf heb geprobeerd een kwatrijn te schrijven, ontdekte ik dat het moeilijk is een gedachte in precies vier regels te gieten: om echt iets te zeggen, had ik er eigenlijk altijd meer nodig. Sonnetten zijn makkelijker.

Des te knapper vind ik het als iemand in een kwatrijn een compleet verhaal kan vertellen. Dat probeerde de Byzantijnse dichter Ignatios, die het kwatrijn benutte voor het vertellen van fabels: verhaaltjes met een plot en een moraal, en dat in vier zinnetjes.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (12): Fabels”