Een Romeinse man uit de tijd Filon van Byblos (Glyptothek, München)
Tot de blogs die een mens elke ochtend even moet bekijken, behoort Neerlandistiek, waar Marc van Oostendorp gisteren een erg leuke bijdrage had over de politieke vraag hoe eerlijk het is dat Engels ’s werelds nationale voertaal is. Het International Journal of the Sociology of Language besteedt daaraan aandacht en er zijn, schrijft Van Oostendorp, drie standpunten.
Je kunt het Engels zien als de drager van groot sociaal onrecht en van Anglo-Amerikaanse dominantie op het wereldtoneel; of je kunt het zien als een manier waarop individuen vooruit kunnen komen in de wereld; of als een noodzakelijk instrument om wereldwijd de democratie en de rechtvaardigheid te doen toenemen.
Ik heb geen idee hoeveel pelgrims in de Romeinse tijd Byblos bezochten om de Dame van Byblos en Adonis te vereren. Ik heb nog minder idee van het aantal dat verder reisde de bergen in, maar het was voldoende om een weg voor ze aan te leggen. Een deel daarvan is nog te zien in het natuurreservaat dat bekendstaat als Jabal Moussa, de Mozesberg. Nog wat verderop was bij het huidige Afqa de bron van de rivier de Adonis, waarover we al eens een filmpje toonden.
Wie van Beiroet naar Jbeil komt, zal vermoedelijk parkeren op een een paar jaar geleden aangelegd terreintje met een modern trappenhuis, en dan verder wandelen richting Kruisvaarderskasteel. Het pad naar de oude stad bestaat uit een lang, smal parkje met links en rechts wat pilaren.
Er is ook Romeins plaveisel te zien. Misschien hebt u het ook wel eens ergens anders gezien en dan weet u dat er altijd enorme geulen in te zien zijn, uitgesleten door karrenwielen die hier tientallen jaren lang elke dag overheen zijn gekomen. Gek genoeg ontbreken ze in Byblos en dat bewijst dat deze weg alleen door voetgangers is gebruikt. Het was de processieweg naar de heiligdommen van Adonis en de Dame van Byblos.
In mijn wekelijkse reeks over het Nieuwe Testament maak ik even een zijsprong die niet helemaal als een verrassing zal komen voor degenen die deze blog al wat langer volgen. Ik heb er immers al vaker op gewezen dat het vroege christendom – of misschien moet ik het hebben over “de Jezusbeweging” – pluriform was. Joden uit diverse stromingen herkenden iets in Jezus’ leer en later waren er ook niet-joden die er iets in zagen.
Deze tweede groep wordt doorgaans in verband gebracht met Paulus, die meende dat er bij het naderende wereldeinde ook redding kon zijn voor heidenen. Hij was niet de enige apostel die niet-joden toeliet tot het Verbondsvolk. Er zijn bijvoorbeeld al snel christenen te vinden in Egypte, dat bovendien uitgroeide tot een fabriek van nieuwe ideeën, maar we weten niet wie het christendom daar voet aan de grond heeft doen krijgen. Er zijn echter zeker meer Paulussen geweest.
Byblos had zichzelf, zoals ik in een eerder stukje uitlegde, met succes opnieuw uitgevonden. Het was niet langer de unieke eerste handelshaven van de Mediterrane wereld, het was een heilige stad. Er waren twee tempels: een voor Adonis (vermoedelijk een complex boven de aloude Obeliskentempel) en een tempel voor de Dame van Byblos, die inmiddels onder allerlei namen bekendstond.
Byblos ontving bedevaartgangers, die bij het betreden van het plateau waarop de tempels stonden langs een fontein kwamen. Of, zoals archeologen het noemen, een nymphaeum. Het is denkbaar dat de pelgrims zich hier ritueel wasten, zoals de joden in die tijd hun baden hadden en zoals in de wereld van de islam nog altijd gebruikelijk is. Ik ken echter geen bewijs voor zo’n ritueel in Byblos. De plek van het nymphaeum is echter wel opmerkelijk.
Zoals ik al eens opmerkte – ik ga niet opzoeken waar – was Byblos in de Romeinse tijd geen heel speciale stad. Of beter: het was niet meer de unieke handelshaven die het ooit, lang geleden was geweest. Toen had de stad cederhout geleverd aan de farao en die had geschenken gegeven aan de Dame van Byblos. Dat was uniek geweest, maar in de loop van de Bronstijd waren steeds meer steden handel gaan drijven. Byblos had concurrentie gekregen en was uiteindelijk overschaduwd.
