Binnenkort verschijnt mijn boek over Filon van Byblos, een auteur uit de Romeinse tijd die in het Grieks schreef over de Feniciërs. Dat spel met identiteiten is leuk, en de door hem navertelde mythen werpen licht op allerlei interessante zaken. Dus ik denk dat het een boeiend boek is, al is het misschien iets voor fijnproevers. De relevante fragmenten zijn bovendien vertaald door Hein van Dolen, dus het is zeker leuk. U bestelt het boek hier.
Berossos
Maar ik wil het over Filon niet te lang hebben. Hij was namelijk niet de enige antieke auteur die “zijn” volk voorstelde aan het Griekstalige publiek. Flavius Josephus deed het voor de Joden en Manethon deed het voor de Egyptenaren. En Berossos deed het voor de Mesopotamiërs.
Ik beantwoord de hele week door vragen, en ik nodigde u onlangs uit om nog meer vragen te stellen. En zo komen we vandaag bij het lijstje oudejaarsvragen van 2024. Voilà, daar gaan we.
1. Weten we iets over verhalenvertellers in de antieke culturen?
Dat vind ik moeilijk te zeggen. Veel theorieën lijken te zijn gebaseerd op enerzijds goed gedocumenteerde middeleeuwse barden en troubadours, die zichzelf muzikaal begeleidden en informatie deelden, deels gesproken en deels gezongen. Homeros past ook in die profielschets. Aanvullende informatie komt uit de Indo-Europeanistiek – ik schreef er hier al iets over.
Omdat ik volgend voorjaar een reis naar Jordanië organiseer, leek het me aardig om iets te vertellen over de volken die daar vroeger woonden. Dat waren aanvankelijk de IJzertijdrijkjes van de Ammonieten, Moabieten en Edomieten, ruwweg even oud als Juda en Israël, aan de overzijde van de rivier de Jordaan. Hun woongebieden werden ingelijfd in de rijken van de Assyriërs, Babyloniërs en Perzen. Toen Alexander de Grote laatstgenoemden had onderworpen, kwam de regio in handen van hellenistische heersers; we lezen dan over de Nabateeërs. De Romeinen stichtten er een Dekapolis, een “tienstedenbond”, en uiteindelijk zien we dat de macht verschuift naar de Arabieren, die al voor de komst van de islam dominant zijn. Al die volken zijn al aan bod geweest of komen nog aan bod. Vandaag echter: de Edomieten.
Edom lag direct ten zuiden van de Dode Zee, aan weerszijden van de slenk die we de Araba noemen, de bijbelse Zoutvallei. De naam van het koninkrijk, Edom dus, betekent zoiets als “het rode land” en verwijst vermoedelijk naar de rossige kleuren van het Seir-gebergte. De naam is heel oud, want ze duikt al op in Egyptische teksten. Zo mochten tijdens de regering van koning Merenptah (r.1213-1203) “de Šasu-nomaden uit Edom” het koninkrijk van de Nijl betreden. Deze vermelding is interessant omdat ze bewijst dat er in de Late Bronstijd nomaden heen en weer trokken door de Sinaïwoestijn. Dat biedt een context voor de verhalen over de tocht van Mozes en de Hebreeën. Lees verder “De Edomieten”→
De Perzische satraap van Cilicië (Pergamonmuseum, Berlijn)
[Tweede van drie blogjes over Cilicië, het zuiden van het huidige Turkije; het eerste blogje las u hier.]
Een nieuw koninkrijk
In 612 v.Chr. veroverden de Babyloniërs en de Meden de Assyrische hoofdstad Nineveh. Hilakku, zoals Cilicië op dat moment nog heette, herwon meteen zijn onafhankelijkheid. Vanuit de hoofdstad Tarsos regeerde de Syennesis, zoals de vorst werd genoemd, over zowel het vlakke oosten als het bergachtige, rauwe westen en noorden. De titel van de heerser is de Griekse weergave van het Luwische suuannassaì, wat zoiets wil zeggen als “aan de hond gewijd”. Zoals u al vermoedde heeft het niet ontbroken aan speculaties over de betekenis.
