Het zoroastrisme

De kosmologie van het zoroastrisme als rotsreliëf. Rechts vertrapt Ahuramazda de duivel Angra Mainyu, links vertrapt Ardašir I zijn tegenstander Artabanos IV .

De Gatha’s, die ik in het vorige stukje introduceerde, vormen slechts een deel van de Avesta, en taalkundigen herkennen de jongere delen. De belangrijkste innovatie van het latere zoroastrisme is dat Zarathuštra’s volgelingen De Leugen personaliseerden. In verschillende teksten, geschreven in een taal die even oud lijkt als die van de Gatha’s, krijgt het kwaad een naam: Angra Mainyu, “de vijandige geest”. Hij geldt als leider van de demonen en in het Scheppingsverhaal plaatst hij tegenover alles wat goed is steeds iets slechts. De Geist der stets verneint staat in jongere teksten ook bekend als Ahriman.

Onuitgewerkt monotheïsme

Dat twee kosmische machten, de scheppende kracht Ahuramazda en de anti-kracht Angra Mainyu, tegenover elkaar staan, leidt tot de vraag of de laatste door de eerste is geschapen. In voor ons iets herkenbaarder jargon: schiep god de duivel? Wilde het goede het kwade? Het lijkt erop dat de vroegste zoroastriërs deze concepten, die zij als eersten ontwikkelden, nog niet volledig hadden doordacht.

Lees verder “Het zoroastrisme”

Kunst uit Xinjiang

Boeddhistisch “halffiguur” uit Shorchuk, Xinjiang (Humboldtforum, Berlijn)

Ik heb wel vaker geschreven over de Zijderoute: de handelsweg door Centraal-Azië die de Mediterrane wereld, Mesopotamië en Iran verbindt met Xinjiang en China. De reiziger die vanaf het westen komt, trekt over de Pamir en bereikt Kashgar, waar zich vanuit India een tweede handelsweg bij de Zijderoute voegt. In Kashgar heeft de reiziger de keuze tussen een zuidelijke en een noordelijke route om de Taklamakanwoestijn heen richting Dunhuang, waar de hoofdweg naar China begint. Langs beide routes moet de reiziger van oase naar oase trekken. Enkele oases langs de noordrand staan bekend als die van de Turfan-laagte. Hier liggen de Kizil-grotten, beroemd om hun laatantieke wandschilderingen.

De vondsten uit Turfan

Ik wist dat Duitse onderzoekers hier ooit allerlei vondsten hadden gedaan: teksten in het Tochaars en Sogdisch, boeddhistische objecten, documentatie over het manicheïsme en het nestoriaanse christendom. Aan het begin van de twintigste eeuw zijn vanuit Berlijn, met steun van de keizer en de firma Krupp, namelijk vier expedities richting Turfan vertrokken. Die keerden terug met kisten vol archeologische vondsten. Ze waren niet de enige ontdekkingsreizigers, overigens. De Kizil-grotten zijn bijvoorbeeld ontdekt door Japanse archeologen. In dezelfde tijd keerde ook Aurel Stein naar Europa terug met kisten vol manuscripten.

Lees verder “Kunst uit Xinjiang”

Byzantijnse krabbel (11): Bogomielen

De obelisk in de hippodroom van Constantinopel

In mijn reeks stukjes over het Byzantijnse Rijk nu een wat minder vrolijk verhaal. Het komt uit de Alexias van Anna Komnene, de dochter van keizer Alexios I Komnenos (r.1081-1118). Hij is de man die orde op zaken probeerde te brengen – en ook eigenlijk een heel eind kwam – na de catastrofale crisis na de Byzantijnse nederlaag tegen de Turken bij Manzikert in 1071. Alexios werd geconfronteerd met het ene probleem na het andere: Turken in Anatolië, een aanval van de Normandiërs van Sicilië, strooptochten van de Petsjenegen en tot overmaat van ramp de doortocht van de ridders van de Eerste Kruistocht.

Alexios wist de crises te overleven en het rijk enigszins te herstellen. Zijn dochter deed er verslag van in een van de lezenswaardigste geschiedwerken uit de Middeleeuwen. (De titel Alexias is een woordspeling op Ilias en ik houd daarom niet van de meer gangbare weergave Alexiade.) Anna heeft echter meer te vertellen dan verhalen over politiek en oorlog. Bijvoorbeeld over de bogomielen, een religieuze groep op het Balkanschiereiland.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (11): Bogomielen”

Possidius’ Augustinus

possidius_augustinus

Ik heb een paar maanden geleden op deze plaats geblogd over de belangrijke christelijke auteur Augustinus en, in een heel andere context, veel langer geleden over de positieve invloed die deze kerkvader nog steeds heeft. Het is een fascinerende man en bovendien een van de drie mensen uit de Oudheid van wie je denkt dat je hem echt een beetje kent. De twee anderen zijn Cicero en Herodotos.

