Een danser uit Meroë (Staatliche Sammlung für Ägyptische Kunst, München)
Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: verbeteringen aan deze blog, een niet-zo-doorbraak met artificiële intelligentie (of eigenlijk: twee), klimaatverandering en een open access-boek.
***
Deze blog
U heeft het misschien al ontdekt: Kees Alders, die de techniek van de Mainzer Beobachter doet en ook allerlei dingen weet over antieke filosofie, heeft een leuk speeltje gebouwd voor deze blog. Het is de tijdlijn-pagina, die u hier vindt, en die u in staat stelt wat te grasduinen.
Nu ik toch even bezig ben met wat meer persoonlijke zaken: ik mocht een interview geven over mijn boek over de geschiedenis Libanon. U kunt het vraaggesprek daar lezen. En hier, daar, daar en daar zijn recensies. Wat mij betreft mag u het boek verder ongelezen laten, zolang u het maar koopt, want de opbrengst gaat via Cordaid naar Libanon.
Een kopje met drie gezichten (Musée du Quai Branly, Parijs)
Het NRC Handelsblad publiceerde dit weekend een interview met Zenab Badawi, auteur van An African History of Africa, dat ik al eerder vermeldde. Ik had in dat interview wat kritischer vragen verwacht. Badawi is namelijk wél geïnteresseerd in het verleden, maar haar boek wemelt van de slordigheden en redenatiefouten. Eén daarvan staat in geschiedenisjargon bekend als naïef positivisme: de aanname dat geschreven bronnen én accuraat én representatief zijn. De meeste mensen herkennen wel het eerste probleem (de bevooroordeeldheid van deze of gene bron), maar niet het tweede (de incompleetheid). Badawi is zo iemand. Ze volgt datgene waarover ze informatie heeft en schept zo een verhaal over het verleden, maar het verhaal is niet representatief voor het geheel. Sta me nog een jargonterm toe: An African History of Africa is, hoe sympathiek ook, niet objectadequaat. Een journalist mag daar best vragen over stellen. Je bent een krant hoor.
De Nok-beschaving
Een van de onderwerpen die Badawi overslaat, is de Nok-beschaving. Voor wie deze blog leest omdat ’ie belangstelling heeft voor de Oudheid: Hanno, de Karthaagse zeeman die een ontdekkingsreis maakte langs de westkust van Afrika, had daarmee contact toen hij de monding van de Niger passeerde. Het is ook een van de gebieden waarover W. F. G. Lacroix zijn mooie boek Africa in Antiquity schreef, waarin hij aantoonde dat de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios betrouwbare informatie weergaf, gebaseerd op de mondelinge tradities waar een zeeman aan de monding van de grote rivieren kennis van kon nemen.
De Nok-cultuur wordt meestal door middel van thermoluminescentie gedateerd tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr., met een “aanloopfase” waarover ik het nog zal hebben. Ze is dus even oud als de Nubische culturen van Napata en Meroë. Een respectabele context, zou je zeggen, maar Nok wordt doodgezwegen. En niet alleen door Badawi, hoewel die zegt het “complete verhaal” te willen vertellen.
Als ik vertel dat (a) iemand in een rolstoel naar het station is gegaan om de trein te halen (b) weer terug naar huis is, dan begrijpt u wat er aan de hand is. De roltrap en de lift naar het perron waren weer eens gelijktijdig defect. U bezit culturele voorkennis die het mogelijk maakt het verband tussen (a) en (b) te leggen. Iets dergelijks maken we mee in het verhaal van de Ethiopische eunuch in de Handelingen van de apostelen. (“Ethiopië” verwijst mogelijk naar het koninkrijk Meroë in Soedan, maar kan ook zoiets betekenen als Afgelegië of Verwegistan.)
