Het Aramees: de eerste wereldtaal

Een papyrus uit Elefantine met een deel van de tekst van de Behistuninscriptie, vertaald in het Aramees (Neues Museum, Berlijn)

De oudste wereldtaal is het Aramees. Of eigenlijk is het niet één taal, maar een familie van talen. Het aardige is dat het Aramees al drie millennia te volgen is. Aanvankelijk was het de taal van – u raadt het al – de Arameeërs in Syrië, maar later was het de kanselarijtaal van het Perzische Rijk en toen dat ten onder was gegaan, bleef het Aramees in gebruik in het gehele Nabije Oosten. In het Romeinse Rijk en het Parthisch/Sasanidische Rijk ontstonden joodse, samaritaanse en mandese varianten.

En ook christelijke, trouwens, die nog altijd worden gesproken in een paar dorpen ten noorden van Damascus. Ik weet niet of dat nog steeds de situatie is want tijdens de Syrische Burgeroorlog is stevig geplunderd in die regio en ik sluit niet uit dat ook de bewoners het hard te verduren hebben gehad. Mogelijk is het Aramees sinds kort geen levende taal meer.

Lees verder “Het Aramees: de eerste wereldtaal”

De eerste wereldtaal

[Vandaag een gastbijdrage van mijn goede vriend Richard Kroes, die heel veel weet van oosterse talen en wiens blog u ook eens moet bekijken.]

Vanavond is de officiële presentatie van een boek dat ik stiekem al gelezen heb: De eerste wereldtaal, de geschiedenis van het Aramees van Holger Gzella, professor Hebreeuwse en Aramese Taal- en Letterkunde in Leiden, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Ik kreeg de proefdrukken toegestuurd en heb het boek direct verslonden. Aramees, dat kent u als de taal die Jezus sprak. Gzella krijgt regelmatig een vraag om uitspraken van de timmerman uit Nazareth in het Aramees. Voor een tatoeage.

Op dergelijke vragen gaat hij doorgaans niet in, want hoe Jezus zijn moerstaal sprak, daar weten we eigenlijk niet heel veel van. Het Aramees dat we kennen uit de periode waarin hij leefde, is de Aramese schrijftaal uit de Dode Zee-rollen, en dat sprak de gewone bevolking niet. Arameese spreektaal kennen we wel: het Palestijns Aramees, maar de bronnen daarvoor zijn van enkele eeuwen daarna. En dan weten we bovendien nog dat Jezus sprak met een Galilees accent, waar we helemáál niks over weten.

Lees verder “De eerste wereldtaal”

Onze Vader

nazareth_basilica_anunciation_caves
Jezus’ Aramese achtergrond in Galilea valt nauwelijks te illustreren, maar in zijn geboorteplaats Nazaret zijn de sporen gevonden van grotwoningen en van wat vermoedelijk een synagoge is geweest. Christelijke graffiti uit de Oudheid suggereren dat de plek destijds werd erkend als een van de locaties uit Jezus’ leven.

Grappig berichtje op de website van de NOS: de katholieken in Nederland en Vlaanderen zullen vanaf vandaag een nieuwe tekst gebruiken van het Onze Vader, het gebed dat Jezus van Nazaret aan zijn leerlingen leerde. Het wordt daarom ook weleens “het gebed des Heren” genoemd. Het Vaticaan hecht er, om het Vaticaan moverende redenen, aan dat er in één taalgebied maar één vertaling wordt gebruikt.

De tekst van het gebed is in twee versies overgeleverd, door de evangelisten Mattheüs en Lukas, die allebei schreven in het Grieks. Er moet een origineel aan ten grondslag liggen dat is opgesteld in het Aramees (een van de Joodse talen in de Oudheid). Omdat we twee iets verschillende versies hebben, staan we op redelijk stevige grond bij de reconstructie, temeer omdat er ook in de Oudheid al een hertaling van het Grieks naar het Aramees is gemaakt, de Peshitta. Hier is een reconstructie van de oertekst. Als u hardop voorleest, herkent u het rijm.

Lees verder “Onze Vader”

Manuscriptenjacht

Ik heb onlangs geblogd over het belang dat oude handschriften hebben voor oudheidkundigen: ze kunnen, door te kijken naar de schrijffouten in de manuscripten, vaststellen welke met elkaar verwant zijn, en zo een stamboom opstellen waarmee is vast te stellen hoe een verloren gegane tekst eruit moet hebben gezien. De alleroudste handschriften zijn niet per se de belangrijkste, maar ze hebben wel een voordeel. Boeken slijten immers en de inhoud moet daarom op gezette tijden worden gekopieerd, waarbij fouten kunnen worden gemaakt. Hoe kleiner het aantal keren dat de tekst is overgeschreven, hoe geringer de kans op fouten, en daarom is de ouderdom van een manuscript niet zonder belang.

Het Nieuwe Testament, geschreven in het Grieks, is overgeleverd in talloze manuscripten. Het inlegvel in de alweer wat oudere editie die ik hier thuis heb staan (voor de insiders: een Nestle-Aland 25), noemt alleen al voor de evangeliën drieënvijftig niet-elimineerbare handschriften, dat wil zeggen manuscripten die niet van een bekend ouder handschrift zijn overgeschreven. Ze worden alle aangeduid met codes, maar één ervan heeft een speciale aanduiding: א, de Hebreeuwse letter A. Dit is de Codex Sinaiticus, die in 1859 door Constantin von Tischendorf is ontdekt in het Katherinaklooster aan de voet van de berg Sinai.

Lees verder “Manuscriptenjacht”