Dit komt doordat Augustinus veel heeft geschreven, met de Belijdenissen als bekendste ego-document. Alsof dat nog niet genoeg is, heeft zijn vriend Possidius nog een biografie aan hem gewijd. Die is vorig jaar door Vincent Hunink in het Nederlands vertaald en voorzien van een inleiding door Paul van Geest. Beide zijn verbonden aan de Nijmeegse Radbouduniversiteit. Ik kan niet anders dan zeggen dat Het leven van Augustinus een geslaagd boek is, waarop alleen valt aan te merken dat het te bescheiden is.
Lees verder “Possidius’ Augustinus”

Het Palmyra van Paul Veyne

palmyra

Palmyra is zoiets als Isfahan of Samarkand: een karavaanstad van legendarische schoonheid. Ook als je er nooit bent geweest, ben je geschokt als je hoort dat vandalen daar moedwillig de monumenten kapot hebben gemaakt. Palmyra is werelderfgoed in de meest letterlijke zin van het woord: als er schade wordt aangericht, zijn niet alleen de Syriërs gedupeerd, maar voelt ieder mens zich getroffen.

Werelderfgoed wordt echter nooit zomaar werelderfgoed. Het heeft doorgaans een diepere betekenis. Het drietal Venetië – Antwerpen – Amsterdam documenteert bijvoorbeeld het ontstaan van een in alle aspecten door het kapitalisme doortrokken samenleving. Palmyra, Isfahan en Samarkand staan voor een ouder economisch systeem, waarin de landbouw domineerde en de handel een aanvulling was. Des te bijzonderder waren deze handelssteden, waar niet alleen producten van vér konden worden gevonden maar waar ook nieuwe ideeën werden uitgewisseld.

Lees verder “Het Palmyra van Paul Veyne”

Augustinus (3)

Augustinus (Sint-Janshospitaal, Brugge)

[Dit is het derde deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Augustinus mocht in het klooster dan een prettige levensvorm hebben gevonden, hij bleef twijfelen. Hij denkt in vragen – als manicheeër al en na zijn bekering tot het christendom niet minder. We herinneren ons dingen, maar waar komen die herinneringen vandaan? Hoe kan in zoiets kleins als ons lichaam zo onmetelijk veel informatie liggen opgeslagen? En hoe zit het met voorstellingen die we ons kunnen maken van dingen die we nog nooit hebben gezien? Of neem dit: als kind denk en redeneer je als kind, als volwassene denk je weer anders, maar waar is die kindertijd gebleven?

In feite was Augustinus begonnen de diepten van de menselijke geest te peilen en onderzocht hij wat “ik” nu eigenlijk was. Dat levert fenomenaal proza op dat in feite onvertaalbaar is. “Jij (= God) zat dieper in mij dan ikzelf” is omslachtiger dan het laconieke Latijnse interior intimo meo. (Let op het beginrijm en het klankspel.) Of bedenk eens wat mihi quaestio factus sum, “ik ben mezelf een raadsel geworden”, van indruk moet hebben gemaakt op lezers die anderhalf millennium leefden voordat Freud het onbewuste uitvond.

Lees verder “Augustinus (3)”

Augustinus (2)

Het keizerlijk hof (op een reliëf uit Istanbul). Augustinus zou bij officiële gelegenheden ergens op de bovenste rij hebben gezeten, in de nabijheid van de keizerlijke familie, verheven boven de stedelijke menigte.

[Dit is het tweede deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Augustinus werd geboren in Thagaste, het huidige Souk Ahras in noordoost Algerije, ging naar school in Madauros en had het geluk dat een rijk man wel iets zag in de intelligente jongeman – want intelligent moet je zijn om de Categorieën van Aristoteles door zelfstudie te begrijpen. Augustinus’ patroon zorgde ervoor dat hij een goede opleiding kreeg en de jonge man vestigde zich in Karthago als leraar in de welsprekendheid. Een belangrijke baan: in een halfgeletterde samenleving als het Romeinse Rijk, waarin alle besluitvorming mondeling plaatsvond, was het voor elke bestuurder van wezensbelang dat hij zich goed kon uitdrukken. Scholing in de welsprekendheid was daarom een voorwaarde voor iedereen die iets wilde bereiken. Die scholing hield overigens meer in dan alleen het componeren van een goede toespraak: het was een volledig cultureel programma dat iemand definieerde als beschaafde Griek of Romein.

In deze Karthaagse jaren behoorde Augustinus, zoals gezegd, bij een manichese sekte. De hoofdstukken die Lane Fox eraan wijdt, vond ik erg informatief, al troffen de beschreven rituelen me als zó bizar dat ik moeite had te geloven dat de reconstructie correct was. Een interessant probleem is hier dat we niet weten kunnen welke delen van de manichese teksten letterlijk zijn bedoeld en welke overdrachtelijk moeten worden gelezen. Waar een hedendaagse oudheidkundige een moderne christen kan vragen wat is bedoeld met het op het eerste gehoor kannibalistisch klinkende “dit is mijn lichaam”, is hij hulpeloos bij een manichese tekst.

