Ptolemaios III Euergetes in Babylon

Ptolemaios III Euergetes (Hessisches Landesmuseum, Kassel)

Oudheidkunde is de wetenschap van de dataschaarste. De meeste informatie uit de Oudheid is immers verloren. Aan de hand van een biologische parallel waarover ik het nog eens hebben zal, kunnen we vaststellen dat ongeveer 5% van alle antieke teksten over is. Je kunt de situatie dus vergelijken met vijf puzzelstukjes van een puzzel van honderd stukjes. En wat is het dus geweldig als er een zesde stukje blijkt te zijn. Daarom zijn bronpublicaties zo belangrijk: inscripties, papyri, kleitabletten. Waarbij ik meteen aanteken dat de publicatie van teksten (of archeologische vondsten) op zichzelf vanzelfsprekend geen wetenschap is; dataverwerving is geen wetenschap maar slechts een voorwaarde voor wetenschap.

Bronnenuitgave

Tot het materiaal dat de afgelopen kwart eeuw is ontsloten, behoren enkele Babylonische kronieken uit de hellenistische periode. Ik noemde de publicatie al eens eerder, ruim twee maanden geleden: Babylonian Chronographic Texts from the Hellenistic Period van de Nederlandse oudheidkundige Bert van der Spek (met een heel team van coauteurs, medewerkers en anderen). Het gaat om tweeëntwintig teksten met beschrijvingen van de gebeurtenissen die voor de stad Babylon belangrijk waren; alles bij elkaar ruim 160 bladzijden met de Babylonische tekst, een Engelse vertaling en commentaar. Daarnaast zo’n 850 pagina’s met de Astronomische Dagboeken die de basis vormen voor de in de kronieken samengevatte informatie. Het boek is zo zwaar als een baksteen.

Lees verder “Ptolemaios III Euergetes in Babylon”

De omtrek van de aarde: Eratosthenes

De omtrek van de aarde volgens Eratosthenes

In mijn vorige blogje vertelde ik dat Dionysodoros van Melos de straal van de aarde schatte op 42.000 stadiën, wat betekent dat de omtrek 264.000 stadiën was. Als hij als lengtemaat een Olympische stadion heeft gebruikt, zou dat neerkomen op 50.688 kilometer. De anonieme bron van de Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere, corrigeerde het tot 252.000 stadiën, wat deze anonymus baseerde op de wetenschappelijke berekening door Eratosthenes van Kyrene (273-194 v.Chr.). Hij is een van de grootste geleerden uit de Oudheid en werkte in Alexandrië. Ik geef het woord opnieuw aan Plinius:

Door Eratosthenes, een man die in de finesses van alle wetenschappen en in elk geval op dit gebied boven alle anderen uitsteekt in scherpzinnigheid, en met wiens visie, naar ik zie, de geleerden ook algemeen instemmen, is de omtrek van de gehele aardbol gesteld op 252.000 stadiën. … Een brutaal waagstuk, maar steunend op een zo ingenieuze argumentatie dat ik me zou schamen er geen geloof aan te hechten.noot Plinius de Oudere, Natuurlijke historie 2.247; vert. Van Gelder e.a..

Lees verder “De omtrek van de aarde: Eratosthenes”

Titus Livius (3): inhoud

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Derde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

De Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad van Titus Livius was een zeer, zeer ambitieus werk. In totaal verschenen niet minder dan 142 boekrollen. De lengte van zo’n rol kwam overeen met pakweg vijfenzestig bladzijden in een modern pocketboek. De totale lengte van Livius’ geschiedwerk bedroeg dus een slordige 9.250 pagina’s ofwel eenendertig pocketboeken. Hij schreef dit alles in ongeveer vijfenveertig jaar, wat betekent dat hij elk jaar ruim drie rollen of 205 pagina’s publiceerde. Ook met een tekstverwerker is dat alleszins respectabel.

Er zijn twee gevolgen. Eén: dit werk was te groot om volledig tot ons te komen. We hebben alleen nog de boeken 1-10 en 21-45.  Misschien duikt nog eens iets op in de Egyptische woestijn of bij de papyri uit Herculaneum, waar inmiddels een boekrol is geïdentificeerd van een jongere Romeinse geschiedschrijver. Twee: het is duidelijk dat Titus Livius gebruik moest maken van eerdere geschiedwerken en zelden de mogelijkheid had tot archiefonderzoek. Dat had gevolgen, waarover we het nog zullen hebben.

Lees verder “Titus Livius (3): inhoud”

Hoe schreven ze de Bijbel?

