[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.]
Ezinge
Laten we er geen doekjes om winden: bovenstaande voorwerpjes zijn visueel niet heel aantrekkelijk. Het zijn weefgewichtjes, die in een weefgetouw onderaan de scheringen hingen. Archeologen moeten er tienduizenden hebben opgegraven, want het maken van textiel is natuurlijk iets van alle oude beschavingen. Ik heb eens ergens gelezen dat mensen al in het Paleolithicum plantenstengels vlochten, dat men in het Neolithicum draden leerde spinnen en dat de eerste weefgetouwen zo rond 5000 v.Chr. zijn gebouwd. Of dat klopt, laat ik in het midden; waar het om gaat is dat de weefgewichtjes uit Ezinge volkomen normaal waren.
Depositie uit Hoogstraten (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)
[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.]
Hoogstraten
Een van de (althans voor mij) wonderlijke aspecten van de Bronstijd is wat archeologen een depositie noemen. Simpel gezegd: mensen laten ergens met opzet kostbaarheden achter. Waarom? We kunnen het ze niet langer vragen, en het antwoord “het zal wel religieus zijn” is vanzelfsprekend een voorbeeld van de Eerste Hoofdwet van de Archeologie. Al heb ik geen idee wat het anders kan zijn geweest.
Aardewerk van de Swifterbantcultuur (Museum Schokland)
Op 14 juli 2011 plaatste ik het eerste stukje op deze blog. Anders gezegd: vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar. Dit is het 7400e stukje en u schreef meer dan 60.000 reacties. Tot voor kort waren er ongeveer 4000 bezoekers per dag, maar sinds Google automatisch antwoorden genereert, is dat ingezakt tot ongeveer 3000. Om de vijftiende verjaardag te vieren, plaats ik vandaag vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftien Nederlandstalige provincies. (De slimmerik die opmerkt dat dat meer zijn, mag concluderen dat ik het historische onrecht ongedaan maak dat Vlaanderen en Holland ooit zijn gesplitst.) Vijftien blogjes dus, van de Prehistorie tot de Merovingische tijd.
De Swifterbantcultuur
Deze reeks kan niet anders dan beginnen in de Prehistorie, en uit het rijke aanbod selecteer ik de Swifterbantcultuur, die is ontdekt toen Oostelijk Flevoland in de jaren vijftig droogviel. Aan de noordrand van de polder bleek een oud krekenlandschap te liggen – door slimme aanplant opnieuw herkenbaar – waarin ooit mensen hadden gewoond met een eigen, in de naoorlogse jaren nog nergens gedocumenteerde archeologische cultuur. Inmiddels kennen archeologen wel meer vindplaatsen en is bekend dat de Swifterbantcultuur heeft bestaan tussen ongeveer 5600 en 3400 v.Chr.
Jarenlang was het een van de topstukken in het Landesmuseum in Bonn: het skelet van de eerst-gevonden Neanderthaler, ook wel bekend als “Neandertal 1”. Ontdekt in 1856 in het naar een meneer Joachim Neumann Neander genoemd dal, en opeens belangrijk na de publicatie van Darwins Origin of Species, is dit gedeeltelijk bewaarde skelet een van de belangrijkste voorwerpen uit de wetenschapsgeschiedenis.
De vondst, waarvan ontdekker Johann Carl Fuhlrott meteen begreep dat het ging om een andere mensensoort, is destijds niet zo grondig gedocumenteerd als wij nu wenselijk vinden. Waar de botten hebben gelegen, was daardoor lange tijd onduidelijk, maar gelukkig is de vindplaats rond 2000 teruggevonden, inclusief enkele nieuwe stukjes van het 40.000 jaar oude skelet. Deze gebeurtenis lijkt de aanleiding te zijn geweest voor de bouw van een nieuw museum in het Neanderdal, gewijd aan zijn beroemdste ingezetene, op nog geen halve kilometer van de vindplaats. Bonn moet zich, qua beroemde ingezetenen, nu beperken tot Beethoven.
Vorige week blogde ik over de Ladder van Hawkes: een manier om de relatie tussen de diverse oudheidkundige deelgebieden te conceptualiseren. Een archeoloog kan aan de hand van zijn vondsten vrij robuuste uitspraken doen over het technologisch peil van een samenleving, en als dat eenmaal is vastgesteld, blijft er maar een beperkt aantal configuraties over waarmee, op een hogere tree van deze “ladder”, de economie valt te organiseren. De economie stelt weer beperkingen aan de sociale verhoudingen, weer een tree hoger, en de sociale verhoudingen hebben weer enige invloed op de ideologie.
Er zit veel in dit concept dat de moeite van het overwegen waard is. Hoe hoger we komen op deze ladder, hoe minder robuust onze kennis is en hoe vaker archeologen een beroep moeten doen op andere vakgebieden. En er is een zwak punt: het is niet zo dat uitsluitend lagere treden beperkingen opleggen aan de hogere; het omgekeerde gebeurt ook. Het schema van de Britse archeoloog David Clarke, gepubliceerd in 1968, houdt daar rekening mee. Het is het plaatje hierboven. Het eerste wat opvalt is dat het enorm complex is, maar gelukkig heeft Kees Huijser, die dit plaatje voor u maakte, er kleur aan toegevoegd. Dat helpt.