De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos vermeldt de eerste ons bekende Syennesis. Die zou, samen met ene “Labynetos” uit Babylon (waarschijnlijk de latere koning Nabonidus), in 585 v.Chr. als neutrale bemiddelaar de onderhandelingen hebben geleid over een vredesverdrag tussen enerzijds koning Alyattes van Lydië en anderzijds Kyaxares, de leider van de Meden. (Misschien herinnert u zich mijn blogje, twee maanden geleden, over de vreemde veldslag tussen deze twee volken.) De vermelding van deze Syennesis bevestigt dat Cilicië rond 585 onafhankelijk was en niet behoorde tot het Babylonische Rijk van koning Nebukadnezar.
Wijding aan Elagabal uit Augsburg; de man die deze inscriptie liet maken, Gaius Julius Avitus Alexianus, was de grootvader van keizer Heliogabalus.
Elagabal zal voor menigeen een bekende onbekende zijn. Dankzij romans als Louis Couperus’ De berg van licht kunt u hem kennen als oosterse godheid. Verder is hij niet heel bekend. En hij laat zich ook slecht kennen, al staat vast dat het voornaamste heiligdom was in de Syrische stad Emesa, het huidige Homs. De oudste vermelding is een Palmyreense stèle uit de eerste eeuw na Chr., die een Aramese naam weergeeft die “god van de berg” zou betekenen. De berg in kwestie zal wel de citadel van Emesa zijn geweest.
Omdat Emesa in de eerste eeuw na Chr. een Arabischsprekende stad was, mogen we aannemen dat een god met een Aramese naam ouder is dan de Arabische aanwezigheid. Lange tijd golden de Arabieren inderdaad als immigranten, maar de afgelopen kwart eeuw is door de bestudering van tienduizenden inscripties duidelijk geworden dat ze al in de Vroege IJzertijd leefden in Syrië en Jordanië. Evengoed moet de verering van Elagabal oeroud zijn. Berggoden waren in Anatolië en de Levant al sinds de Hittitische Bronstijd bekend. Men beeldde zulke godheden vaak af met adelaars – net als Elagabal in de Romeinse tijd.
Het oudheidkundig wetenschappelijk proces bestaat, grosso modo, uit vier stappen. We beginnen met het verzamelen van data. Die worden in verband gebracht met andere data en zo veranderen ze in informatie. Dan volgt een eerste interpretatie, waarna we tot slot de grote synthese kunnen schrijven vanuit een vaak sociaalwetenschappelijk model. Dat is ook wat Cline doet. Bij het beschrijven van de tijd na de Zeevolken gebruikt hij resilience theory, ofwel inzichten over de veerkracht van een samenleving. Daarmee is hij de enige niet. Kyle Harper deed het in The Fate of Rome (2017).
Cline benut als leidraad het IPCC-rapport uit 2012, gewijd aan de wijze waarop de mensheid zich kan aanpassen aan veranderend klimaat. Daaraan ontleent hij een helder begrippenapparaat. De Assyriërs, Babyloniërs en Egyptenaren hadden het vermogen om tegenslagen te absorberen, wellicht doordat ze een stabiele agrarische sector hadden (Eufraat, Tigris, Nijl). Voor hun waren de problemen iets waarmee viel om te gaan. (Het onvertaalbare Engelse woord is coping.) De Neo-Hittieten pasten zich aan (adapting) en de Feniciërs en Cyprioten transformeerden zichzelf. De crisis van de een is de kans van de ander. En dat is een aanzienlijk genuanceerder beeld dan het eenzijdige “instorting”.
De Mykeense “warrior vase” uit de twaalfde eeuw; deze mensen zwierven als piraten uit (“Zeevolken”) (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)
In 2014 publiceerde de Amerikaanse archeoloog Eric Cline een boek over de instorting van het Bronstijdsysteem: 1177 BC. The Year Civilization Collapsed. De titel verwijst naar het jaar waarin farao Ramses III een groep migranten versloeg die oudheidkundigen sinds de negentiende eeuw aanduiden als Zeevolken. Als ik pedant constateer dat het jaartal vermoedelijk niet klopt, is dat om te illustreren dat we over deze periode heel veel niet weten. De dataschaarste die het centrale thema is van de geschiedtheorie, is nog groter dan anders voor de transitie van Bronstijd naar IJzertijd. Desalniettemin kon Cline in 1177 BC vertellen dat klimaatveranderingen, droogte, veranderingen in de economie en migratie een rol speelden, en ook hypercoherentie: de diverse delen van de Bronstijdwereld waren zó intensief met elkaar verbonden dat problemen in pakweg Griekenland gevolgen hadden in Kanaän.