Ooit probeerde ik Ivanhoe te lezen. Al na een paar bladzijden ben ik gestopt, omdat de eindeloze beschrijvingen me tegenstonden. Walter Scott vermeldt zelfs de opening van de hals van een kledingstuk. Zulke ultragedetailleerde beschrijvingen laten te weinig over aan mijn verbeelding om me te boeien. De kale verhalen van de Bijbel liggen mij beter: er staat geen woord te veel in, zodat je je fantasie erop los kunt laten.

Dat betekent ook dat nogal wat onuitgelegd blijft. Een beroemd voorbeeld is Daniëls visioen van het Laatste Oordeel.noot Daniël 7. Hij heeft in zijn droomgezicht allerlei monsters uit de zee zien komen, en vervolgens staat er, zonder overbrugging, ineens laconiek “Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam.” Waarom die oude wijze meer dan één zetel nodig heeft, blijft onduidelijk en daarover is dan ook nogal wat rabbijnse discussie geweest. De auteur van Daniël lokt gedachtewisseling uit.

Lees verder “Hoe schreven ze de Bijbel?”

Onthoofde vijanden uit Le Cailar

Weergave van onthoofde vijanden uit Le Cailar (Musée de la romanité, Nîmes)

Het is al bijna een week juni, en u vraagt zich af of er deze maand wel ergens een oudheidkundig instituut wordt bedreigd. En jawel. Er zal nog wel een machteloze petitie komen. Ik ga binnenkort maar eens een pagina maar maken waar al die sluitingen bij elkaar staan.

***

Ter zake nu. Zoals iedereen weet verzamelde de Gallische krijger Obelix, tevens de bekendste menhirhouwer van zijn eeuw, na afloop van een gevecht de helmen van zijn verslagen Romeinse tegenstanders. En zoals iedereen eveneens weet, zijn de avonturen van Asterix de Galliër bedoeld om mensen aan het lachen te krijgen – en dus geen accurate weergave van het Keltische leven in de eerste eeuw v.Chr. Was het stripverhaal dat wel, dan zouden Uderzo en Goscinny hebben getoond dat zegevierende Galliërs niet de helmen van de verslagenen verzamelden, maar de hoofden.

Lees verder “Onthoofde vijanden uit Le Cailar”

Venusval

De Venus van Milo (Louvre, Parijs)

Edgar Allan Poe bedacht de detectiveroman, Dan Brown verzon de thriller met de pseudo-onthulling en Ruurd Halbertsma is (voor zover mijn belezenheid reikt) de ontwerper van een vooralsnog naamloos genre op de grens van thriller en historische roman. Halbertsma combineert in zijn romans de avonturen van de eenentwintigste-eeuwer Tjalling Kingma in de wereld van illegale oudheden en politieke intrige, met de wederwaardigheden van vrijwel vergeten geleerden uit de vroege negentiende eeuw in hun wereld van illegale oudheden en politieke intrige. En waar de hedendaagse gebeurtenissen pure fantasie zijn, zijn de beschrijvingen van het leven van een Jean-Emile Humbert, van een Caspar Reuvens en van een Bernard Rottiers feitelijk correct. Ik ken geen andere boeken die verleden feiten en hedendaagse fictie zo combineren, maar ik heb vanzelfsprekend niet alles gelezen.

Ik schreef dat de hedendaagse gebeurtenissen pure fantasie zijn, maar dat is niet helemaal waar. In Venusval besluit Frankrijk de Venus van Milo terug te geven aan Griekenland, zoals het land werkelijk deed met de Benin-bronzen. We lezen over een premier in Groot-Brittannië die een sterke gelijkenis vertoont met Boris Johnson. De directrice van het museum in Paestum maakt een compliment aan het Rijksmuseum van Oudheden voor het organiseren van een expositie over Paestum. En laatstgenoemd museum wordt in Venusval in opspraak gebracht door activisten – in de roman Turken, in werkelijkheid Egyptenaren – die een voorspelbaar nationalistisch relletje voorspelbaar opstoken.

Lees verder “Venusval”

De antieke watermolen

Reconstructie van een door een watermolen aangedreven zaagmachine (Schloss Schallaburg)

Het is wel eens beschouwd als een van de grootste historische canards: het idee dat de watermolen pas in de Middeleeuwen zou zijn uitgevonden. Het bewijs dat ze al in de Oudheid watermolens kenden, is echter overstelpend. Waar en hoe ze precies zijn uitgevonden is niet helemaal duidelijk, maar we weten wel het een en ander.

Je hebt namelijk twee dingen nodig: waterraden om een as te laten draaien en tandwielen om die rotatie om te zetten in de beweging van bijvoorbeeld een zaag. De herkomst van het tandwiel ken ik niet, maar om een waterrad te bedenken, heb je een flinke rivier nodig met een gestage stroom. Daarmee kom je eigenlijk automatisch uit bij de Eufraat, Tigris en Nijl.

Lees verder “De antieke watermolen”

Romeins Lyon

Het altaar van de drie Gallische provincies in Lyon (Thermenmuseum, Heerlen)

Ik ben gisteravond aangekomen in Lyon. Een oude stad, met een voor-Romeins verleden. Er zijn hier twee Keltische nederzettingen geïdentificeerd, waarschijnlijk bewoond door de stam van de Segusiavi; ze gaan terug op de vroege La Tène-tijd, zeg maar 450 v.Chr. De ene nederzetting was een oppidum, een heuvelfort, op de westelijke oever van de Saône; deze locatie staat bekend als Fourvière. De andere nederzetting lag op de landtong tussen de Saône en de Rhône. Deze vroege stad heette mogelijk Lugudunon (“heuvel van Lugus”). Die naam is in elk geval aangetroffen op een munt uit 42 v.Chr. Het moge duidelijk zijn dat de Latijnse naam Lugdunum daarvan is afgeleid.

Het vroege Lyon lag dus aan de samenvloeiing van twee belangrijke rivieren. De Saône verbond de regio met de Moezel en de Rijn, en de Rhône leidde in de richting van de Boven-Donau. We kunnen ons het vroege Lyon voorstellen als een handelscentrum. Dat wordt bevestigd door de aanwezigheid van Italische amforen en Grieks aardewerk.

Lees verder “Romeins Lyon”

Een Thracische huurling in Numidië

Grafstèle van een Thracische huurling (Archeologisch museum, Constantine)

Onderzoek in wat destijds bekendstond als de Franse departementen Oran, Algiers en Constantine, midden twintigste eeuw. In 1929 publiceerde Stéphane Gsell het eerste deel van Inscriptions latines de l’Algérie, dat alleen nog maar het oostelijkste deel van het oostelijkste departement bevatte. Hoe lastig de productie van dit boek was verlopen, blijkt wel uit het feit dat het officiële jaar van publicatie 1922 was: het boek heeft zeven jaar op de plank gelegen. Deel twee, dat de westelijke helft van het departement besloeg, verscheen in 1957. Het overlijden van Gsell, de Tweede Wereldoorlog en de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog hadden nogal wat problemen veroorzaakt, om het eufemistisch uit te drukken.

Dat bemoeilijkte ook vervolgonderzoek. Sommige inscripties vragen nog altijd om nadere inspectie, zoals de bovenstaande stèle, die we alleen kennen uit het deel uit 1957, alsmede een notitie van Jeanne Robert-Vanseveren en Louis Robert, de twee grootste epigrafen (inscriptiekenners) van de moderne tijd. De stèle is afkomstig uit het El-Hofra-heiligdom te Constantine, waarover ik al eens eerder blogde. Ze dateert uit de tweede eeuw v.Chr. De Roberts voegden aan de tekst van de inscriptie toe dat op de vindplaats ook diverse wijdingen waren gevonden aan de god Baäl-Hammon en aan de godin Tanit in haar rol van “aangezicht van Baäl”.

Lees verder “Een Thracische huurling in Numidië”

Prehistorisch China

Laat-Neolithisch aardewerk uit China (Musée Guimet, Parijs)

Deze blog gaat over de antieke wereld, dus de periode tussen pak ’m beet 3000 v.Chr. en 650 na Chr. De chronologische afbakening is simpel: daarvóór hebben we vooral archeologische bewijsmateriaal, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om te komen tot werkelijke geschiedschrijving. In de westelijke periferie ligt de einddatum iets later, maar voor het economisch, stedelijk en cultureel zwaartepunt van de antieke wereld, het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, vormt het jaar 650 een mooi eindpunt.

De geografische grens is minder scherp. Daarom besteed ik ook regelmatig aandacht aan de Sao– en de Nok-culturen in subsaharaal Afrika en aan de culturen van Centraal-Eurazië. De Zijderoute is een fijn thema. Zo af en toe komt dus China in beeld, zoals bij de Romeinse beschrijving van het Zijdeland en de Chinese beschrijving van de staat Dà Qín, maar ik heb nooit een echt blogje gewijd aan het Verre Oosten. Een poging dus, met een kritische paragraaf aan het einde.

Lees verder “Prehistorisch China”