(a) De eunuch was in Jeruzalem geweest om daar God te aanbidden en
(b) zat nu op de terugweg in zijn reiswagen. (8.27b-28a; NBV21)
Het onuitgesproken verband tussen (a) en (b) is dat een onbesneden eunuch geen toegang tot de tempelrituelen krijgen kón. Althans, zo kun je de voorschriften lezen in Leviticus. Ook Deuteronomium laat aan duidelijkheid weinig te wensen over:
Ik heb de laatste tijd geblogd over antieke rivieren en rond vandaag en morgen af met de grootste van de oude wereld: de Nijl. Enigszins afhankelijk van de wijze waarop je de lengte berekent, is de 6850 kilometer lange stroom de langste rivier op deze planeet of de langste na de Amazone. Als je kijkt naar het afwateringsgebied, heel noordoostelijk Afrika dus, hoeft de Nijl alleen de Amazone en de Congo voor zich te laten.
Noordelijk Afrika bestaat grotendeels uit de onherbergzame Sahara. Als de Nijl geen vruchtbare corridor zou bieden door deze dorre zone, zou het vrijwel onmogelijk zijn om te reizen vanuit Sub-Saharisch Afrika naar het Middellandse Zeegebied of het Nabije Oosten. De Nijl is daarom een cruciale verbindingsweg en dat maakt het verleden van Nubië en Egypte tot het collectieve verleden van de gehele mensheid.
Voor piramiden hoef je niet per se naar Egypte want ook in Nubië, zoals Soedan ooit heette, bouwde men zulke grafmonumenten. Ze worden echter bedreigd door erosie en daarom is een groot reddings- en onderzoekproject gaande. Het geld daarvoor komt nu eens niet voor het grootste deel uit the Global North, maar uit Qatar.
Culturele noodhulp
De Qatari kregen het idee voor de noodhulp in 2009, toen ze bij UNESCO in Parijs op bezoek gingen om de archeologische vindplaats Zubarah als hun eerste kandidaat voor de Werelderfgoedlijst te presenteren. Op dat moment werd herdacht dat vijftig jaar eerder dankzij internationale hulp de door de bouw van de Aswandam bedreigde Egyptische oudheden (zoals de tempel van Abu Simbel) waren gered. Hierdoor geïnspireerd besloot het rijke Qatar ook ergens culturele noodhulp te gaan geven.
Ik heb de laatste maanden enkele keren geblogd over Nubië omdat er in het Drents Museum in Assen zo’n mooie expositie is over dit antieke koninkrijk. Nu migratie het thema is van de Week van de Klassieken, is dat een ongezochte gelegenheid om eens te schrijven over het einde van het Nubische koninkrijk Meroë, dat enigszins doet denken aan de desintegratie van het West-Romeinse Rijk.
De weinige informatie die we hebben, heeft betrekking op de aankomst van nieuwe stammen, zoals de nomadische Blemmyes, die zich – als je dit mag zeggen van nomaden – vestigden in het grensgebied tussen Meroë en het Romeinse Rijk. Hun aanwezigheid was niet naar de zin van de Romeinse keizer Diocletianus (r.284-305), die een andere groep nomaden uitnodigde om vanuit de westelijke woestijn naar de Nijlvallei te komen. Dit waren de Nobatae. Zij dreven de Blemmyes terug naar het oosten, naar het land tussen de rivier en de Rode Zee.
De Nubië-expositie in het Drents Museum in Assen heeft de opzet de antieke culturen van Soedan niet te tonen als een afgeleide van Egypte, maar als een cultuur die in zichzelf interessant is. Hoewel ik moet bekennen dat mijn eigen aandacht meer tijdens de tentoonstelling meer dan eens werd getrokken door juist de Egyptische voorwerpen – want die herken je – kan ik ook zeggen dat de expositie in haar opzet is geslaagd.
Het bovenstaande aardewerk is Meroïtisch en dit type keramiek is ook in Assen te zien. Alleen is dat niet dit kruikje, want deze foto maakte ik in de zwaar onderschatte Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark in Brussel. Dit soort aardewerk is ook te bewonderen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik vind de kleuren en de abstracte beschildering erg mooi.