Sterke en zwakke punten
1177 BC was te lezen als antwoord op 2008, toen wereldwijd de hedendaagse, verstrengelde economieën gelijktijdig een crisis indoken. Clines boek werd dan ook een bestseller, vertaald in diverse talen (ook Nederlands). Terecht, want wat Cline over de Late Bronstijd vertelde, was uitstekend gedocumenteerd. En de Late Bronstijd is nu eenmaal fascinerend. Dit zijn sterke punten. Tegelijk: we kunnen geen lessen trekken uit een periode waarover we onvoldoende data hebben. Natuurlijk, in de Oudheid hadden ze ook klimaatverandering, I.D.O.H.Z.O. droogtes, I.D.O.H.Z.O. economische aanpassingen, I.D.O.H.Z.O. migratie – de data staan toe te constateren dát ze er zijn geweest, maar wie het huidige tijdsgewricht wenst te begrijpen, profiteert meer van hedendaagse data dan van de niet-robuuste data die we hebben over de Vroege IJzertijd.
Akitu is de oeroude naam voor het nieuwjaarsfeest in het oude Nabije Oosten. Al in het derde millennium v.Chr. vierden de Sumeriërs het feest van het zaaien van gerst. Dat was aan het begin van de eerste maand van het jaar, dat wil zeggen in maart/april. In de Babylonische kalender heette die maand Nisannu – uw agenda zou u kunnen vertellen dat morgen (en eigenlijk al vanavond) 1 Nisan is op de joodse kalender. De Babyloniërs spraken ook wel van rêš šattim, “de kop van het jaar”.
In de grote stad Babylon, waarover we de meeste informatie hebben, had de bevolking vrijaf. De festiviteiten vonden plaats op twee locaties: in de tempel van de oppergod Marduk, de Esagila, en in het “Nieuwjaarshuis” benoorden de stad. Behalve Marduk stond ook zijn zoon Nabu, de god van de wijsheid, centraal.
De Oudheid biedt meer dan Grieks en Latijn (Louvre, Parijs)
Vandaag begint de Week van de Klassieken. U vindt het programma hier. Het thema is dit jaar de relatie tussen de antieke mens en zijn natuurlijke leefomgeving, en als u cynisch aanneemt dat “in de Oudheid dachten ze ook over natuur” weer eens een gemakzuchtig I.D.O.H.Z.O.-tje is, dan hebt u het mis. Lees nog even wat ecokritiek is en u herkent dat er een wetenschappelijke innovatie schuilt achter deze thematiek.
De klassieken doen ertoe, althans in potentie, en oudheidkunde is wél interessant. Voor degenen die het desondanks niet geloven willen, presenteer ik hier vijf smoezen om zich er niet in te hoeven verdiepen. Plus uitleg waarom dat drogredenen zijn. Dat ook.
1. Het is alleen maar Griekenland en Rome
De Oudheid is de periode waarin we, anders dan in de Prehistorie (waarvoor alleen de archeologie informatie levert), wél geschreven bronnen hebben, maar waarvoor we, anders dan voor de Middeleeuwen, onvoldoende bronnen hebben om te komen tot werkelijke geschiedvorsing. In jaartallen: het is de periode tussen pakweg 3000 v.Chr. en 650 of 800 na Chr. Geografisch bezien: de regio vanaf Iran en Centraal-Azië tot aan de Atlantische Kust.
Kleitablet met vermelding van de komeet van Halley (British Museum, Londen)
Je ziet niet dagelijks een komeet en in elk geval ik heb de komeet nog niet gezien die door het leven gaat met de naam 12P/Pons-Brooks. Ik begrijp dat die momenteel ergens tussen de sterrenbeelden Andromeda en Pegasus is te zien; dat is in de vroege avond in het noordwesten, een beetje laag. U moet voorlopig een verrekijker hebben om de staartster te zien maar dat kan natuurlijk veranderen.
Ik mag dan 12P/Pons-Brooks niet hebben gezien, het kleitablet hier boven zag ik wel. Het behoort tot de Astronomische Dagboeken waarover ik eerder blogde. Dit tablet is in 1880 ergens in het huidige Irak gevonden en arriveerde een jaar later in Londen, waar het sindsdien deel uitmaakt van de collectie van het British Museum. En het vermeldt de komeet van Halley, die in september 164 v.Chr. aan de hemel stond.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.