Faits divers (38)

Grafsteen waarop de naam “Wittiza” voorkomt. (© Pau Marimon Ribas & Jordi Pérez González)

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer Spanje, de joodse Bijbel, archeatrie en een nuttige webpagina van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Spanje

Mocht u ooit nog eens besluiten een koninkrijk te annexeren, dan is het slim om te wachten tot het moment waarop de opvolging ter discussie staat. Alexander onderwierp een verdeeld Perzië, Saladin profiteerde van een verdeeld Koninkrijk Jeruzalem en de Arabische commandant Tariq had, toen hij in 711 overstak van de Maghreb naar het Iberische Schiereiland, de mazzel dat de dynastie in het Rijk van Toledo verdeeld was. Koning Wittiza was dood en Roderik (Rodrigo) had zijn macht nog niet werkelijk gevestigd toen Tariq hem ergens in de regio van Cádiz versloeg en het hele Iberische Schiereiland opeiste voor het Umayyadische Kalifaat van Damascus.

Lees verder “Faits divers (38)”

Antieke woorden voor “lezen”

Een Romein zit te lezen (Landesmuseum, Trier)

Onlangs verscheen op deze plek een stukje over het al dan niet stil lezen in de Oudheid. Ik legde daarin uit dat de negentiende-eeuwse theorie dat men in de Oudheid vrijwel uitsluitend hardop las, inmiddels is verlaten: we weten inmiddels dat er wel degelijk ook stil werd gelezen – al moest je die vaardigheid dan natuurlijk wel beheersen. De voordelen van stil lezen zijn, en dat besefte men in de Oudheid ook, dat het sneller gaat en je je beter op de tekst kunt concentreren. De Griekse astronoom Claudius Ptolemaeus (87 – na 150 n.C.) schrijft bijvoorbeeld:

Als we ons bij het lezen moeten concentreren, lezen we in stilte. (Judic. 5.2)

Lees verder “Antieke woorden voor “lezen””

De Zevenslapers van Efese

De Zevenslapers van Efese

In de winter van 249/250 gelastte de Romeinse keizer Decius al zijn onderdanen om te offeren aan hun voorouderlijke goden. Daar was alle reden toe, want er woedde een akelige, op ebola lijkende epidemie, en verder waren er de problemen die worden samengevat als de Crisis van de Derde Eeuw. Voor sommige groepen pakte Decius’ loyaliteitseis vervelend uit, want neopythagoreeërs, hermetici en neoplatonisten maakten bezwaar tegen het offeren. Op naam van de pythagorese filosoof Apollonios van Tyana is een briefje overgeleverd waarin hij expliciet zegt dat de grootste eer die men aan de goden kan bewijzen, eruit bestaat niet aan ze te offeren. Duidelijke taal.

Voor de vereerders van Christus was het makkelijker. De meesten hadden de nieuwe god toegevoegd aan hun pantheon. Van keizer Severus Alexander (r.222-235) is bekend dat hij dagelijks offerde aan Abraham, Christus, Orfeus en de zojuist genoemde Apollonios van Tyana. Voor sommige vereerders van Christus stonden echter principieel afwijzend tegenover Decius’ eis, en betaalden met hun bloed. Dionysius van Parijs (Saint-Denis) is een voorbeeld. Andere christenen maakten zich uit de voeten, zoals de bisschop van Karthago, Cyprianus.

Lees verder “De Zevenslapers van Efese”

Wat is archeologie? (5) Toekomst

Marc van Oostendorp legt uit hoe de Nederlandse wetenschap er voor staat.

[Dit is het laatste van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

Wat is archeologie? (5) Wat te doen?

Samenvattend: archeologie is een wetenschap waarin het evenveel draait om de vondsten als om de vragen. In de voorlichting ligt de nadruk meer op het eerste dan op het tweede, en omdat het wetenschappelijke proces dus onderbelicht blijft, is het voor politici en academische bobo’s prijsschieten. Oudheidkundigen worden onvoldoende begrepen, ook door journalisten, en kunnen weliswaar rekenen op sympathie maar niet op genoeg begrip. Bestuurders kunnen rustig een vakgroep opheffen of op een museum bezuinigen, aangezien niemand snapt wat verloren gaat. Bezuinigen is electoraal veilig.