Lees verder “Augustinus (2)”

Augustinus (1)

Achttiende-eeuws portret van Augustinus (Porta Nigra, Trier)
Achttiende-eeuws portret van Augustinus (Porta Nigra, Trier)

Manicheïsme is een antieke godsdienst waarin de kosmos werd voorgesteld als een eeuwige strijd tussen het goede en het kwade, tussen licht en donker, tussen geest en materie. Lange tijd is er weinig over bekend geweest: hoewel het in de Vroege Middeleeuwen een wereldreligie was, ging het manicheïsme ten onder in de concurrentie met het christendom en de islam. Er waren geen kopiisten voor de manichese teksten, die dus – zoals zoveel antieke literatuur die uit de mode raakte – verloren gingen. Alleen langs de Zijderoute, waar lange tijd allerlei religies naast elkaar bestonden, overleefde het, tot de Mongolen de laatste gelovigen doodden. De manichese opvattingen waren zodoende lange tijd vooral bekend uit de strijdschriften van hun tegenstanders, zoals Tegen de manicheeërs van bisschop Augustinus van Hippo (354-430), die enkele jaren lid was van een manichese sekte.

Aan het begin van de vorige eeuw veranderde de situatie, toen in Centraal-Azië enkele oeroude manichese teksten werden ontdekt. Verder beschikken we over de Tebessa Codex en de Keulse Mani-codex, een boekje zo klein als een luciferdoosje. De belangrijkste tekstvondsten komen echter uit de bibliotheek die in 1930 is ontdekt bij het Egyptische Medinet Madi: preken, een boek met de titel Synaxeis (“de vergaderingen”), een boek met antwoorden op vragen van gelovigen (de Kefalaia, “hoofdstukken”) en een enorm boek met manichese psalmen. De bibliotheek is samengesteld rond 400, dus in de tijd van Augustinus. Dit materiaal is de laatste jaren uitgegeven door de Chester Beatty-bibliotheek in Dublin.

Lees verder “Augustinus (1)”

Dualisme

Faravahar, het zichtbare aspect van Ahuramazda (Persepolis)
Faravahar, het zichtbare aspect van Ahuramazda (Persepolis)

Als God bestaat en als Hij goed en almachtig is, waarom is er dan kwaad in de wereld? Er zijn diverse antwoorden mogelijk, maar geen daarvan is echt overtuigend. Leg aan iemand die een kind heeft begraven maar uit dat wat hij heeft ervaren als kwaad, in feite niet slecht is maar is gebeurd voor zijn eigen bestwil. Overtuigender antwoorden gaan ervan uit dat één van de drie aannames niet klopt niet: óf God bestaat niet, óf Hij is niet goed, óf Hij is niet almachtig.

Dat laatste antwoord kent weer verschillende varianten, en één daarvan is dat er naast God een tweede bovennatuurlijke persoon is, die Hem tegenwerkt. Een duivel. Dit dualisme is ouder dan het monotheïsme en wordt geassocieerd met de profeet Zarathuštra, die ergens in het tweede millennium heeft geleefd in Centraal-Azië, en de mensen voorhield dat ze een keuze moesten maken tussen enerzijds de oppergod Ahuramazda en de goede goden, en anderzijds De Leugen. later zouden Zarathuštra’s aanhangers het kwaad personificeren en de naam Angra Mainyu gaven, “geest van het kwaad”.

Lees verder “Dualisme”

Pseudepigrapha

De joodse Bijbel dateert, in de huidige vorm, uit de tweede eeuw na Chr. Toen werd de canon van geïnspireerde geschriften opgesteld. Daarvóór waren er joden die ook andere geschriften beschouwden als door God geïnspireerd, maar in de tweede eeuw groeide er steeds meer consensus. Als geïnspireerd gold voortaan min of meer de lijst die de farizeeën al hadden erkend; de sadduceeën hadden een dunnere Bijbel gehad, terwijl de sekte van de Dode Zee-rollen juist meer gewijde literatuur had bezeten.

De geschriften die uiteindelijk niet op de lijst van erkende teksten kwamen, staan bekend als “pseudepigrafisch”. Ik heb nooit uitgezocht waar het woord vandaan kwam, maar sluit niet uit dat “epigrafisch” hier moet worden gelezen als “op de lijst ingeschreven” en dat “pseudo” aangeeft dat een tekst erop lijkt. De personages in deze teksten zijn inderdaad oude bekenden: Noach, Abraham, Izaäk, Jacob, de twaalf zonen van Jacob, Mozes, Elia, Ezechiël, Ezra. Er is nog een subcategorie: de apocriefe boeken. Dit zijn pseudepigrafische geschriften die door sommige christelijke kerken wel worden erkend als geïnspireerd: zo beschouwen veel kerkgenootschappen – zoals de rooms-katholieke kerk, de Grieks-orthodoxe kerk en de oosterse kerken – de twee boeken der Makkabeeën als canoniek, hoewel joden en protestanten dat niet doen.

Lees verder “Pseudepigrapha”