Begin vorig jaar publiceerde ik met classicus Hein van Dolen een vertaling van de fragmenten die we nog hebben van de Fenicische Geschiedenis van Filon van Byblos. Een van die passages, onderdeel van het lange Fragment 2, is een opsomming van uitvindingen waardoor de mens meer mans was geworden. Hier zijn enkele voorbeelden die betrekking hebben op de scheepvaart:
Ousoös pakte toen een boom, brak de takken ervan af en waagde zich als allereerste op zee.
Een van hen, Chousour, bekwaamde zich in het spreken, bezweren en profeteren. … Hij vond ook vishaak, lokaas, snoer en vlot uit, waarmee hij als eerste mens heeft gezeild.
De Tweelingen of Kabeiren, Korybanten of Samothrakiërs waren de uitvinders van het schip.
Ik geef toe: het plaatje hierboven is niet bijster informatief. U ziet een heuvel waar een lange gang in is gegeven. Meer is het niet, daar in Karanovo in Bulgarije. Als ik het een naam moest geven, zou ik het een trench noemen, wat net niet helemaal hetzelfde is als het Nederlandse “geul” (want die ontstaat door spoelend water) of “sleuf” (want die is smaller). Ik noem het dus maar een trench en deze trench vormde het begin van een belangrijke opgraving.
Stratigrafie
De enorme heuvel bij Karanovo (niet te verwarren met de even verderop gelegen grafheuvel) is te beschouwen als een tell, waarin diverse woonlagen boven elkaar lagen. Werd een dorp verwoest, bijvoorbeeld door een aardbeving, dan bouwden de overlevenden nieuwe huizen bovenop de oude, zodat die heuvel hoger werd. Herhaal dat enkele keren en je hebt een stevige bult. Als een archeoloog die bult van bovenaf neerwaarts gaat uitgraven, zijn de diverse bewoningslagen echter niet goed herkenbaar. Een trench helpt om vat te krijgen op de stratigrafie. Zie het onderstaande, iets informatievere plaatje.
We moeten het weer eens hebben over Spanje, een land waarvoor ik mijn oude liefde begin te hervinden (en waarheen ik volgend jaar een reis organiseer). Meer in het bijzonder wil ik het hebben over bovenstaande stèle uit de Late Bronstijd, die ik fotografeerde in het mooie archeologische museum in Madrid, en die ooit stond in Magacela bij Badajóz.
Zulke stenen monumenten zijn overal in Europa gevonden, en zijn eeuwenlang vervaardigd. Ik heb weleens geblogd over een soortgelijke stèle uit Ategua. Die markeert vrijwel zeker het graf van een krijger, en het is natuurlijk aantrekkelijk ook bovenstaand, obeliskvormig monumentje zo te interpreteren. We zien duidelijk een mens met een speer in de hand en aan zijn voeten een rond schild. Op zijn hoofd lijkt hij een helm te hebben met twee hoorns, een type dat we in elk geval uit het oostelijk bekken van de Middellandse Zee kennen uit de Zeevolkentijd (kijk maar).
In dit artikel wil ik samenvatten wat we weten over de pre-Romeinse geschiedenis van de huidige Italiaanse provincie Puglia, die grotendeels samenvalt met de gelijknamige historische regio Apulië. Ik was er zopas op reis en dat geeft altijd inspiratie. Bovendien is de cultuur die aan de Romeinen voorafging mij aangenaam raadselachtig.
Geografische situering
Dat Apulië een eigen geschiedenis heeft, begrijpen we door eerst te kijken naar de aardrijkskunde. De Apennijnen, de ruggengraat van Italië, buigen in het zuiden af en maken zo in het oosten ruimte voor een vlakte, die de historische regio vormt. Er zijn enkele uitzonderingen: de kleine uitstulping in het noorden – het “spoor” van de laars – is een geïsoleerde hoogvlakte, het nationaal park van Gargano. Centraal ligt de Alta Murgia, eveneens een hoger gelegen nationaal park.
De laagvlakte daar tussenin wordt verdeeld in de Tavoliere rond Foggia en de Salento, de echte hak van Italië. Bijzonder is dat er quasi geen rivieren zijn in deze regio. In het noorden heb je nog wel de Ofanto, die zich amper 170 kilometer richting Adriatische Zee slingert, en rond Bari is er bescheiden afwatering van de Alta Murgia, maar in de Salento is er … niks. Dat komt niet alleen doordat de streek zeer vlak is, maar vooral doordat ze geologisch bestaat uit kalksteen. Het water baant zich geen weg naar zee maar sijpelt de grond in. Wat je dus mist aan rivierenschoon, win je aan karstgrotten en andere spelingen der natuur.