Net als Dig It All, de houtkamer, Geheimen van het Pottenbakkerswiel, Judith en Le Phare probeert de expositie Boven Het Maaiveld in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden de doorgaans ontbrekende informatie wél te geven. Het is, zoals gezegd, niet slechts een stap maar een reuzensprong in de goede richting. We komen er echter niet mee aan de overkant. Het museum heeft ervoor gekozen de bottom-up-zijde van de archeologie te tonen, en haalt met vlag en wimpel de doelen die het zich stelt, maar ik denk dat we méér nodig hebben. Wie tevens de top-down-zijde uitlegt, toont hoe de oudheidkundige disciplines de samenleving verrijken. De Belgische voorbeelden bewijzen dat dit museaal mogelijk is.

Lees verder “Wat is archeologie? (5) Toekomst”

Wat is archeologie? (4) Museale antwoorden

[Dit is het voorlaatste van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

Als politici voordeel zien in trappen tegen de geesteswetenschappen, staat buiten kijf dat de wetenschap moet worden verdedigd. En hoewel uitleg niet helpt tegen pure kwaadwillendheid,noot Hier is een nare aanval op de egyptologie en daar ontdekt u waarom dat geen incident was. helpt uitleg wel om te verhinderen dat insinuaties invloed krijgen. Driekwart van de mensen staat positief tegenover de wetenschap, één procent haat haar, en de tussenliggende groep kun je voor dwaling behoeden met proactieve uitleg – dus uitleg vóór er twijfel is aan wetenschappelijke conclusies. Als die twijfel er eenmaal is, helpt toelichting over de methode niet langer (het backfire-effect).

En zoals op deze blog al vaker gezegd: de oudheidkundige disciplines laten het afweten. Als ik moet vertellen wat classici doen, moet ik verwijzen naar de boeken van de theologen. De archeologen kwamen de afgelopen tijd weliswaar met de expositie Dig It All in Groningen, met de houtkamer in Leidse Rijn en met Geheimen van het Pottenbakkerswiel in Amsterdam, maar een permanent overzicht van archeologie als wetenschap ontbreekt.

Lees verder “Wat is archeologie? (4) Museale antwoorden”

Wat is archeologie? (3) De media

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

[Dit is het derde van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

Ik kan me voorstellen dat u na mijn vorige blogje dacht dat mijn schets van de archeologie nogal abstract was en niet overeenkomt met uw beeld van dat mooie vak. Een vak dat hands on is, heel concreet, heel positief, sterk gebaseerd op het tastbare. Zo komt het immers in het nieuws en zo presenteren archeologen het ook. Vraag een archeoloog maar eens wat archeologie is en in vier van de vijf gevallen vertelt hij over vondsten. Dit is al zo sinds de jaren zeventig, maar zoals gezegd is dataverwerving slechts een voorwaarde voor wetenschap en geen wetenschap.

Archeologie in het nieuws

Archeologie gaat over het toetsen van hypothesen om de mensheid beter te begrijpen (“zeigen wie Menschen ticken”) en onvermoede aannames op te sporen (“unbekannte Werte messen”). Daar horen we echter weinig over. Het gaat vaker over bijvoorbeeld een ontdekt Romeins kamp, waarbij als bijzonderheid geldt dat het benoorden de limes lag – alsof dat belangwekkend zou zijn.noot De limes was geen ijzeren gordijn en kampen als Ermelo waren al bekend. Of het gaat over een monumentaal gebouw in Nijmegen, waarbij als bijzonderheid geldt dat zo dicht bij de Waal resten van de antieke stad bewaard zijn gebleven. Leuk als zulke nieuwtjes zijn, tonen ze niet hoe wezenlijk de feitelijke bijdrage is van de archeologie. Ze trekken wel de aandacht maar niet tot iets.

Lees verder “Wat is archeologie? (3) De media”

Wat is archeologie? (2) Structuur

[Dit is het tweede van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

Eerst even iets over de structuur van de wetenschap. De wetenschapsleer biedt diverse manieren om onderzoek te beschrijven, en die hebben allemaal met elkaar gemeen dat daarbij twee zaken samenkomen. Ik vat gemakshalve samen dat kennis zowel bottom-up als top-down tot stand komt.

One damn’ fact after another

Het bottom-up-verhaal is het eenvoudigst. Onderzoekers doen, heel basaal, eerst waarnemingen (bijv. de voorwerpen in een graf), combineren die waarnemingen vervolgens met andere waarnemingen (bijv. de voorwerpen in alle graven van hetzelfde dorp), brengen de data op een iets hoger niveau samen in generalisaties (“de bewoners van dit dorp kenden opvallend weinig importgoederen”) en komen tot slot op een nog hoger niveau tot een conclusie (“dit dorp stond buiten de grote handelsnetwerken”).

