Dit blogje kan ik alleen beginnen met de constatering dat het alweer voor de derde keer november was in het extra lange jaar waarin Julius Caesar en Lepidus het consulaat bekleedden. Aangezien Caesars kalenderhervorming inmiddels een feit was, hoef ik de data niet meer voor u om te rekenen naar onze eigen kalender: 5 november is gewoon 5 november. Jawel, u bent weer beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”
De invloedrijkste Romein uit Romeins Andalusië, waarover ik gisteren blogde, zal Hosius wel zijn geweest. U heeft nog nooit van hem gehoord, maar deze bisschop van Córdoba was de religieuze adviseur van keizer Constantijn (r.306-337). Hij heeft hem niet alleen begeleid bij zijn eerste kennismaking met het christendom, maar hem er ook van overtuigd – en dit was beslissend – dat wie Christus vereerde, alléén Christus mocht vereren, en dat er slechts één correcte wijze was. Dat Christus als godheid erkend zou worden, was nooit een Romeins probleem; dat je andere goden afwees, staat bekend als proto-orthodox, en het stond niet in de sterren geschreven dat deze specifieke vorm van christendom dominant zou worden. Evenmin was het vanzelfsprekend dat christenen zich zouden uitputten in het vinden van de meest correcte formulering van een orthodoxie.
Hosius’ invloed op het latere christendom was dus groot. Het is misschien geen toeval dat de man die dit christendom uiteindelijk doorduwde, keizer Theodosius I (r.378-395) eveneens afkomstig was uit Spanje. Ook de eerste christen die om zijn geloofsovertuiging door mede-christenen werd gedood, Priscillianus, was een Spanjaard.
Een Iberisch-Romeinse dame (Archeologisch Museum, Córdoba)
Toen de Romeinse troepen rond 208 v.Chr. aankwamen in het huidige Andalusië, betraden ze een wereld waarop niets hun had voorbereid. Er waren steden en heuvelforten, er waren metaalmijnen, er waren uitgestrekte akkers en boomgaarden, en langs de kust lagen havensteden, waar kooplieden aankwamen en vertrokken naar alle plaatsen langs de Middellandse Zee. Ergens achteraan, niet ver van de monding van de Guadalquivir, lag Cádiz, waar schepen aanlegden met goud uit de Bambouk en tin uit Armorica. De Romeinen zouden dit gebied, dat ze eerst Hispania Ulterior (“het verre Spanje”) en later Baetica noemden, nooit meer opgeven.
Baetica is vernoemd naar de rivier de Baetis, die wij Guadalquivir noemen. Dat is een arabisme: het betekent Grote Rivier. Maar ook Baetis was al een semitische naam. Net als Guad is Baetis afgeleid van een woord dat rivier betekent, denk maar aan wadi. Het eerdere semitisme illustreert de vroege aanwezigheid van Fenicische kolonisten en Karthaagse heersers. Ook een naam als Málaga, “zoutstad”, is Fenicisch, terwijl het eerste element in Córdobahet Fenicische woord qrt weergeeft, “stad”. De Feniciërs dreven al sinds de negende eeuw v.Chr. handel met een lokaal IJzertijd-koninkrijk, dat we gewoonlijk Tartessosnoemen. Deze naam leeft voort in die van het volk dat woonde op de vruchtbare vlakte bezuiden de Guadalquivir, de Turdetaniërs.
Een scheepswrak in het archeologisch museum van Girne; wellicht krijgen we zoiets ook te zien in Cartagena
Omdat het nieuwe academisch jaar is begonnen en de oudheidkunde dus wordt bedreigd, beginnen we deze “faits divers” met een petitie. Dit keer gaat het om de gymnasia in Denemarken, die geen financiële steun meer krijgen. Vorig semester waren er petities voor twee archeologische instituten, vier voor klassieke talen, één voor geesteswetenschappen in het algemeen en twee voor musea (overzicht). Soms hielpen die petities, dus tekenen is geen vergeefse moeite. U vindt de Deense petitie daar.