Prehistorisch Apulië
De Prehistorie
De ons bekende menselijke geschiedenis van Apulië begint bij Foggia. In Pirro Nord zijn vuurstenen gevonden, die ongeveer 800.000 jaar oud zijn.noot Een studie uit 2024, gepubliceerd in Quaternary Geochronology, reviseert de traditionele datering van anderhalf miljoen jaar naar ca. 800.000 op basis van nieuwe dateringen van sediment en fossielen. Het blijft een van de oudste sites in West-Europa, maar niet meer het alleroudste. In het bergdorp Altamura nabij Bari zit een gefossiliseerd skelet van een Neanderthaler in een karstgrot verankerd. Bijzonder is dat men het sinds de ontdekking in 1993 mooi heeft laten zitten. Men denkt nog altijd na over een manier om het skelet uit de karst te halen, maar men is bang onherstelbare schade aan te richten en intussen is de geest van de archeologie verschoven van ophalen naar laten zitten voor later. Men is er echter alvast in geslaagd via de Uranium-Thorium-datering van een stukje karst het skelet te dateren tussen 172 en 128 duizend jaar oud. Een schraapsel uit een schouderblad leverde in 2015 een genetisch staal op dat zich liet identificeren als dat van de Neanderthaler. Het was daarmee destijds het oudste dergelijke DNA.
De oudste fossielen van de Homo Sapiens in Italië zijn aangetroffen in de Grotta del Cavallo in Salento: twee tanden van 43.000 tot 41.000 jaar oud. Ze werden een tijdlang beschouwd als de oudste in Europa, maar o.a. in Bulgarije is intussen ouder materiaal gevonden. Dan is er Delia, een vrouwelijke hominide die 28.000 jaar geleden leefde. Zij is ontdekt in Ostuni, met de resten van een terminale foetus in haar baarmoeder, een zeldzaamheid in het archeologisch onderzoek.
Botten uit de Grotta delle Veneri bij Parabita suggereren het bestaan van vruchtbaarheidsculten uit het Gravettien-tijdperk (ongeveer 25.000 jaar geleden), terwijl in de grot Le Mura in Monopoli fossiele resten zijn gevonden van een kind van ongeveer anderhalf jaar, gedateerd op 17.000 jaar. DNA-onderzoek uit 2024 voegt toe dat het kind blauwe ogen had en een donkere huid. Deze en andere vondsten leiden tot de hypothese dat Apulië deel uitmaakte van de toevluchtsoorden (“refugia”) voor de eerste Europese moderne mensen tijdens de laatste ijstijd.
Bij Manfredonia zijn de nederzetting en de graven van Masseria Candelaro ontdekt, daterend uit het zesde millennium v.Chr., die aantonen dat de vlakte ten zuiden van de Gargano sinds het vroege Neolithicum bewoond was. In Passo di Corvo, aan de rand van Foggia, staat een van de grootste neolithische archeologische sites van Europa (zesde tot vierde millennium millennium v.Chr.). De daar aangetroffen landbouwpraktijk kwam vermoedelijk vanuit het Midden-Oosten naar Italië en entte zich op de vruchtbare Apulische vlakte. De Laterza-cultuur, vernoemd naar het dorp waar de grafplaatsen zijn aangetroffen, was mogelijk de laatste neolithische cultuur van Italië voor de Bronstijd.
Bronstijd
Recente opgravingen in Roca Vecchia hebben een imposant vestingwerk uit de Bronstijd (zeventiende tot en met elfde eeuw v.Chr.) aan het licht gebracht, met aanwijzingen voor Mykeense contacten. In hetzelfde gebied bevindt zich nog een belangrijke archeologische site: de grot van Posia Piccola (ook Poesia Piccola genoemd), ontdekt in 1983. Die draagt talrijke votiefinscripties, soms over elkaar gelegd, uit verschillende tijdperken en beschavingen.
Ook uit de Bronstijd dateren de vondsten rond Ruvo di Puglia: een nederzetting op de weg van Molfetta naar Matera uit ongeveer 2000 v.Chr. In de hutten zijn sporen aangetroffen van metaal- en steenbewerking, waaronder een bronzen bijl.
Akkerbouw lijkt zo logisch maar was dat in de voor-westerse wereld allerminst. Ik wees er al op dat het landschap in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee weliswaar heel gevarieerd is maar zelden gastvrij. In een ander blogje vertelde ik dat de regens vallen op het verkeerde moment. Waar bergen zijn – en waar was dat eigenlijk niet? – is weinig ruimte voor akkerbouw. De rivier- en kustvlakten zijn doorgaans klein, als ze niet onleefbaar waren door de eeuwenlang alom aanwezige malaria. Het is logisch dat de akkerbouw doorbrak op de grote vlakte van Mesopotamië, al is dat, zoals we nog zullen zien, niet waar deze activiteit is ontstaan.
De rivieren waren namelijk bepaald niet behulpzaam voor de eerste boeren. De Eufraat en Tigris, gevoed door de in het voorjaar smeltende sneeuw van Armenië, traden namelijk buiten hun oevers op het moment waarop de gewassen ontkiemden. Dat dwong de akkerbouwers in deze regio om dammen, dijken en cisternen te bouwen. De extra inspanning gold blijkbaar als een acceptabele prijs om te betalen voor het jaarlijks afgezette laagje vruchtbare klei, de aanwezigheid van vis en de mogelijkheid van eenvoudig transport.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.