Voetenbankje uit Nubië met afbeelding van krijgsgevangenen (Museum of Fine Arts, Boston)
Als president Trump zegt dat hij troepen kan weghalen uit Syrië omdat de zogenaamd Islamitische Staat is verslagen, staat hij in een lange traditie van schijnoverwinningen. Een Romeins voorbeeld: keizer Domitianus zei de Germanen te hebben overwonnen en liet de overwinningsmunten alvast slaan, maar had in feite niets bereikt. Zijn tijdgenoot Tacitus doorzag het en wijdde een etnografie aan de nobele wilden die vrij en onbedwongen woonden voorbij de Rijn en Donau.
Nog een stap verder ging de Egyptische farao, die zijn regering begon met het bestraffen van de Negen Bogen, volken die misschien ooit werkelijk hadden bestaan maar in de loop der eeuwen steeds weer een andere identiteit aannamen en in feite zuiver mythologisch waren. Ook ging de koning van Egypte aan het begin van zijn regering altijd even naar het zuiden om de Nubiërs te tuchtigen, maar het is zelfs niet zeker of hij werkelijk een bezoek bracht aan het gebied voorbij Syene. De vraag is op zichzelf niet belangrijk, maar er is een kleine discussie hoe ver Alexander de Grote, die de macht overnam in Egypte en zich presenteerde conform de faraonische traditie, naar het zuiden is geweest.
Romeinse lamp uit de piramide van koningin Amanikhatashan (Boston Museum of Fine Arts)
Ik meende dat ik kort voor oudjaar voor de 300e keer over een museumstuk had geblogd, maar ik vergiste me: ik bleek over één voorwerp tweemaal te hebben geschreven, namelijk het Egyptische beeld dat op het omslag staat van Wahibre-em-achet en andere Grieken. Die wonderlijke zwarte sarcofaag is me dierbaar, inderdaad, zo dierbaar zelfs dat ik er dus tweemaal over kon schrijven zonder het te weten. En dus hebben we vandaag een tweede driehonderdste museumstuk: de bovenstaande olielamp.
Als u het voorwerp herkent, is het vermoedelijk omdat u met de kerstdagen naar Assen bent geweest naar de Nubië-expositie in het Drents Museum. De lamp is echter niet in Nubië geproduceerd: het is een Romeins voorwerp dat is gevonden in de piramide van koningin Amanikhatashan te Meroë. Zoals ik al eens heb verteld, was Meroë de hoofdstad van de vierde grote fase van de Nubische cultuur: na de Kerma-periode, een Egyptische periode en de Napata-periode bloeide Meroë tegelijk met de hellenistische staten en het Romeinse Rijk.
Een van onhebbelijkheden van antieke auteurs is dat ze bij het schrijven niet het fatsoen hadden rekening te houden met ons. Ik ga niet lang zoeken naar een voorbeeld en neem Herodotos, over wie ik momenteel wel vaker blog, en neem ook Nubië, waarover de al eerder beschreven expositie is in het Drents Museum. Herodotos heeft het evident over Nubië als hij vertelt dat de Perzische koning Kambyses wilde oprukken naar de hoofdstad van een koninkrijk ten zuiden van Egypte. De vraag is welke hoofdstad dat was: Napata of Meroë.
Napata was de oude hoofdstad van Nubië, maar na de verwoestingen die koning Psamtek II van Egypte daar had aangericht – ik blogde er onlangs over – verplaatsten de Nubiërs hun residentie naar Meroë. Voor de interpretatie van Kambyses’ beleid scheelt het nogal wat zijn doel was. Rukte hij op naar Napata, dan zette Kambyses het beleid voort van de eerdere koningen van Egypte; was het daarentegen Meroë, dan was het beleid aanzienlijk ambitieuzer, om niet te zeggen irreëel. Er is echter een dieper probleem: Herodotos noemt Kambyses’ vijanden “Ethopiërs”.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.