Reliëf met afbeelding van het paleis van Córdoba uit de Vandaalse tijd (Archeologisch Museum, Córdoba)
Een nieuwe donderdag, een nieuw stukje over Een kennismaking met de oude wereld, het handboek van De Blois en Van der Spek dat ik de afgelopen maanden heb becommentarieerd. We zijn inmiddels aanbeland bij de transitie van Oudheid naar Middeleeuwen, en omdat ik momenteel ben in Tunesië, moeten we het maar eens hebben over de Vandalen.
Germaanse en Iberische Vandalen
Het in deze reeks al besproken landkaartje in het handboek suggereert dat de Vandalen vanuit Germaans Polen deels naar het zuiden trokken en deels naar het westen. Onze bronnen vermelden bij de groepen die in de vroege vijfde eeuw de Rijn overstaken, inderdaad Vandalen, samen met de Alanen. Ze trokken dwars door Gallië en bereikten [V]Andalusië, waar ze zich vestigden. De handboekauteurs schrijven:
Het paleis van de gravin van Lebrija, met een mozaïek uit Italica
[Het tweede deel van Dieter Verhofstadts artikel over de Romeinse stad Italica, in Andalusië, en de Gravin van Lebrija. Het eerste deel was hier.]
Deze blog over Romeinse kunst in Europa heeft een andere kijk op de rol van de Gravin van Lebrija bij de opgraving van Italica. Als invloedrijke intellectuele kunstminner was ze maar al te goed op de hoogte van het belang van de oude Romeinse stad. Toen de opgravingen tegen het einde van de negentiende eeuw werden geïntensiveerd en de prachtige mozaïekvloeren werden blootgelegd, kocht zij enkele bewakers om, zodat ze een aantal naar haar woning kon verplaatsen. De verantwoordelijke voor de site, de archeoloog De los Ríos, confronteerde de gravin met wat hij als diefstal beschouwde en probeerde haar ertoe te bewegen de mozaïeken terug te geven. In plaats van zijn eis in te willigen, dreigde ze ermee hem te laten ontzetten uit zijn opdracht.
Vrouw in een mannenwereld
Deze versie, waarvan ik geen andere, laat staan officiële of wetenschappelijke, bron terugvind, geeft niet alleen een andere toedracht over de beweegredenen van de gravin, maar weerlegt de algemene teneur in de levensverhalen die men bij de stichting en op de -pedia’s vindt, namelijk dat het voor een vrouw in de negentiende eeuw zeer ongebruikelijk was om invloed uit te oefenen op het publieke leven en dat zij voortdurend moest optornen tegen de door mannen gedomineerde wereld van kunst, wetenschap en politiek. Dat zij een officieel aangestelde, mannelijke wetenschapper zomaar kon afdreigen, past niet in dat plaatje.
Dat opgravers in het verleden nogal driest te werk zijn gegaan, met goede of kwade bedoelingen, is algemeen bekend. Van de andere kant: we mogen opgravers en exposanten uit het verleden niet zomaar beoordelen aan de hand van de huidige inzichten. Toen ik vorige maand Sevilla bezocht, stuitte ik op een interessant voorbeeld.
Italica
De bron van alle oudheidkundige moois dat is opgegraven en vertoond in Sevilla, is Italica. Die voormalige Romeinse stad ligt zo’n tien kilometer noordwestwaarts, in het huidige plaatsje Santiponce. Het was de vermoedelijke geboorteplaats van de Romeinse keizer Trajanus en misschien ook van zijn opvolger Hadrianus. In de derde eeuw raakte Italica in verval, mogelijk doordat de Guadalquivir zijn loop verlegde.
De legioenbasis van VI Ferrata, waar de archeologie zichzelf weer eens belachelijk maakt.
In de reeks faits divers deze keer: allerlei nieuws over archeologie.
Oud nieuws
Indachtig het oudheidkundig spreekwoord dat je nooit één keer nieuws naar buiten moet brengen als je ook twee keer kunt hengelen naar fondsen, horen we weer eens dat de basis van VI Ferrata is gevonden bij Megiddo. U leest het bijvoorbeeld hier. Maar het is oud nieuws. Daar leest u bijvoorbeeld een berichtje uit 2017. De foto hierboven toont het terrein, dat gewoon Lejjun heet en waarvan de Ottomaanse archeologen al wisten dat dat een verbastering was van legio en dat er een legioen had gebivakkeerd.
Ik gebruikte het plaatje trouwens al in een blogje uit 2013, en ik vermeldde Megiddo keurig netjes toen ik blogde over dat Zesde, Gestaalde Legioen. Er is dus helemaal niets ontdekt. Zoals te doen gebruikelijk presenteert de Romeinse archeologie nieuws dat niet nieuw is.
Nepnieuws
Mijn volgende voorbeeld is erger. Dit bericht over Tall el-Hammam herhaalt niet alleen een claim die niet nieuw is, maar die bovendien onwaar is. Het gaat om een stad in Jordanië die rond 1650 v.Chr. op een onduidelijke wijze is verwoest. Er moet een gruwelijke brand hebben gewoed en men neemt aan dat er een meteoor is ingeslagen. Misschien is dat waar, maar de theorie is al geopperd in 2018. Niet nieuw dus. De aandachtstrekker is dat de verwoesting van Tall el-Hamman in de Bijbel wordt herinnerd als de ondergang van Sodom en Gomorra. Sodom (wat dat ook geweest moge zijn) lag echter bij de Siddimvallei, nootGenesis 14.10. zeg maar aan het zuidelijk uiteinde van de Dode Zee, terwijl Tall el-Hamman uitziet over het dal van de Jordaan. Het bericht is dus niet alleen geen nieuws, maar ook nog onwaar.
Zoals u wellicht weet ben ik bezig met een reeks over Julius Caesar en de Tweede Burgeroorlog. Inmiddels zitten we ergens in Tunesië in het jaar 46 v.Chr. Binnenkort keert Caesar terug naar Italië, bereidt daar allerlei hervormingen voor en reist dan af naar Spanje om het op te nemen tegen de zonen van Pompeius. Ik heb die blogjes, die in maart 2025 online gaan, al geschreven. Misschien herinnert u zich dat ik vorig jaar augustus ik in Andalusië ben wezen kijken. Ik kan u alvast verklappen: niet de slag bij Farsalos was de beslissende strijd. De slag bij Munda was veel grootschaliger en Caesar vocht daar, naar eigen zeggen, niet voor de overwinning maar voor zijn leven.
Er is echter een probleem. Niemand weet waar Munda ligt. Na de veldslag verloor het stadje aan betekenis en het wordt vrijwel niet meer vermeld. In een opsomming van Andalusische coloniae spreekt Plinius de Oudere er al over in de verleden tijd. De beschrijving van de veldslag bevat een vermelding van een rivier en een heuvelrug, maar die zijn in Andalusië net zo gewoon als sloten in een Hollandse polder. Er is echter een inscriptienoot EDCS-21300310. die meldt dat keizer Augustus, “zoon van de overwinnaar bij Munda”, de muren van Astigi (het huidige Écija) heeft laten repareren wegens de verdiensten van het stadje in de Spaanse Oorlog. Die inscriptie is echter als vals gebrandmerkt omdat er een geschiktere kandidaat is: Montilla, veertig kilometer ten oosten van Écija.
Hij was een jaar of achttien toen hij voor het eerst naar Spanje liftte, vroeg in de jaren vijftig van de vorige eeuw. El Generalisimo Francisco Franco en zijn fascistische kliek hadden het land nog stevig in hun greep, de wurgpaal was nog in gebruik en zou dat nog meer dan twintig jaar blijven. Spanje, die vreemde, onheilspellende, anachronistische tijdcapsule, liet Cees Nooteboom niet meer los, het greep hem bij zijn kladden. En aangezien hij schreef leverde ieder bezoek aan Spanje een nieuwe schat aan verhalen op.
In De omweg naar Santiago beschrijft Nooteboom een aantal zwerftochten uit de eerste helft van de jaren tachtig. Hij reist heel Spanje door en maakt je deelgenoot van zijn diepe kennis van het land en zijn geschiedenis, zijn fascinatie met de soms oeroude kerken en kerkjes in het achterland. Kerkjes die door hun barre omgeving lijken opgenomen, als bakens van een ongekende, barse tijd. De essentie van reizen, door zongeblakerde, uitgestorven landschappen met hier en daar het leven van een dorp of stad. Spanje is inmiddels flink veranderd en Nootebooms verhalen zijn soms zelf alweer een tijdcapsule geworden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.