De stad heeft zichzelf echter opnieuw uitgevonden. De Dame van Byblos was een eerbiedwaardige oude godin, die inmiddels niet meer alleen werd gelijkgesteld aan Hathor, maar ook aan de Syrische Astarte, aan de hellenistische Isis, aan de Afrodite van Cyprus en aan de Romeinse Venus. Haar mannelijke tegenpool, misschien vereerd in de vernieuwde Obeliskentempel, stond inmiddels bekend als Adonis en op munten stond “van de heilige stad”.
De laatste decennia zijn er tienduizenden pre-islamitische en vroegislamitische rotsinscripties op het Arabische Schiereiland gevonden en voor een deel al uitgegeven. In tot dusver nog onbekende Semitische talen, in een verscheidenheid van alfabetten in verschillende stadie van ontwikkeling. Uitgaven van zulke inscripties zien er vaak nogal ontmoedigend uit; dat zal bij andere cultuurgebieden niet anders zijn. U kent ze misschien: veel tekstjes van één of anderhalf regeltje, veel puntje puntje puntje waar letters onduidelijk waren en tussen vierkante haken één of twee letters die de uitgever meende te kunnen aanvullen. In de tentatieve vertaling is dan bij voorbeeld te lezen dat X hier begraven ligt, of dat er iets gewijd wordt aan een bepaalde godheid.
Oude en nieuwe talen uit Arabië
Maar in de handen van specialisten zijn al die inscripties uit Arabië goud waard. Hele nieuwe talen worden er ontdekt (bijv. Safaïtisch), reeds bekende talen worden bekender, de ontwikkeling van diverse alfabetten is te volgen, handelsroutes en de verbreiding van stammen en staatjes over het schiereiland worden zichtbaar. Het is niet overdreven te zeggen dat de oude geschiedenis van Arabië door die inscripties geheel moet worden herschreven, inclusief het ontstaan van de islam. Maar het is allemaal nog zo nieuw; het zal nog even duren voordat er een handzaam geschiedenisboek op tafel ligt.
Ach ja, het odeon van Byblos. Het is geen bijzonder gebouw. Elke hellenistische en Romeinse nederzetting van enige omvang had een stadsgehoorzaal. Je moet je er een dak boven voorstellen. Hier kon je, in een tijd waarin muziek niet elektrisch te versterken was, komen luisteren naar muziek. Het was ook de plek van het optreden van sofisten, mensen die we kunnen aanduiden als concertredenaars. Zo iemand betrad het podium, vroeg aan het publiek om een onderwerp, u en ik roepen iets dat goed onmogelijk is (“lof der kaalheid”) en de sofist improviseerde dan een toespraak.
Enfin. Het odeon van Byblos dus. Dertien in een dozijn. Het stond oorspronkelijk ergens anders, namelijk boven de Obeliskentempel. De archeologen hebben het daar weggehaald en hier opnieuw opgesteld, zodat ze het veel interessantere heiligdom konden opgraven. Dat hebben ze daarna ook verplaatst om opgraving van de L-vormige tempel mogelijk te maken.
Het is er twee weken niet van gekomen, maar meestal gebruik ik de zondag voor een stukje over het Nieuwe Testament. Ik probeer dat te lezen vanuit zijn joodse context. Niet dat ik iets tegen het hedendaagse christendom heb, maar ik ben historicus en wil de oude teksten lezen als onderdeel van toenmalige discussies, verwijzend naar toenmalige situaties en als deel van de toenmalige ideeënwereld. Als iemand voor 2022 inspiratie aan de Bijbel wil ontlenen, prima, maar als historicus ga ik daar niet over.
Dat gezegd zijnde: het is natuurlijk niet zo dat de Grote Historische Waarheid zich openbaart zo snel je een tekst leest of een vondst bekijkt. De schaarse oudheidkundige data veronderstellen interpretatie en daarbij doet je perspectief ertoe. De perfecte formulering van mijn perspectief vond ik onlangs in de titel van een boek: The Judaisms of Jesus’ Followers (2017). Ik wou dat ik die formulering zelf had bedacht, maar de Amerikaanse rabbijn Juan Marcos Bejarano Gutierrez was me voor. Het boek is wat klungelig uitgegeven maar biedt een prima geschiedenis van de volgelingen van Jezus die de Wet van Mozes bleven onderhouden.
[Dit is het slot van een zesdelige reeks over de geschiedenis van de voornaamste stad van het antieke Sicilië, Syracuse. Het eerste stukje was hier en een landkaartje is daar.]
Verres
Een van de beruchtste uitzuigers was een gouverneur genaamd Gaius Cornelius Verres. Hij had de provincie nog meedogenlozer belast dan zijn voorgangers. In de zomer van 70 v.Chr. riepen de Sicilianen de hulp in van een onbekende advocaat, een zekere Marcus Tullius Cicero. Verres nam de beste advocaat van zijn tijd in de arm, Quintus Hortensius Hortalus. Een juridisch gevecht begon.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.