Celtic Fields

Celtic Fields bij Wekerom (foto Jan van Uffelen)

De naam “Celtic Field” is een eeuw geleden bedacht door Britse archeologen en is eigenlijk een beetje misleidend. Het begrip suggereert immers dat deze akkers door de Kelten zouden zijn gebruikt. In feit zijn ze veel ouder en jonger: zo oud als de Vroege Bronstijd (ca. 1800 v.Chr.) en zo jong als de Vroege Middeleeuwen (ca. 650 na Chr.). Bovendien vinden we Celtic Fields bijna altijd buiten het gebied van de La Tène-cultuur: in België, Denemarken, Engeland, Duitsland, Nederland, Polen, en Zweden. Anders gezegd, in heel Noordwest-Europa maar zelden op een plek waar ze Keltisch spraken. Misschien is het halfvergeten Nederlandse woord “raatakker” beter.

Het gaat om kleine, vierkante of rechthoekige akkers. Een typisch voorbeeld meet ongeveer 35×35 meter, hoewel ze ook iets kleiner (30×30 meter) of iets groter (50×50 meter) kunnen zijn. De grootte doet vermoeden dat elke akker door één familie of misschien zelfs door één individu kon worden bewerkt.

Lees verder “Celtic Fields”

Ugarit

Ugarit, Ontvangsthal van het Koninklijk Paleis

Het is tijd om het over Ugarit te gaan hebben, maar eerst wat context. Als De Blois en Van der Spek in het handboek waarover ik regelmatig schrijf, Een kennismaking met de oude wereld, de Late Bronstijd bereiken, typeren ze die periode mooi als een “concert der mogendheden”. Dat is normaliter de aanduiding voor de supermachten van de negentiende eeuw: Pruisen/Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannië.

Uiteraard bestonden congresdiplomatie en theorieën over machtsevenwicht in de Oudheid niet. Ze zijn althans niet gedocumenteerd. Toch valt zoiets zinvol te projecteren op de situatie in de Late Bronstijd. Toen adresseerden de vorsten van Egypte, de Hittieten, Babylonië en Mitanni elkaar als “mijn broer” en beschouwden ze elkaar als gelijkwaardig, minimaal in theorie. Een brief van de koning van Mitanni aan een spuit-elf als de koning van Ahhiyawa, door de klerk per ongeluk begonnen met “mijn broer”, werd onverwijld verbeterd en voorzien van de juiste, lagere aanhef.

Lees verder “Ugarit”

Hypothese en hulphypothese

Gezichtsmasker van een Romeinse helm, gevonden te Kalkriese

Niet ver ten noorden van Osnabrück ligt het dorpje Engter met daarnaast een plek die Kalkriese heet. Archeologen hebben daar een enorme hoeveelheid Romeinse militaria aangetroffen, gelegen tussen een moeras en de resten van een aarden wal op een heuvel. Wie op een landkaart van oost naar west kijkt, ziet de vondsten in een soort rechte lijn liggen tot hij aankomt bij het smalle stuk tussen wal en moeras. Daarvandaan waaieren de vondsten in twee richtingen uit: naar het noordwesten en naar het zuidwesten.

Engte

Al jaren wordt deze plek geassocieerd met de Slag in het Teutoburgerwoud in het najaar van 9 na Chr. De Romeinen kwamen uit het oosten, moesten hier langs het moeras en werden vanachter de wal bestookt door Germaanse krijgers. De legertros viel uiteen: een groep ging naar het noordwesten, de andere naar het zuidwesten. De vondsten duiden op de aanwezigheid van voetvolk, ruiters, administratief personeel en vrouwen. De naam “Engter” is een letterlijke vertaling van het eerste woord van Saltus Teutoburgiensis, want saltus betekent niet alleen “woud” maar ook “weide”, “pas” of (in dit geval) “engte”. Het Teutoburgerwoud is dus geen woud en stuifmeelonderzoek heeft bevestigd dat er weinig bosvegetatie was.

Lees verder “Hypothese en hulphypothese”

Doggerland

Een 50.000 jaar oude vuistbijl, gevonden op de Maasvlakte. Het voorwerp is gemaakt van Wommersomkwartsiet, gewonnen in Vlaams Brabant, 175 kilometer verderop. Het illustreert hoe mobiel Neanderthalers waren.

Nederland heeft geen archeologiemuseum. Net als Vlaanderen overigens, dat in Brugge tot voor kort wel zo’n museum had. Onze musea tonen vooral voorwerpen, waarmee ze een verhaal over het verleden vertellen. Dat is ook goed. Het verleden is immers belangrijk. Maar ik zou willen dat ergens ook naar behoren werd uitgelegd wat archeologie is. Gelukkig is er nu de expositie over Doggerland in het Rijksmuseum van Oudheden. Het sterke is dat deze niet alleen gaat over de Steentijd van een gebied dat nu ligt op de bodem van de Noordzee, maar dat ze ook vertelt hoe en waardoor we weten wat weten.

De naam “Doggerland” is daarbij ietwat misleidend, want die term verwijst naar de Doggersbank, de ondiepte halverwege Nederland en Engeland. De expositie gaat echter over een wat groter gebied. Veel vondsten zijn vlak onder de Nederlandse kust gedaan. De paleolithische voorwerpen komen bijvoorbeeld van de stranden van de Zeeuwse archipel en de Waddeneilanden, terwijl flink wat mesolitische vondsten zijn gedaan op de Maasvlakte. Lees verder “Doggerland”

De Amorieten

De Amoritische stadspoort van Ebla

“Aan het begin van het tweede millennium”, zo schrijven Luuk de Blois en Bert van der Spek in hun handboek Een kennismaking met de oude wereld, “kwamen in Mesopotamië twee staten tot ontwikkeling die de volgende vijftienhonderd jaar een hoofdrol zouden blijven spelen, namelijk Assyrië en Babylonië.” Over deze staatsvorming (of beter: staats-her-vorming, want er waren al staten) zeggen ze ook dat de Amorieten een rol speelden, een volk van herders dat al eerder vanuit het westen was gekomen.

Nomadische volken komen en gaan in de geschiedenis. Zo’n stamsamenleving clustert rond een leider, blijft bij elkaar, verplaatst zich, valt weer uit elkaar, herclustert. Soms kan de naam eeuwenlang bestaan terwijl de samenstelling van de groep volledig is veranderd. Dat lijkt hier ook het geval te zijn geweest. Voor de klerken van Sumer, Akkad en de Syrische stad Ebla waren de Amorieten oude bekenden; in Mesopotamië was hun naam vrijwel synoniem voor westerling.

Lees verder “De Amorieten”

Roofkunst

Ruurd Halbertsma is conservator in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik vermoed – en hieruit mag u afleiden dat ik hem ken – dat zijn hart ligt bij de Griekse collectie, maar ook over Nederland in de Romeinse tijd weet hij van de hoed en de rand. Bij de expositie over Karthago in 2014 vertelde hij enthousiast over de ontdekking van de aloude stad door Jean-Emile Humbert (1771-1839), een Nederlandse ingenieur die voor de bey van Tunis de stadsmuur verbeterde, enkele forten bouwde, de zoetwatervoorziening regelde en de haven bij Karthago aanlegde. Hoewel Tunis in de negentiende eeuw vooral een Franse stad werd, bevolkt door Italiaanse migranten, is de blauwdruk getekend door een Nederlander.

Jean-Emile Humbert

Of beter: een Hollander. Humbert is geboren in Den Haag, voelde zich na de val van de Oranjes niet thuis in de Bataafse Republiek, trad in dienst van de bey en keerde pas na de Restauratie terug naar het nieuwe koninkrijk Nederland. Daar deed hij zijn vondsten over aan Caspar Reuvens, zodat ze nog altijd in het Rijksmuseum van Oudheden zijn. Hier vindt u een wel heel summiere pagina over museumstuk H1; de H staat voor de naam van de ontdekker. Het was een van de eerste Punische voorwerpen in een West-Europees museum. Humbert identificeerde ook de voornaamste plaatsen in Karthago, zoals de havens, het waterreservoir en de Byrsa. Fascinerend figuur dus, die vroege archeoloog, en daarom een van de personages in Halbertsma’s debuutroman Roofkunst.

[Hierna komen enkele spoilers]

Lees verder “Roofkunst”

Gustaf Kossinna (2)

Hallstatt-voorwerpen uit de Elzas (Palais Rhodan, Straatsburg)

Gustaf Kossinna, over wie ik zojuist al blogde, zou tegenwoordig gelden als een van de grootste archeologen aller tijden, als zijn opvattingen verder hadden gestaan van die van de Nazi’s. Het was in zijn tijd gebruikelijk aan te nemen dat niet alleen de Germanen, maar ook de sprekers van de Proto-Indo-Europese taalfamilie afkomstig waren van de Noord-Duitse Laagvlakte. De Germanen stonden daarom het dichtst bij de oorsprong en bezaten daardoor een etnische zuiverheid die elders afwezig was. Zo was Brittannië door invasies van allerlei volken (Belgen, Romeinen, Vikingen, Normandiërs) verworden tot een etnische smeltkroes, terwijl in Gallië Keltische, Romaanse en Germaanse elementen samenkwamen. De Germanen waren daarentegen raszuiver gebleven. Dacht men.

Nobele Germaanse wilden

Hun raszuiverheid maakte – nog steeds volgens Kossinna – de Germanen biologisch superieur. Bovendien hadden ze een superieure taal, die hen in staat stelde creatiever te zijn dan andere volken: een eigenschap die tot dan toe meestal was toegeschreven aan de Grieken. Wie met de nobele Germaanse barbaren contact maakte, meende Kossinna, raakte daardoor verrijkt.

Lees verder “Gustaf Kossinna (2)”

Gustaf Kossinna (1)

Kossinna

In de dagen van Schliemann en zijn jongere tijdgenoot Montelius zou niemand de grens tussen klassieke en prehistorische archeologie hebben kunnen trekken. Er was nog zo veel onbekend, de methoden waren nog nieuw en in feite bestond de archeologie als wetenschap nog niet. Er waren hooguit wat aanzetten daartoe. Geleidelijk aan kozen sommige onderzoekers voor samenwerking met de classici en de oudhistorici; zij gingen hun materiaal presenteren op een gevaarloze wijze, ermee tevreden een hulpwetenschap te zijn waar classici iets aan hadden. Ik blogde er al over.

Er waren er die zich verzetten tegen het huns inziens overdreven belang dat werd gehecht aan Griekenland en Rome. Eén zo’n criticus was de Duitser Gustaf Kossinna (1858-1931), die meende dat de originaliteit van Griekenland en het oude Nabije Oosten systematisch werd overschat. Het werd tijd, vond hij, om de noordelijke volken de plaats te geven die ze verdienden. Daarom stichtte hij in 1909 te Berlijn het Deutsches Institut für Vor- und Frühgeschichte, dat niet veel later werd omgedoopt tot Institut für Deutsche Vor- und Frühgeschichte. Al voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren in Frankrijk en Engeland vergelijkbare instituten voor de nationale archeologie opgericht.

Lees verder “Gustaf Kossinna (1)”

Mitanni

Hurritische brief, gevonden in Tell Brak (Syrië; Museum van Deir ez-Zor)

In mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, laten we de Midden-Bronstijd achter ons en gaan we naar Mitanni. Als ooit het cliché “vergeten koninkrijk” van stal mocht worden gehaald, dan wel bij dit rijk. Het is in feite weinig meer dan een naam, een handvol archeologische resten en wat linguïstische hypothesen. Maar goed. We kunnen altijd de verschillende soorten informatie combineren en wanneer die elkaar bevestigen, kunnen we er misschien op vertrouwen niet ver van de historische waarheid te zijn.

Eerst maar dit: het is zo goed als zeker dat het centrum van Mittanni ergens aan de bovenloop van de rivier de Khabur lag, dus in het land tussen de Eufraat en de Tigris. De hoofdstad Waššukanni en de belangrijke steden Kahat en Taide zijn nog niet geïdentificeerd, maar het is redelijk zeker dat ze ergens in het zuidoosten van Turkije of het oosten van het huidige Syrië moeten liggen.

Lees verder “Mitanni”

We kunnen de geesteswetenschappen niet langer redden (en dat is ook uw probleem)

Matilo

Een paar dagen geleden blogde ik over de bedreiging van de oudheidkundige departementen in Sheffield en Halle-Wittenberg. Het gaat nu snel met de sloop van de oudheidkunde, want hier is de volgende: het klassiek instituut van de Howard-universiteit in Washington. De onvermijdelijke petitie vindt u daar.

Ik ben te kwaad om een fijn stukje te schrijven.

Ik heb geprobeerd in een blogje voor deze maandag onder woorden te brengen wat er fout gaat. Dat is dat veel geesteswetenschappers hun inzichten niet professioneel delen. Om het bij de dit keer bedreigde classici te houden: de DNA-revolutie biedt hun een enorme verrijking, ze hebben als vakgebied goud in handen – en ze zwijgen daarover. Onuitgelegd maakt onbekend maakt onbemind maakt kwetsbaar. De problemen zijn dus selbstverschuldet. Maar dat vertelde ik al.

Lees verder “We kunnen de geesteswetenschappen niet langer redden (en dat is ook uw probleem)”