Lees verder “Wat is archeologie? (2) Structuur”

Stil lezen in de Oudheid (2)

Augustinus, lezend (Lateraan, Rome)

[tweede deel van een gastbijdrage van Gert Knepper over het antieke in stilte lezen; het eerste deel was hier.]

Maar hoe verklaart Aleksandr Gavrilov dan die fameuze passage bij Augustinus, sinds Eduard Norden het pièce de résistance van iedere voorstander van de opvatting dat in de Oudheid stil lezen héél zeldzaam was? Gavrilov wijst erop, dat Augustinus nergens met zoveel woorden beweert dat het stil lezen van Ambrosius an sich iets heel ongebruikelijks was. Augustinus tracht vervolgens dan ook niet zozeer Ambrosius leeswijze te verklaren als wel te rechtvaardigen, want waarom haalt die het in z’n hoofd een boek te lezen zonder dat zijn aanwezige volgelingen dat konden horen? Het gaat Augustinus niet om het vermelden van een uniek fenomeen, maar van een onbegrijpelijke manier van doen: Ambrosius hield wat hij las voor zichzelf, in plaats van het te delen met zijn leerlingen.

Gewoon in stilte lezen

Verderop in de Confessionesnoot Belijdenissen 6.3.3. beschrijft Augustinus hoe hij zelf aan het lezen is in silentio, in stilte. Ook daar gaat het hem er niet om zichzelf neer te zetten als iemand met een zeldzame vaardigheid (hij gaat daar verder helemaal niet op in) maar om duidelijk te maken dat zijn eveneens aanwezige vriend Alypius niet hoorde wat Augustinus las.

Lees verder “Stil lezen in de Oudheid (2)”

Stil lezen in de Oudheid (1)

Voorbeeld van een lastig te lezen tekst (Neues Museum, Berlijn)

Het was vooral de Duitse classicus Eduard Norden (1868-1941) die in zijn boek Die antike Kunstprosa (1898) de beroemde passage onder de aandacht bracht, waarin Augustinus bisschop Ambrosius in gezelschap stil zag lezen:

Als hij las, gingen zijn ogen over de bladzijden en zijn hart zocht de betekenis, maar zijn stem en zijn tong rustten. Vaak als we er bij waren – want iedereen kon zo maar binnenlopen en het was ook niet de gewoonte je eerst aan te melden – zagen wij hem zo in stilte zitten. En nadat wij dan ook in langdurig stilzwijgen gezeten hadden (wie zou het gewaagd hebben hem in zijn concentratie te storen?) vertrokken we weer.

We vermoedden dat hij in die korte ogenblikken die hij had om zijn geest op te frissen, vrij van de drukte van andermans zaken, zich niet met iets anders wilde bezighouden; en misschien wilde hij ook voorkomen, dat, als iemand vol gespannen aandacht toeluisterde, hij genoodzaakt zou zijn, onduidelijke gedeelten uit de tekst die hij hardop las, uit te gaan leggen. Of dat hij een uiteenzetting moest gaan geven van een of ander probleem waardoor hij minder boeken kon lezen dan hij wilde. Misschien wilde hij trouwens ook wel zijn stem sparen: hij werd nogal gauw hees.noot Belijdenissen 8.12.29.

Lees verder “Stil lezen in de Oudheid (1)”

Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie

Vergelijkingstheorie helpt vaststellen wat deze vier koningen vergelijkbaar maakt.

Vandaag een blogje over een probleem waarmee de oudheidkundige disciplines kampen: de onvoldoende uitgewerkte vergelijkingstheorie. Vóór ik daarop inga, eerst even terug naar vorige week. Toen schreef ik over het historisme: het denkbeeld dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft. Dit maakt het op het eerste gezicht onmogelijk wetmatige verbanden aan te wijzen. Ik schreef:

Unieke evenementen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar lieten zich inspireren door de tekstuitleg, en dan vooral door de psychologiserende hermeneutiek.

Anders geformuleerd, oudheidkundigen probeerden het verleden te verklaren door zich in te leven (ein zu fühlen) in de individuele actoren, wat hand in hand ging met een voorkeur voor grotemannengeschiedenis. Het focus op het individu betekende dat er geen vruchtbare samenwerking kon ontstaan met de in de negentiende eeuw groeiende sociale wetenschappen, die immers zochten naar algemeen-menselijke patronen.

Lees verder “Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie”