Het ontstaan van het Kalifaat (2)

De moskee in Damascus, de eerste hoofdstad van het Kalifaat van de Umayyaden.

In het vorige blogje noemde ik enkele complicaties bij het traditionele beeld van het ontstaan van het Kalifaat. Hier zijn er nog een paar.

Monotheïsmes

Om te beginnen Mohammeds Arabische monotheïsme. Dat hij zich richtte tot mensen die Arabisch spraken, staat als een paal boven water. Maar hij was niet de eerste Arabische monotheïst. De meeste in het Arabisch gestelde religieuze inscripties uit de Late Oudheid zijn monotheïstisch. De belangrijkste auteur over het leven van de profeet, Ibn Ishaq, vermeldt al monotheïsten die vóór Mohammed actief waren in Mekka. Een in 2019 door Ahmad al-Jallad geïdentificeerde inscriptie uit Jemen bewijst dat de god van Mekka, Allah, en de al eerder vereerde enige hemelgod Rahman, al vóór Mohammed waren “gefuseerd” tot één godheid, en dat ook de formule “In de naam van Allah, de barmhartige, de genadevolle” op dat moment al bestond.

Lees verder “Het ontstaan van het Kalifaat (2)”

De joodse Diaspora (2)

Joods grafschrift uit Rome (Museo nazionale delle terme, Rome)

In het vorige stukje noemde ik de plaatsen waar aan het begin van de jaartelling Joden leefden. Dat was eigenlijk in de hele antieke wereld.

Variatie

Het gaat om groepen wier interne autonomie door het Romeinse Recht werd erkend, wat ook logisch was, want men kon alleen leven naar de eigen regels als de rest van de stedelijke gemeenschap daar een beetje rekening mee hield. Flavius Josephus biedt een opsomming van de rechten die Julius Caesar in een dozijn steden verleende aan de Joodse minderheden.

Ik gebruik tot nu toe de hoofdletter J, want tot nu toe ging het nauwelijks om religie. Maar de verspreiding van het volk betekende wel dat variatie ontstond in de joodse godsdienstige gebruiken en ideeën. Er waren allerlei afwijkingen van wat in het moederland gangbaar was. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat Diaspora-Joden tijdens de sabbat vastten, wat mogelijk een manier was om in een overwegend niet-Joodse omgeving de spijswetten en sabbatsrust enigszins in acht te nemen. Later zou men in Rome het paaslam slachten zoals men dat in Jeruzalem had gedaan toen de tempel er nog stond, hoewel deze gewoonte in Judea was afgeschaft.

Lees verder “De joodse Diaspora (2)”

De joodse Diaspora (1)

De synagoge van Sardes, een belangrijk centrum in de Diaspora

Binnenkort is het Pinksteren en ongetwijfeld zal in de kerken een beroemde passage worden voorgelezen uit de Handelingen van de Apostelen. Context: het is de tijd van het Wekenfeest (Sjavoeot) en de Heilige Geest daalt in Jeruzalem neer op Jezus’ leerlingen, die voortaan in alle talen van de wereld kunnen spreken – een omgekeerd Babel. De omstanders zijn verbaasd:

“Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? Parthen, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, mensen uit Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Kyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.”noot Handelingen 2.7-11; NBV21.

Lees verder “De joodse Diaspora (1)”

Het einde van de Oudheid

Toen Romulus Augustulus in 476 werd afgezet, was Julius Nepos nog steeds de officiële keizer van het West-Romeinse Rijk (Bodemuseum, Berlijn)

Het handboek van Luuk de Blois en Bert van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, eindigt met een beschouwing over het einde van de Oudheid. Die begint met de opmerking dat het een onmogelijke taak is het einde van het behandelde tijdperk te markeren. Elke periodisering, zo schrijven de auteurs, heeft immers iets onnatuurlijks. Ze geven ook aan dat het jaartal 500 na Chr. alleen maar de gewoonlijke keuze is, en behandelen dan diverse mogelijkheden.

Politiek en religie

Wie kijkt naar de politiek, kan kiezen voor het einde van het Romeinse Rijk, maar dan deugt 500 niet. In plaats daarvan zou je 1453 moeten kiezen, als Mehmet de Veroveraar de laatste Romeinse hoofdstad Constantinopel inneemt. Het einde van het West-Romeinse Rijk in 476 is ook al een rare keuze, schrijven de auteurs, want feitelijk stelde dat politiek al een tijdje niet meer zo veel voor, terwijl de ideologie van de ene wereldheerser nog bleef bestaan. Dus wat wilde het afzetten van Romulus Augustulus zeggen? De Arabische veroveringen in de zevende eeuw vormden volgens de schrijvers wél een belangrijke politieke breuk. Ze geven althans geen redenen waarom het belang van dit proces genuanceerd zou moeten worden. Ik denk: terecht.

Lees verder “Het einde van de Oudheid”

De Langobardische Cyclus (4): De archeologie

Langobardische fibula (Musée d’archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

[Dit is het laatste blogje Dieter Verhofstadt over de Langobardische cyclus. Het eerste was hier.]

In 2005 en 2007 werden opgravingen verricht in een begraafplaats uit de zesde eeuw in het Hongaarse Szólád. Het is een van een veertigtal bekende begraafplaatsen met zo’n 2000 individuen uit de tijd van de Langobarden. In Szólád werden vijfenveertig skeletten opgegraven en onderworpen aan moleculair genetische en isotopische analyses. De conclusie van het rapport is dat de plek slechts korte tijd is bewoond door een gemeenschap die mogelijk in Pannonië immigreerde is en er weer vertrok in het bestek van twee tot drie generaties.

In 2019 verscheen in Nature een “genetische studie van de migratie in de Langobardische periode”. Ze combineert zevenentachtig mitochondriale reeksen uit negen graven verspreid over Tsjechië, Hongarije en Italië. Ze vergelijkt genetisch materiaal uit graven met Langobardische kenmerken en uit graven waarin dergelijke kenmerken ontbreken, en die de datering van de eerste enigszins voorafgaan. Het doel van de studie is een bijdrage te leveren aan de voornaamste discussie over het bekende archeologische materiaal, namelijk de gelijkenis in de grafcultuur van het vijfde-eeuwse Pannonië en het zesde-eeuwse Noord-Italië. De discussie is of die gelijkenis wijst op migratie of op overdracht van cultuur tussen gemeenschappen die met mekaar in contact stonden.

Lees verder “De Langobardische Cyclus (4): De archeologie”

De Langobardische Cyclus (3): Alboin

Een strijdscène uit een Langobardisch graf (Römisch-Germanisches Zentralmuseum, Mainz)

[Dit is het derde van vier blogs van Dieter Verhofstadt over de Langobardische cyclus. Het eerste was hier.]

De legende van Alboin, opgenomen in de Langobardische Cyclus, is het meest “waarheidsgetrouwe” deel. Ze gaat dan ook niet terug op het Dresdener Heldenbuch of andere sagen. De voornaamste en eerder geschiedkundige bron hier is de Langobardische geschiedschrijver Paulus de Diaken. Voor zijn Historia Langobardorum putte hij uit de Origo gentis Langobardorum, het Liber Pontificalis (Boek der pausen), de verloren gegane geschriften van Secundus van Trente en de Annalen van Benevento. Hij verwerkte tevens teksten van Beda de Eerbiedwaardige, Gregorius van Tours en Isidorus van Sevilla.

De historische Alboin

De historische Alboin, zoals we die kennen via Paulus de Diaken, was inderdaad koning van de Langobarden, tussen 560 en 572. De Langobarden en hun buren, de Gepiden, bewoonden toentertijd de Pannonische vlakte: zeg maar westelijk Hongarije. Audoin, vader van Alboin, was in oorlog met Thurisind, koning der Gepiden. In de slag bij Asfeld (552) doodde Alboin een zoon van Thurisind, Turismod.noot Er is geen archeologische bevestiging van die veldslag. Asfeld zou niets anders dan “slagveld” betekenen. Men vermoedt dat de slag plaatsvond tussen de Donau en de Sava.

Lees verder “De Langobardische Cyclus (3): Alboin”

Justinianus

Justinianus (Louvre, Parijs)

Aan het einde van hun handboek Een kennismaking met de oude wereld bieden De Blois en Van der Spek een korte typering van de regering van keizer Justinianus:

Het Oost-Romeinse (= Byzantijnse) Rijk bleef gedurende de hele Middeleeuwen bestaan. In de zesde eeuw wist de Oost-Romeinse keizer Justinianus (r.527-565) Italië, Noord-Afrika en Zuid-Spanje te heroveren, maar al kort na zijn dood gingen Zuid-Spanje en Noord-Italië weer verloren.

Dit is onhandig geformuleerd. De argeloze lezer kan denken dat Justinianus, net als Trajanus, Marcus Aurelius of Septimius Severus zelf naar het front is gegaan. Hij bleef echter, met zijn keizerin Theodora, in Constantinopel en liet de oorlogvoering over aan zijn vertrouwde generaal Belisarius.

Lees verder “Justinianus”

Ta’abbata Sharran, rover en dichter

Spookachtig woestijnlandschap

Ta’abbata Sharran was een Arabische dichter die omstreeks 550, dus ruim vóór de islam, heeft geleefd. Hij behoorde tot de stam Fahm, maar hij hield het in het stamverband blijkbaar niet goed uit. Je had van die mensen; die verlieten óf zelf het stamverband, óf werden eruit gegooid en gingen in hun eentje verder. Soms vonden zij dan aansluiting bij soortgenoten en vormden een kleine bende van rovers (su‘lūk, mv. sa‘ālīk), die leefden van overvallen en rooftochten. Het waren helden en mannetjesputters, want zonder stamverband in een woest land te overleven is een bravourestuk. Anders dan onze moderne rovers waren zij vaak goede dichters; zo ook Ta’abbata Sharran.

Zijn naam betekent: ‘Hij heeft iets kwaads onder zijn arm gedragen’ en is dus geen naam, maar een bijnaam. In de ‘burgerlijke’ maatschappij van de stam heette hij Thābit ibn Djābir al-Fahmī, maar wie interesseert dat? Er zijn minstens drie anekdotes die vertellen hoe hij aan die bijnaam gekomen is:

Lees verder “Ta’abbata Sharran, rover en dichter”

Een Arabische Uriabrief

Decoratie uit Al-Hira (Archeologisch Museum van Basra)

Al-Mutalammis was een pre-islamitische Arabische dichter, die verkeerde aan het hof van de christelijke koning ‘Amr ibn Hind (r.554-569) in het Iraakse al-Hīra, even ten zuidoosten van Najaf. Ook zijn neef Tarafa ibn ‘Abd was daar. Dat was een veel belangrijkere dichter, die tot vandaag de dag beroemd is gebleven, terwijl Mutalammis maar een klein oeuvre had, dat ook nog voor een groot deel handelde over zijn traumatische ervaring met koning ‘Amr en de zogenoemde Mutalammisbrief (sahīfat al-Mutalammis).

Hofdichter

Hofdichters hadden indertijd de taak de koning en diens stam te bezingen in lofdichten en diens vijanden of andere minderwaardige personen of stammen uit te schelden in scheld- of smaadgedichten. Soms liep dat echter anders: wanneer een dichter bij voorbeeld slecht gehumeurd was, een kater had, zichzelf overschatte, in ongenade viel, of als de vorst erg treuzelde met het uitkeren van eregelden werd er ook wel eens een smaaddicht op de goedgunstige heer zelf gedicht. De dichters maakten royaal gebruik van hun vrijheid van meningsuiting en scholden dat het een aard had.

Lees verder “Een Arabische Uriabrief”

Gouden Vrouwen in Rhenen

Mijn laatste blogje in de Week van de Klassieken kan natuurlijk alleen maar gaan over de Late Oudheid. In het Engelse taalgebied is die periode (van pakweg Constantijn tot Karel) ook wel aangeduid geweest als “Dark Ages”, wat niet wilde zeggen dat het een deprimerende tijd was, maar dat onderzoekers beschikten over weinig geschreven bronnen. Lange tijd vormden die immers onze voornaamste bron van informatie.

Zo’n zwart gat trekt onderzoek aan. Dankzij formalistische analyses begrijpen we de weinige teksten beter, maar het is natuurlijk vooral de archeologie die ons verder helpt. Onderzoekers als Chris Wickham hebben de contouren geschetst van een tijdperk, “Late Antiquity”, dat door de bronnenschaarste weliswaar behoort tot de Oudheid, maar een heel eigen karakter heeft. Recente exposities waren “Gouden Middeleeuwen” in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden en “Crossroads” in het Amsterdamse Allard Piersonmuseum. Ze benadrukten de internationale contacten en de rijkdom van de elite. Voor de gewone man kunt u terecht bij Erve Eme in Zutphen.

Lees verder “Gouden Vrouwen in Rhenen”